Jurisprudentie

Hieronder vindt u de uitspraken van de beklagcommissies. Voor de uitspraken van de RSJ kunt u de jurisprudentiedatabank raadplegen.

KC 2022/004
Het beklag richt zich tegen de afwijzing van klagers verzoek om hem te promoveren naar het plusprogramma. In dit besluit wordt als ongewenst gedrag benoemt dat klager zich niet houdt aan de (huis)regels. De beklagrechter stelt vast dat de directeur het ongewenste gedrag van klager heeft afgezet tegen het gewenst gedrag dat hij heeft vertoond. De beklagrechter is echter van oordeel dat deze belangenafweging niet naar behoren is uitgevoerd. Het is niet in te zien waarom het belang om klager niet te promoveren naar het plusprogramma ondergeschikt wordt gesteld aan het belang van de inrichting om klager in het basisprogramma te houden. Daarbij neemt de beklagrechter in acht dat het ongewenste gedrag van klager slechts één incident betrof en dat klager voor dit incident “licht” is gestraft, namelijk met een voorwaardelijke straf van twee dagen eigen cel met een proeftijd van drie maanden. Voorts neemt de beklagrechter in acht dat klager voor het overige gewenst gedrag heeft vertoond. De beklagrechter is van oordeel dat de motivering het besluit om klager af te wijzen voor het plusprogramma, niet kan dragen. In dat geval is, conform de standaardbedragen tegemoetkoming van de RSJ, een tegemoetkoming van € 45,- op zijn plaats.    

KC 2021/046
                                                                           
Het beklag van klaagster richt zich tegen de beslissing om haar terug te plaatsen in het basisregime. Tijdens de zitting is de beklagcommissie gebleken dat bij klaagster wellicht sprake is van verstandelijke beperkingen. Dit is ook niet weersproken door de directeur. In het besluit is echter niets terug te vinden van de problemen die klaagster daardoor ondervindt en in hoeverre daarmee rekening is gehouden bij de bestreden beslissing. De commissie vindt dat dit in het kader van een juiste belangenafweging en motivering wel had moeten gebeuren. Daar komt bij dat blijkbaar tot eind juli 2021 klaagster goed gedrag heeft laten zien. De commissie is van oordeel dat de beslissing onvoldoende is onderbouwd in hoeverre het klaagster kan worden verweten dat zij niet voldoende zou meewerken. Gelet hierop is de commissie van oordeel dat het beklag gegrond is. De commissie draagt de directeur op een nieuwe beslissing te nemen die beter onderbouwd is en deze beslissing ter kennisname te zenden aan de commissie van toezicht.

KC 2021/014
                                                                             
Klager is na overplaatsing naar PI Lelystad in het basisprogramma geplaatst op basis van een onjuist selectie advies van zijn voorgaande inrichting. Bij binnenkomst meldt klager gelijk dat de degradatie naar dit programma onjuist is, maar desondanks heeft hij een week in het basisprogramma doorgebracht. De beklagrechter overweegt dat het niet onredelijk is dat klager in eerste instantie in een basisprogramma is geplaatst. Echter wordt door de directeur gesteld dat in die week nader onderzoek is verricht naar de degradatie van klager, maar heeft hij niet aangetoond waaruit dit heeft bestaan. Daarnaast kent een overplaatsing in het kader van een incident een ander criterium dan dat van degradatie naar het basisprogramma. Een dergelijke overplaatsing betekent daarom niet automatisch dat de gedetineerde ook is gedegradeerd. Doordat klager direct heeft aangegeven niet gedegradeerd te zijn en er geen degradatiebesluit bij het selectieadvies zat, overweegt de beklagcommissie dat het verblijf van één week in het basisprogramma als onredelijk en onbillijk moet worden beschouwd. De beklagrechter verklaart het beklag gegrond en kent een tegemoetkoming van € 5,00 toe.