Internationale wet- en regelgeving: Jeugd
De bijzondere positie van het gedetineerde kind wordt sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw erkend in internationale mensenrechtelijke verdragen en standaarden. Het gaat dan om de in 1985 door de Verenigde Naties (VN) aangenomen Standard Minimum Rules for the Administration of Juvenile Justice (hierna: Beijing Rules), het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) uit 1989 en de Rules for the Protection of Juveniles Deprived of Their Liberty (hierna: Havana Rules) uit 1990. Daarnaast heeft de VN de Riyadh Rules (richtlijnen voor de Preventie van Jeugdcriminaliteit) opgesteld om jeugdcriminaliteit te bestrijden. De kern van het internationale recht is de noodzaak tot een kindspecifieke, mensenrechtelijke benadering ten aanzien van gedetineerde kinderen. Dit volgt onder meer uit artikel 37 IVRK. Op nationaal niveau geldt ook het Nationaal Preventie Mechanisme (NPM), wat voortvloeide uit het Optional Protocol to the Convention Against Torture (OPCAT) verdrag van de Verenigde Naties waarbij Nederland is aangesloten. Lees hier meer over het NPM.
Ook het Europees Verdrag inzake de Rechten van de mens (hierna: EVRM) heeft betrekking op jeugdgedetineerden. Binnen het jeugdstelsel zijn vooral de artikelen 5 en 8 van het EVRM van toepassing, waarin is neergelegd dat de jeugdige alleen in de in het EVRM genoemde gevallen zijn vrijheid kan worden ontnomen en dat de procedure daarvoor wettelijk moet zijn neergelegd. Dit is van belang bij opname in een (justitiële) inrichting.
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
In 1989 werd het IVRK aangenomen door de VN, bestaande uit 54 artikelen met afspraken over de rechten van kinderen en jongeren onder de 18 jaar. Deze kinderrechten vloeien voort uit andere internationale verdragen. Bijna alle landen in de wereld hebben het verdrag ondertekend. In Nederland werd het verdrag in 1995 ondertekend. Na ratificering van het verdrag moet een land ervoor zorgen dat alle nationale wetten en regels in overeenstemming zijn met de eisen die het verdrag stelt. Waar nodig moeten nationale overheden nationale wetten aanpassen, zodat deze niet in strijd zijn met de internationale verdragen.
Uitgangspunt van terughoudendheid
Internationale mensenrechtelijke verdragen dwingen tot de grootst mogelijke terughoudendheid ten aanzien van vrijheidsbeneming van kinderen. Uit artikel 37 IVRK volgt dat de aanhouding, detentie of gevangenschap alleen mag worden toegepast als uiterste middel en voor de kortst mogelijke duur. Hierbij dient de noodzaak tot en de duur van de vrijheidsbeneming in elk individueel geval zorgvuldig te worden afgewogen, waarbij de belangen van het kind een eerste overweging dient te vormen (zie artikel 3 lid 1 IVRK).
Uitoefening basisrechten
Verdragsstaten hebben de positieve verplichting te garanderen dat een gedetineerd kind in de eerste plaats zijn basisrechten kan uitoefenen. Zo dient een adequate levensstandaard te worden gewaarborgd, waarbij elk kind de benodigde medische zorg ontvangt, onderwijs kan genieten, zijn geloof kan belijden en contact met zijn familie kan onderhouden (zie expliciet artikel 37 aanhef, onder c IVRK). Daarnaast dient ook de privacy van elke jongere te worden gerespecteerd (zie artikel 16 IVRK).
Recht op bijzondere bescherming
Elk kind heeft recht op bijzondere bescherming. Dit betekent dat het kind die bescherming moet genieten die noodzakelijk is in het licht van zijn of haar bijzondere positie en kwetsbaarheid als gedetineerd kind. Hierbij dient rekening te worden gehouden met verschillen tussen kinderen op grond van onder meer leeftijd, rijpheid en geslacht. Elk kind moet adequaat worden beschermd tegen foltering of andere vormen van onrechtmatige behandeling (zie artikel 37 aanhef, onder a IVRK), met inbegrip van geweld, (seksueel) misbruik of verwaarlozing door inrichtingspersoneel en medegedetineerden. Lijfstraffen moeten worden verboden, de maatregel van eenzame opsluiting zou niet moeten worden toegepast en ordemaatregelen en dwang- of controlemiddelen mogen alleen worden gebruikt op grond van de wet en indien noodzakelijk (zie rules 64-67 Havana Rules).
Klachtrecht
Een belangrijke rechtswaarborg tegen onrechtmatige of willekeurige behandeling tijdens vrijheidsbeneming is het recht om te klagen. Elk gedetineerd kind dient over een dergelijke mogelijkheid te beschikken en moet in staat worden gesteld deze te gebruiken. In dit verband is van groot belang dat hij of zij volledig is geïnformeerd over zijn of haar rechtspositie en kan beschikken over juridische en andere passende bijstand (zie artikel 37 aanhef, onder d IVRK).[1] In Nederland is het klachtrecht nader uitgewerkt in artikel 65 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
Voorgaande materiële en formele aspecten van de rechtspositie van gedetineerde kinderen kunnen tezamen met tal van andere aspecten, worden afgeleid uit verschillende internationale en regionale mensrechtelijke standaarden, waarvan de Havana Rules van de VN wereldwijd de belangrijkste zijn voor kinderen.[2]
Rechtskracht internationale regelgeving
Het IVRK heeft minder rechtskracht dan bijvoorbeeld het EVRM, ondanks het feit dat het een verdrag met bindende werking is.
Uit de jurisprudentie blijkt dat de artikelen 2-12, 16, 19-23, 26-28, 37 en 40 IVRK wel eens voor de rechter zijn ingeroepen of ambtshalve zijn toegepast of aangehaald. Een beroep op het IVRK wordt in het algemeen door de rechter veelal niet gehonoreerd.
Er zijn door de jaren heen meerdere onderzoeken geweest naar de toepassing van het IVRK in de Nederlandse rechtspraak. Uit deze onderzoeken kan geconcludeerd worden dat een beroep op het IVRK steeds vaker wordt toegepast en steeds vaker een positieve uitkomst heeft voor de kinderen.[3]
In Nederland zijn voorbehouden gemaakt op bepaalde artikelen uit het IVRK. In Nederland is het bijvoorbeeld toegestaan om het volwassen strafrecht toe te passen op zestien- en zeventienjarigen en doordat Nederland een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van artikel 37c IVRK is dit niet in strijd met het internationale recht.
De Beijing Rules, de Havana Rules en de Riyadh Rules zijn in tegenstelling tot het IVRK niet bindend, maar er gaat wel een grote morele kracht van deze richtlijnen uit.[4]
_______________________________________________________________________________________________
[1] Zie voor een uitgebreid achtergrond artikel: T. Liefaard, ‘Vrijheidsbeneming van kinderen in het licht van internationale mensenrechten’, NJCM-Bulletin 2009/34, nr. 4.
[2] Bovenstaande informatie is terug te vinden in het uitgebreide stuk: T. Liefaard, Deprivation of Liberty of Children in Light of International Human Rights Law and Standards (diss. Amsterdam VU), Antwerp/Oxford/Portland: Intersentia 2008.
[3] M. Van Emmerik, ‘Toepassing van het kinderrechtenverdrag in de Nederlandse rechtspraak’, NJCM-Bulletin 2005/30, nr. 6.
Zie ook; E. Polhuijs, ‘De toepassing van het IVRK in vreemdelingenzaken’, in: J.H. de Graaf (red.), De toepassing van het IVRK in de Nederlandse rechtspraak. Deel II, Amsterdam: De Boekdrukker 2015, p. 81-146.
[4] G.C.A.M. Ruitenberg, De doorwerking van het VN-Verdrag inzake de Rechten Van het Kind in de Nederlandse rechtspraak.