Sla inhoud over

Persoonlijke verzorging

Algemeen
Persoonlijke verzorging wordt in de Beginselenwetten ook wel omschreven als materiële verzorging. Materiële verzorging heeft betrekking op alle ingesloten: gedetineerden, tbs-gestelden, jeugdigen en vreemdelingen. Wanneer er verschil in regelgeving is ten aanzien van een bepaalde sector, zal die hieronder separaat worden benoemd.

In de artikelen over persoonlijke verzorging[1] zijn drie zorgplichten voor de directeur vastgelegd:
1. de zorgplicht voor verstrekking van voeding, noodzakelijke kleding en schoeisel of geldmiddelen daartoe;
2. de zorgplicht om de voeding zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de godsdienst of levensovertuiging van de gedetineerde;
3. de zorgplicht voor het naar behoren kunnen verzorgen van het uiterlijk en de lichamelijke hygiëne.

Het tweede lid van de betreffende artikelen verschaft de ingeslotene het recht op het dragen van eigen kleding en schoeisel, tenzij deze een gevaar kunnen opleveren voor de orde of veiligheid van de inrichting. Het vijfde lid schrijft voor dat in de huisregels regels worden gesteld omtrent de aankoop door gedetineerden van andere gebruiksartikelen dan die door de directeur beschikbaar worden gesteld. Hieronder zullen de zorgplichten die uit dit artikel voortvloeien apart besproken worden en tot slot de aankoop van gebruiksartikelen.

Voor bespreking van de onder 2 genoemde zorgplicht wordt verwezen naar het dossier ‘geestelijke verzorging’, zie deze link.

Het is van belang om te weten dat tegen het niet naleven van een zorgplicht geen beklag kan worden ingediend door verpleegden, nu de beklagmogelijkheden in de Beginselenwet ter beschikking gestelden beperkter zijn dan in de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. De volwassen en jeugdige gedetineerde en de vreemdeling kunnen wel beklag indienen over de wijze waarop de zorgplicht in een individueel geval wordt toegepast.

Voeding

De algemene zorgplicht van de directeur[2] houdt onder andere in dat de directeur zorg draagt dat aan de ingeslotene voeding wordt verstrekt. In het derde lid wordt bepaald dat de directeur de zorg draagt dat bij de verstrekking van voeding zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de godsdienst of levensovertuiging van de gedetineerde. Uit de Memorie van toelichting blijkt dat hierbij valt te denken aan de joodse godsdienst of de islam. Een levensovertuiging kan bijvoorbeeld vegetarisme zijn.

Kwaliteit en hoeveelheid voeding
In onze wet- en regelgeving zijn geen regels te vinden over de kwaliteit en hoeveelheid van het eten. Hier kan de commissie van toezicht een belangrijke rol spelen, door bijvoorbeeld een keer mee te eten in de inrichting. Ook het aantal klachten over het eten geeft een aanwijzing of er iets veranderd moet worden. In de Europese gevangenisregels is wel een bepaling over voeding opgenomen, namelijk regel 22. Deze regel schrijft voor dat de ingeslotenen drie maal per dag met redelijke intervallen een maaltijd ontvangen, dat het voedsel hygiënisch moet zijn bereid en opgediend en dat het voedzaam is. Hierbij moet rekening gehouden worden met hun leeftijd, gezondheid, lichamelijke toestand, geloof, cultuur en de aard van hun werk in de inrichting. Daarbij moet in de nationale wetgeving de voorwaarden voor een voedzame maaltijd van een minimale kwaliteit en met voldoende eiwitten worden voorgeschreven. Tevens dient steeds schoon drinkwater ter beschikking van de ingeslotenen te zijn.[3]

Dieetvoeding
Overeenkomstig regel 22.6 van de Europese Gevangenisregels is het voor de medische dienst mogelijk om bepaalde ingeslotenen op medische gronden dieetvoeding voor te schrijven. Echter, de overige ingeslotenen kunnen geen aanspraak maken op deze, veelal duurdere, dieetvoeding.

Voeding rekening houdend met godsdienst of levensovertuiging
Op grond van godsdienst of levensovertuiging kan een verzoek worden gedaan om bijzondere voeding. Deze verzoeken moeten worden ingewilligd voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is. Daarbij wordt gekeken naar de financiële en organisatorische mogelijkheden en bovendien moet het ook gaan om een ingeslotene die daadwerkelijk dat geloof belijdt.


Kleding en schoeisel
Verder houdt de algemene zorgplicht van de directeur onder andere in dat aan de ingeslotene de noodzakelijke kleding en schoeisel wordt verstrekt. Wanneer een ingeslotene zelf niet over voldoende kleding beschikt (die aan de in redelijkheid daaraan te stellen eisen voldoet), dan wordt deze van rijkswege verstrekt.
In het tweede lid[4] is het recht op het dragen van eigen kleding vastgelegd, tenzij deze een gevaar kan opleveren voor de orde of veiligheid van de inrichting. Vroeger waren de gevangenen verplicht uniforme inrichtingskleding te dragen. Dit werd door de gedetineerden als stigmatiserend ervaren en gezien als onttakeling van hun eigen identiteit. Het dragen van de inrichtingskleding hoorde bij de straf en de gevangenen waren duidelijk herkenbaar met het oog op de veiligheid.[5]

Tegenwoordig heeft de ingeslotene dan ook het recht om zijn eigen kleding en schoeisel te dragen, tenzij die een gevaar opleveren voor de orde of de veiligheid in de inrichting. De Memorie van toelichting vermeldt dat daarbij bijvoorbeeld valt te denken aan schoeisel dat, indien daarmee wordt geschopt, ernstige verwondingen kan veroorzaken. Artikel 4.4 van de Regeling Model huisregels penitentiaire inrichtingen en artikel 6.2 van de Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen bepalen echter dat het recht op het dragen van eigen kleding vervalt wanneer deze niet voldoet aan in redelijkheid te stellen eisen. Daarnaast geldt het recht op het dragen van eigen kleding niet binnen het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg.

Arbeid/sport/wassen
Tijdens de arbeid of sport kan een ingeslotene verplicht worden aangepaste kleding of schoeisel te dragen[6].

De eigen kleding wordt in de inrichting gewassen. Het is niet toegestaan wasgoed uit en in te voeren naar een externe wasserij of door bijvoorbeeld een echtgenote buiten de inrichting te laten wassen. Het wassen vindt plaats op eigen risico en voor eigen kosten van de gedetineerde[7]. De directeur mag een algemene periodieke geldelijke heffing op de rekening-courant van de gedetineerde in mindering brengen, omdat de omvang en frequentie van de was per gedetineerde zeer kunnen verschillen. Verder kunnen er in de huisregels regels worden gesteld omtrent het gebruik en onderhoud van de kleding (bijvoorbeeld het wassen) en schoeisel (dit laatste is overigens niet opgenomen in de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden). 
In sommige inrichtingen kunnen de gedetineerden tegen betaling zelf hun was doen door middel van de wasmachines op de afdeling.

In de Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen[8] zijn de jeugdinrichtingen vrij gelaten om in de Huisregels te bepalen welke regels er gelden voor het gebruik van onderhoud en schoeisel en hoeveel klager op zijn eigen kamer mag bewaren.

Bij de verpleegden wordt er in de huisregels slechts iets aangegeven over de mogelijke verplichting tijdens het verrichten van werkzaamheden of sport aangepaste kleding of schoeisel te dragen.[9]

Verder geldt dat de directeur op grond van het vierde lid[10] zorg moet dragen voor de hygiëne van de ingeslotenen. Derhalve is hij verplicht aan hen gratis waspoeder ter beschikking te stellen.[11]

Uiterlijke en lichamelijke hygiëne
In het vierde lid[12] is de zorgplicht voor de directeur neergelegd om de ingeslotene onder andere in staat te stellen zijn uiterlijke en lichamelijke hygiëne naar behoren te verzorgen. De Memorie van toelichting geeft aan dat de woorden ‘naar behoren’ erop duiden dat zulks binnen redelijke grenzen dient te geschieden. Het is niet de bedoeling ingeslotenen in de gelegenheid te stellen dagelijks uren aan de verzorging van het uiterlijk of de lichamelijke hygiëne te laten besteden.

In artikel 4.4 van de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen is bepaald dat een gedetineerde minimaal twee keer per week mag douchen. Daarnaast wordt bepaald dat door de inrichting – indien gewenst – in elk geval worden verstrekt: shampoo, zeep, tandpasta, tandenborstel, kam, toiletpapier, scheergerei voor de mannelijke gedetineerden en maandverband voor de vrouwelijke gedetineerden. Verder kan de gedetineerde een aanvraag indienen om de aan de inrichting verbonden kapper te bezoeken. Dit wordt éénmaal per 6 weken van rijkswege bekostigd.  

In artikel 6.3 van de Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen staat dat de huisregels bepalen wanneer de jeugdige mag douchen en hoe vaak hij naar de kapper mag gaan en welke regels gelden voor de kosten van de kapper. In het Model huisregels justitiële Tbs-inrichtingen zijn geen nadere regels gesteld over het uiterlijk en de lichamelijke hygiëne.

Aankoop gebruiksartikelen
In lid 5[13] is bepaald dat in de huisregels regels worden gesteld omtrent de aankoop door de ingeslotenen van andere gebruiksartikelen dan die welke door de directeur ter beschikking worden gesteld.


Volwassen gedetineerden en vreemdelingen
Op grond van de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen[14] hebben gedetineerden, binnen door de directeur te stellen grenzen, recht op aankoop van artikelen die niet in het assortiment van de inrichting te verkrijgen zijn. Hierbij kan worden gedacht aan extra broodbeleg, roomboter etc. Inclusief telefoonkaarten kan tot een maximum bedrag worden besteld van € 100,- per week. Het exacte bedrag is afhankelijk van de hoogte van het arbeidsloon of de loon vervangende financiële tegemoetkoming per week.

In sommige inrichtingen kunnen de gedetineerden zelf een bezoek brengen aan de winkel en in andere inrichtingen kunnen er wekelijks bestelformulieren ingevuld worden en worden de boodschappen in de cel bezorgd. Artikelen die niet in de inrichtingswinkel te verkrijgen zijn, kunnen met toestemming van de directeur via de ‘buitenwinkel’ worden besteld[15].

Jeugdigen
In de Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen[16] is bepaald dat jeugdigen eenmaal per week in de winkel van de inrichting of via een winkelbestellijst van hun eigen geld dingen kunnen kopen, zoals snoepgoed, frisdrank, lectuur, postzegels, rookwaar of toiletartikelen. Zie ook paragraaf 12.1 van deze huisregels. Uiteraard kunnen alleen dingen gekocht worden die in de inrichting zijn toegestaan en waar ook toestemming voor is gegeven.

Verpleegden
In het Model huisregels justitiële Tbs-inrichtingen zijn geen bepalingen opgenomen omtrent de aankopen in de inrichtingswinkel en het maximaal te besteden bedrag. Er zal dus per inrichting in de lokale huisregels gekeken moeten worden naar de regels hieromtrent.

-----------------------------------------------------------------------
[1] Artikel 44 Pbw, artikel 49 Bjj en artikel 42 Bvt.
[2] Het eerste lid van artikel 44 Pbw, artikel 49 Bjj en artikel 42 Bvt.
[3] Hoofdstuk 6.5.1, p. 243, 244 van ‘Nederlands detentierecht’, Prof. mr. C. Kelk en prof. dr. M. Boone, Deventer 2015.
[4] Het tweede lid van artikel 44 Pbw, artikel 49 Bjj en artikel 42 Bvt.
[5] Hoofdstuk 6.5.3, p. 245, 246 van ‘Nederlands detentierecht’, Prof. mr. C. Kelk en prof. dr. M. Boone, Deventer 2015.
[6] Het tweede lid van artikel 44 Pbw, artikel 49 Bjj en artikel 42 Bvt.
[7] Artikel 4.4. van de Regeling Model huisregels penitentiaire inrichtingen.
[8] Artikel 6.2 van de Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen.
[9] Artikel 8.4 van het Model huisregels justitiële Tbs-inrichtingen.
[10] Het vierde lid van artikel 44 Pbw, artikel 49 Bjj en artikel 42 Bvt.
[11] BC 23 april 2001, 01/505/GA, Sa 2001, nr. 37.
[12] Het vierde lid van artikel 44 Pbw, artikel 49 Bjj en artikel 42 Bvt.
[13] Het vijfde lid van artikel 44 Pbw, artikel 49 Bjj en artikel 42 Bvt.
[14] Artikel 3.7 van de Regeling Model huisregels penitentiaire inrichtingen.
[15] Hoofdstuk 6.5.2, p. 244, 245 van ‘Nederlands detentierecht’, Prof. mr. C. Kelk en prof. dr. M. Boone, Deventer 2015.
[16] Artikel 5.5 van de Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen.