GVM
Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico (GVM)
Het doel van het GVM-beleid is het beheersen van de risico’s die DJI loopt met betrekking tot de veiligheid in de PI en/of de samenleving.[1] Op 1 november 2025 is een nieuwe circulaire “Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijke risico” in werking getreden die de circulaire “Beleid gedetineerden met vlucht/maatschappelijke risico d.d. 8 juli 2021’ vervangt. Deze nieuwe én ‘oude’ circulaires van 16 juli 2018 en 8 juli 2021 kunt u onder het kopje ‘wet- en regelgeving’ raadplegen. Het dossier is verder geheel gebaseerd op de circulaire van 2025. Hieronder wordt nader ingegaan op de risicocategorieën, de beoordeling hiervan en de eventuele maatregelen die aan een gedetineerde kunnen worden opgelegd. Tot slot wordt aandacht besteed aan rechtsmiddelen die in dit kader kunnen worden aangewend.
Risicocategorieën
DJI onderscheidt GVM in twee categorieën: risicogedetineerden (RG) en hoogrisicogedetineerden (HRG). In welke categorie een gedetineerde wordt ingedeeld wordt afgewogen in het Overleg Risico-gedetineerden (ORG). In het ORG wordt informatie rondom (mogelijke) GVM-gedetineerden van de penitentiaire inrichtingen (PI’s), het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP) van de politie en het Openbaar Ministerie (OM) besproken.
De selectiefunctionaris (SF) legt van elke gedetineerde bij binnenkomst in detentie, en dus bij de eerste plaatsing, een risicoprofiel vast. Op grond van artikel 22 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog) wordt dit risicoprofiel vastgesteld op basis van informatie zoals de bevindingen van het GRIP en het OM. Het GRIP is een onderdeel van de Landelijke Eenheid van de politie. Het GRIP verzamelt informatie over gedetineerden uit allerlei verschillende bronnen en fungeert als informatieknooppunt tussen de politie, DJI en het OM.[2]
Het ORG speelt een leidende rol door af te wegen of de GVM-gedetineerde in categorie RG of HRG moet worden ingedeeld en door te adviseren over de plaatsing van de GVM-gedetineerde. De plaatsing van een gedetineerde gebeurt op basis van artikel 24 en 25 van de Rspog.
Hieronder volgen de criteria op basis waarvan het ORG adviseert en de SF besluit om een gedetineerde aan te merken als RG. Het ORG onderbouwt daarbij haar besluit. Onderstaande criteria kunnen zowel losstaand als in samenhang reden zijn voor het aanmerken van een gedetineerde als RG.
Het doel van het GVM-beleid is het beheersen van de risico’s die DJI loopt met betrekking tot de veiligheid in de PI en/of de samenleving.[1] Op 1 november 2025 is een nieuwe circulaire “Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijke risico” in werking getreden die de circulaire “Beleid gedetineerden met vlucht/maatschappelijke risico d.d. 8 juli 2021’ vervangt. Deze nieuwe én ‘oude’ circulaires van 16 juli 2018 en 8 juli 2021 kunt u onder het kopje ‘wet- en regelgeving’ raadplegen. Het dossier is verder geheel gebaseerd op de circulaire van 2025. Hieronder wordt nader ingegaan op de risicocategorieën, de beoordeling hiervan en de eventuele maatregelen die aan een gedetineerde kunnen worden opgelegd. Tot slot wordt aandacht besteed aan rechtsmiddelen die in dit kader kunnen worden aangewend.
Risicocategorieën
DJI onderscheidt GVM in twee categorieën: risicogedetineerden (RG) en hoogrisicogedetineerden (HRG). In welke categorie een gedetineerde wordt ingedeeld wordt afgewogen in het Overleg Risico-gedetineerden (ORG). In het ORG wordt informatie rondom (mogelijke) GVM-gedetineerden van de penitentiaire inrichtingen (PI’s), het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP) van de politie en het Openbaar Ministerie (OM) besproken.
De selectiefunctionaris (SF) legt van elke gedetineerde bij binnenkomst in detentie, en dus bij de eerste plaatsing, een risicoprofiel vast. Op grond van artikel 22 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog) wordt dit risicoprofiel vastgesteld op basis van informatie zoals de bevindingen van het GRIP en het OM. Het GRIP is een onderdeel van de Landelijke Eenheid van de politie. Het GRIP verzamelt informatie over gedetineerden uit allerlei verschillende bronnen en fungeert als informatieknooppunt tussen de politie, DJI en het OM.[2]
Het ORG speelt een leidende rol door af te wegen of de GVM-gedetineerde in categorie RG of HRG moet worden ingedeeld en door te adviseren over de plaatsing van de GVM-gedetineerde. De plaatsing van een gedetineerde gebeurt op basis van artikel 24 en 25 van de Rspog.
Hieronder volgen de criteria op basis waarvan het ORG adviseert en de SF besluit om een gedetineerde aan te merken als RG. Het ORG onderbouwt daarbij haar besluit. Onderstaande criteria kunnen zowel losstaand als in samenhang reden zijn voor het aanmerken van een gedetineerde als RG.
A. (risico op) Ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf;
B. (vermoedens van) Voortgezet crimineel handelen vanuit detentie;
C. (risico op) Liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde;
D. (risico op) Verspreiden van extremistisch gedachtegoed;
E. Ondermijning van gezag van directie en personeel in de inrichting;
F. Ongeoorloofde contacten met slachtoffers en/of nabestaanden, medewerkers in het strafrecht, - of de executieketen dan wel ongeoorloofde contacten met media of zichtbaarheid op social media.
G. De gedetineerde wordt verdacht van of is veroordeeld voor een strafbaar feit dat heeft geleid tot grote maatschappelijke verontwaardiging en onrust en een geschokte rechtsorde.
De SF maakt, namens de Minister, een individuele belangenafweging en beslist welk risicoprofiel aan de gedetineerde wordt toegekend. Hieronder volgt een nadere toelichting op de categorieën (H)RG.
RG
RG zijn gedetineerden die voldoen aan één of meer van de bovengenoemde risicocategorieën. Zij kunnen verblijven in een normaal beveiligde inrichting of beperkt beveiligde afdelingen, maar (mogelijk) zijn extra lokale beheers- en toezichtsmaatregelen nodig. Het gaat hierbij bijvoorbeeld op het risico op ontvluchting, voortgezet crimineel handelen (VCHD) en ongeoorloofd contact met slachtoffers.
RG zijn gedetineerden die voldoen aan één of meer van de bovengenoemde risicocategorieën. Zij kunnen verblijven in een normaal beveiligde inrichting of beperkt beveiligde afdelingen, maar (mogelijk) zijn extra lokale beheers- en toezichtsmaatregelen nodig. Het gaat hierbij bijvoorbeeld op het risico op ontvluchting, voortgezet crimineel handelen (VCHD) en ongeoorloofd contact met slachtoffers.
Bij de beoordeling of een gedetineerde moet worden aangemerkt als RG en/of (toezichts)maatregelen noodzakelijk worden geacht, geldt dat het ORG een advies uitbrengt over het profiel van een gedetineerde. Het ORG maakt daarbij een individuele belangenafweging waarbij de levensloopbenadering van de gedetineerde centraal staat en in ieder geval onderstaande aspecten worden afgewogen:
- Motivering: hierbij wordt onder andere gekeken naar het strafrestant, vervolgstraffen, of er sprake is van uitzetting, aspecten van de sociale omgeving in de buitenwereld, de criminele carrière en signalen of de gedetineerde geneigd is om de criminele carrière voort te zetten tijdens detentie. Ook wordt gekeken naar eventuele incidenten tijdens (eerdere) detenties, zoals ontvluchtingspogingen en overige geconstateerde ontoelaatbare gedragingen zoals bedreigingen, het verspreiden van extremistisch gedachtegoed en ongewenst contact met de media, slachtoffers en/of nabestaanden.
- Middelen: hierbij wordt onder andere gekeken naar de beschikbare financiële middelen, netwerk, etc. van de gedetineerde in relatie tot de risicocategorieën.
- Macht: hierbij wordt onder andere gekeken naar de hiërarchische positie, rol en status binnen een (criminele) organisatie en/of samenwerkingsverband. Dat kan onder andere blijken uit de status van een gedetineerde binnen een PI.
HRG
HRG worden vanwege de hoge veiligheidsrisico’s geplaatst in bepaalde inrichtingen of afdelingen met een uitgebreid of extra beveiligingsniveau. Dit betreffen de AIT, de afdeling voor beheers problematische gedetineerden (BPG), terroristenafdelingen (TA), (een deel van het) Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) of de EBI. In deze inrichtingen of afdelingen is in het bijzonder aandacht voor de veiligheidsaspecten. De gebouwelijke voorzieningen, het beveiligingsniveau en de faciliteiten zijn afgestemd op het mitigeren van de risico’s die HRG met zich meebrengen.
Als een gedetineerde voldoet aan de criteria van een van de bovengenoemde bijzondere inrichtingen of afdelingen, wordt een gedetineerde door de SF (eventueel op advies van het ORG en de selectie-adviescommissie (SAC) AIT/EBI) aangemerkt als HRG en geplaatst in een uitgebreid of extra beveiligde inrichting in een van de bijzondere inrichtingen of afdelingen. Na plaatsing in deze inrichtingen of afdelingen worden deze gedetineerden gemonitord en besproken in andere overleggen dan het ORG.
Bij het advies dat het ORG uitbrengt aan de SF over in welke categorie de kans en impact van de dreiging(en) van de gedetineerde moet worden ingedeeld, brengt het ORG ook advies uit over in welke inrichting de gedetineerde het beste kan worden geplaatst. Daarbij wordt rekening gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder ongewenste combinaties van gedetineerden. Ook brengt het ORG advies uit over de op te leggen (toezichts)maatregelen. Dit advies wordt gegeven aan de directeur van de desbetreffende PI.
Maatregelen
De directeur van de inrichting is bevoegd om, als daartoe een noodzaak bestaat, (toezichts)maatregelen op te leggen. De directeur maakt een individuele belangenafweging, waarbij het advies van het ORG zwaarwegend is. Het uitgangspunt bij het opleggen van (toezichts)maatregelen is dat het gaat om een sluitend en samenhangend pakket van maatregelen.[3] De directeur is verantwoordelijk voor het opleggen van een complete set aan maatregelen, de uitvoering daarvan en het volgens de gestelde termijnen rapporteren over de effectiviteit van de (toezichts)maatregelen.
De directeur stelt de gedetineerde schriftelijk op de hoogte van de (toezichts)maatregelen die worden opgelegd. Bij het nemen van besluiten inzake (toezichts)maatregelen houdt de directeur zich aan de vereisten zoals die onder andere zijn beschreven in hoofdstuk tien van de Pbw. Dat houdt onder meer in dat de directeur de gedetineerde van tevoren hoort en daar waar de wet dat vereist de besluiten voorziet van een draagkrachtige motivering. De directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de opgelegde maatregelen en rapporteert hierover aan de ORG. Elk ten aanzien van de gedetineerde genomen besluit staat open voor beklag en beroep. [4]
De bevoegdheid van de directeur om uitvoering te geven aan het GVM-beleid is onder andere te vinden in de Pbw. De directeur van de PI is verantwoordelijk voor het beheer van de inrichting.[5] Ook is hij verantwoordelijk voor het handhaven van de orde en veiligheid in de inrichting. In het belang daarvan is de directeur bevoegd om bevelen op te leggen aan gedetineerden.[6] Om uitvoering te geven aan het GVM-beleid maakt de directeur gebruik van de aan hem toegekende bevoegdheden, zoals bevoegdheden ten aanzien van ordemaatregelen, het uitoefenen van toezicht op de contact met buiten of het niet verlenen van bezoek zonder toezicht en bevoegdheden tot het treffen van individuele besluiten zoals plaatsing op een bepaalde afdeling, ongeschiktheid voor een MPC en het treffen van maatregelen rondom de interne bewegingsvrijheid.
Beklag en beroep
Tegen de toekenning van de status RG of HRG door de SF staat géén bezwaar of beroep open. De beslissing is immers door de SF genomen op advies van het ORG.
Ten aanzien van het opleggen van toezichtsmaatregelen kan de gedetineerde wel in beklag op grond van artikel 60 van de Pbw. In deze zaken wordt getoetst of de directeur de juiste afwegingen heeft gemaakt. De directeur dient af te wegen of de maatregelen relevant zijn in relatie tot de status als (H)RG. De redelijkheid en billijkheid van de maatregelen dienen te worden afgewogen op grond van feitelijke omstandigheden in de inrichting, waaronder het gedrag van de gedetineerde.[7] De directeur wordt geacht om - in beklag- en beroepsprocedures tegen de oplegging van maatregelen – gemotiveerd in te gaan op het verweer van de gedetineerde. De RSJ heeft meerdere malen klachten en schorsingsverzoeken van gedetineerden gegrond verklaard of toegewezen omdat niet voldaan was aan bovengenoemde criteria, waaronder het ontbreken van een belangenafweging of het niet horen van de gedetineerde. Als een klacht tegen toezichtsmaatregelen gegrond wordt verklaard, kent de beroepscommissie meestal een tegemoetkoming toe van €50,-.
In de uitspraak van 3 februari 2023 heeft de RSJ geoordeeld dat het na een overplaatsing (ongewijzigd) overnemen van in een eerdere inrichting opgelegde GVM-maatregelen een nieuwe beslissing van de directeur betreft waartegen beklag kan worden ingesteld. De directeur dient de gedetineerde voorafgaand aan die beslissing te horen en een eigen belangenafweging te maken.[8]
Het Overleg Risico-gedetineerden
Het ORG is een landelijk adviesorgaan dat de risico’s vanuit en voor de gedetineerde in kaart brengt, beoordeelt en op grond daarvan adviseert over de categorisering van de dreiging, de plaatsing van de GVM-gedetineerde en de noodzakelijke (toezichts)maatregelen. Het ORG handelt in opdracht van de divisiedirecteuren GW/VB en heeft in de kern een vaste samenstelling. Naast de voorzitter en een secretaris is vertegenwoordigd: het Landelijk Bureau Inlichtingen en Veiligheid (LBIV) in de persoon van het Hoofd LBIV vertegenwoordigd, DIZ in de persoon van de (senior) SF, twee directeuren van de uitgebreid en/of extra beveiligde inrichtingen, het OM/Landelijk parket (LP), vertegenwoordigd door de Landelijk Officier van Justitie Detentie en Veiligheid en GRIP in de persoon van een operationeel specialist.
De bevoegdheid van de directeur om uitvoering te geven aan het GVM-beleid is onder andere te vinden in de Pbw. De directeur van de PI is verantwoordelijk voor het beheer van de inrichting.[5] Ook is hij verantwoordelijk voor het handhaven van de orde en veiligheid in de inrichting. In het belang daarvan is de directeur bevoegd om bevelen op te leggen aan gedetineerden.[6] Om uitvoering te geven aan het GVM-beleid maakt de directeur gebruik van de aan hem toegekende bevoegdheden, zoals bevoegdheden ten aanzien van ordemaatregelen, het uitoefenen van toezicht op de contact met buiten of het niet verlenen van bezoek zonder toezicht en bevoegdheden tot het treffen van individuele besluiten zoals plaatsing op een bepaalde afdeling, ongeschiktheid voor een MPC en het treffen van maatregelen rondom de interne bewegingsvrijheid.
Beklag en beroep
Tegen de toekenning van de status RG of HRG door de SF staat géén bezwaar of beroep open. De beslissing is immers door de SF genomen op advies van het ORG.
Ten aanzien van het opleggen van toezichtsmaatregelen kan de gedetineerde wel in beklag op grond van artikel 60 van de Pbw. In deze zaken wordt getoetst of de directeur de juiste afwegingen heeft gemaakt. De directeur dient af te wegen of de maatregelen relevant zijn in relatie tot de status als (H)RG. De redelijkheid en billijkheid van de maatregelen dienen te worden afgewogen op grond van feitelijke omstandigheden in de inrichting, waaronder het gedrag van de gedetineerde.[7] De directeur wordt geacht om - in beklag- en beroepsprocedures tegen de oplegging van maatregelen – gemotiveerd in te gaan op het verweer van de gedetineerde. De RSJ heeft meerdere malen klachten en schorsingsverzoeken van gedetineerden gegrond verklaard of toegewezen omdat niet voldaan was aan bovengenoemde criteria, waaronder het ontbreken van een belangenafweging of het niet horen van de gedetineerde. Als een klacht tegen toezichtsmaatregelen gegrond wordt verklaard, kent de beroepscommissie meestal een tegemoetkoming toe van €50,-.
In de uitspraak van 3 februari 2023 heeft de RSJ geoordeeld dat het na een overplaatsing (ongewijzigd) overnemen van in een eerdere inrichting opgelegde GVM-maatregelen een nieuwe beslissing van de directeur betreft waartegen beklag kan worden ingesteld. De directeur dient de gedetineerde voorafgaand aan die beslissing te horen en een eigen belangenafweging te maken.[8]
Het Overleg Risico-gedetineerden
Het ORG is een landelijk adviesorgaan dat de risico’s vanuit en voor de gedetineerde in kaart brengt, beoordeelt en op grond daarvan adviseert over de categorisering van de dreiging, de plaatsing van de GVM-gedetineerde en de noodzakelijke (toezichts)maatregelen. Het ORG handelt in opdracht van de divisiedirecteuren GW/VB en heeft in de kern een vaste samenstelling. Naast de voorzitter en een secretaris is vertegenwoordigd: het Landelijk Bureau Inlichtingen en Veiligheid (LBIV) in de persoon van het Hoofd LBIV vertegenwoordigd, DIZ in de persoon van de (senior) SF, twee directeuren van de uitgebreid en/of extra beveiligde inrichtingen, het OM/Landelijk parket (LP), vertegenwoordigd door de Landelijk Officier van Justitie Detentie en Veiligheid en GRIP in de persoon van een operationeel specialist.
Herbeoordeling van een gedetineerde
RG worden periodiek opnieuw beoordeeld in het ORG.[9] Het ORG weegt dan af of het beoogde effect met de maatregelen wordt bereikt en wat de noodzaak is tot het blijven monitoren van de gedetineerde en adviseert over de (voortzetting van de) getroffen (toezichts)maatregelen. HRG in de AIT, TA, BPG, PPC en EBI worden gemonitord en besproken in separate overleggen.
RG worden periodiek opnieuw beoordeeld in het ORG.[9] Het ORG weegt dan af of het beoogde effect met de maatregelen wordt bereikt en wat de noodzaak is tot het blijven monitoren van de gedetineerde en adviseert over de (voortzetting van de) getroffen (toezichts)maatregelen. HRG in de AIT, TA, BPG, PPC en EBI worden gemonitord en besproken in separate overleggen.
[1] Circulaire ‘Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico d.d.1 november 2025, kenmerk 6756965.
[3] Zie ook bijlage 3 van de circulaire ‘Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico’ d.d. 1 november 2025, kenmerk 6756965.
[4] Artikel 60 Pbw
[5] Artikel 3 Pbw
[6] Artikel 5 lid 3 Pbw
[9] Dit is na 3, 6 of 12 maanden.