Sla inhoud over

Beklagprocedure gedetineerden

Wettelijke basis beklagprocedure
Sinds 1977 bestaat het beklagrecht voor gedetineerden. Hoewel de Commissie van Toezicht al voor die tijd bestond, is pas met de invoering van het beklagrecht sprake van een met waarborgen omklede beklagprocedure.[1] In een justitiële inrichting worden veel rechten van gedetineerden ontnomen of beperkt. Om die reden zijn de in de wet vastgelegde beklagprocedures en de Commissie van Toezicht voor gedetineerden van groot belang. Hierna zal de beklagprocedure voor gedetineerden kort worden uitgelegd.

 

Het beklagrecht voor volwassen gedetineerden is geregeld in hoofdstuk 11 van de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) Een gedetineerde kan op grond van artikel 60 Pbw bij de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht klagen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. Met een beslissing wordt gelijkgesteld het weigeren van het nemen van een beslissing door de directeur. De directeur draagt er zorg voor dat een gedetineerde die beklag wenst te doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld. Beklag tegen algemene regels is uitgesloten, tenzij de verbondenheid van een lagere regel ten opzichte van een hogere regel aan de orde wordt gesteld.[2]

 

Het klaagschrift

Vormvereisten

Een gedetineerde doet beklag door de indiening van een klaagschrift bij de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij de inrichting waar de beslissing waarover hij klaagt is genomen. Het indienen van een klaagschrift dient schriftelijk te gebeuren, maar is verder vormvrij. Daardoor dient elk als klaagschrift herkenbaar stuk dat de beklagrechter bereikt als zodanig te worden behandeld. In de praktijk wordt in de inrichting een beklagformulier beschikbaar gesteld. Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag. Als een klaagschrift niet voldoende duidelijk is, is de gedetineerde niet ontvankelijk.[3] Indien de gedetineerde de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, kan hij het klaagschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de beklagcommissie kan bepalen dat het klaagschrift in de Nederlandse taal wordt vertaald (artikel 61 Pbw).

 

Termijn van indiening

Het klaagschrift dient binnen zeven dagen na de beslissing van de directeur waarover de gedetineerde klaagt te worden ingediend. Dit betekent uiterlijk op de zevende dag na de dag waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing (artikel 61, lid 5 Pbw). Indien het klaagschrift zonder geldige reden te laat wordt ingediend, wordt de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. Als een gedetineerde een kwestie waarover later wordt geklaagd eerst zelf heeft geprobeerd op te lossen, kan dit een verschoonbare termijnoverschrijding opleveren.[4] Als een gedetineerde na het verlaten van de inrichting pas een klacht indient, is hij te laat met het indienen van een klacht.[5]

 

Intrekking

Het intrekken van een klacht door gedetineerde is ook mogelijk. De gedetineerde moet dan bewust afstand doen van een verdere behandeling van zijn klacht. Om te achterhalen of een gedetineerde prijs stelt op een verdere behandeling van zijn klacht, kan een zogenaamde ‘tiendagenbrief’ worden gestuurd. In die brief wordt aan de gedetineerde gevraagd om binnen tien dagen te reageren als hij een verdere behandeling van zijn klacht wenst. Na de invrijheidstelling van een gedetineerde kan in beginsel van intrekking van een klacht worden uitgegaan, als een klager niet reageert op een tiendagenbrief.[6] In beginsel kan een eenmaal ingetrokken klacht later niet alsnog in behandeling worden genomen.[7] Een ingediende klacht die later wordt ingetrokken, staat er niet aan in de weg dat er een nieuwe klacht over hetzelfde onderwerp wordt ingediend, mits de ‘nieuwe’ klacht tijdig is ingediend.[8]

 

Begin van de procedure

Indienen van het klaagschrift bij de beklagcommissie

Het klaagschrift wordt ingediend bij en behandeld door de beklagcommissie. De beklagcommissie bestaat uit drie leden van de Commissie van Toezicht en wordt bijgestaan door een secretaris (artikel 62 Pbw).

Als er sprake is van een eenvoudige klacht, een klacht die kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan het klaagschrift door de enkelvoudige beklagrechter worden behandeld. In moeilijkere gevallen wordt het klaagschrift behandeld door de voltallige beklagcommissie.

 

Verkrijgen van de juiste stukken

Zodra het klaagschrift is ontvangen, stuurt de secretaris van de beklagcommissie de directeur van de inrichting een afschrift van het klaagschrift toe, zodat hij hierop kan reageren. De gedetineerde wordt vervolgens van de reactie van de directeur schriftelijk op de hoogte gebracht. De beklagcommissie kan de directeur ook horen of anderen om inlichtingen vragen. Van het horen van de betrokkenen maakt de secretaris een schriftelijk verslag (artikel 63 Pbw).[9] Als de mogelijkheden tot bemiddeling zijn onderzocht, worden klager en de directeur ter zitting in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten.

De behandeling van het klaagschrift ter zitting vindt niet in het openbaar plaats, tenzij de beklagcommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.

 

Bemiddeling

Zowel een jeugdige als een verpleegde kan een grief indienen bij de maandcommissaris van de Commissie van Toezicht, die kijkt of hij kan bemiddelen. De bemiddeling vindt dan plaats voor een eventuele beklagprocedure. Een volwassen gedetineerde kan op dit moment geen grief indienen bij de maandcommissaris. In juni 2019 is er een wet aangenomen die bewerkstelligt dat gedetineerden ook grieven bij de maandcommissaris kunnen indienen. Deze wet is op het moment van het schrijven van dit dossier nog niet in werking getreden. 

Een gedetineerde kan wel, net zoals een jeugdige en een verpleegde, een klacht indienen bij de beklagcommissie. De beklagcommissie kan dan alsnog besluiten de klacht ter bemiddeling voor te leggen aan de maandcommissaris. Hieronder wordt besproken hoe de bemiddeling precies in zijn werk gaat.

 

Procedure

Als het klaagschrift bij de beklagcommissie is ingediend, kan de beklagcommissie het klaagschrift op grond van artikel 64 Pbw in handen stellen van de maandcommissaris. De maandcommissaris wordt dan alsnog in de gelegenheid gesteld om te bemiddelen. De secretaris van de beklagcommissie doet hiervan mededeling aan de directeur van de inrichting. De maandcommissaris zal de gedetineerde vervolgens bezoeken op zijn afdeling. Indien uit dit gesprek blijkt dat het om een formele klacht gaat, zal de maandcommissaris adviseren de klacht door te zetten bij de beklagcommissie. Indien uit het gesprek blijkt dat het gaat om een klacht die niet formeel beklagwaardig is, zal de maandcommissaris proberen te bemiddelen. Het lid van de Commissie van Toezicht dat een gedetineerde als maandcommissaris heeft gesproken over een klacht mag geen deel uit maken van de beklagcommissie die de klacht van de gedetineerde behandelt (artikel 6 EVRM).

 

Als de gedetineerde besluit de klacht door te zetten, wordt de klacht op zitting gezet. De directeur dient dan een verweerschrift te schrijven. Bemiddeling tijdens de beklagzitting is ook nog mogelijk, indien blijkt dat partijen bereid zijn enige concessies te doen. De beklagcommissie kan hierop inspelen en een bemiddelaarsrol vervullen als beide partijen daarmee instemmen. Mochten partijen tot overeenstemming komen, dan zal de klacht ter zitting worden ingetrokken.

 

Beklagzitting

Tijdens een beklagzitting, die in de inrichting plaatsvindt, worden de klager en de directeur in de gelegenheid gesteld mondeling opmerkingen te maken, tenzij het beklag aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond wordt geacht. In dat geval vindt er geen zitting plaats.

 

De klager en de directeur kunnen de voorzitter van de beklagcommissie vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien. Zij kunnen deze vragen ook opgeven als de beklagcommissie besluit getuigen te horen. De beklagcommissie kan de directeur en de klager ook buiten elkaars aanwezigheid horen. Ook in dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter van de beklagcommissie aan de klager respectievelijk de directeur mondeling medegedeeld (artikel 64 Pbw).

 

De klager heeft het recht zich te laten bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon die daartoe van de beklagcommissie toestemming heeft gekregen. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk (artikel 65 Pbw).

 

Mogelijkheden in de beklagprocedure

Schorsing

Tot de uitspraak op het klaagschrift is gedaan, kan de klager een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur indienen bij de voorzitter van de beroepscommissie. De voorzitter van de beroepscommissie kan dan, na de directeur te hebben gehoord, de tenuitvoerlegging van de beslissing waarop het klaagschrift betrekking heeft geheel of gedeeltelijk schorsen. De klager moet naast het klaagschrift dat hij indient bij de beklagcommissie (van de Commissie van Toezicht), een schorsingsverzoek indienen bij de beroepscommissie (van de RSJ). De voorzitter van de beroepscommissie doet mededeling van zijn beslissing omtrent de schorsing aan de directeur en de klager (artikel 66 Pbw).

 

Horen van getuigen

Artikel 64 lid 4 Pbw bepaalt dat de beklagcommissie ook bij andere personen dan de klager en de directeur mondeling of schriftelijk inlichtingen kan inwinnen. Als de beklagcommissie besluit andere personen te horen, kunnen de klager en de directeur vragen opgegeven die zij gesteld zouden willen zien.

Als de beklag- of beroepscommissie zich onvoldoende acht te zijn voorgelicht, kan de zaak worden aangehouden, zodat de voorzitter eerst getuigen kan horen.[10] De zakelijke inhoud van de verklaring van getuigen wordt aan de klager en de directeur medegedeeld. De inhoud van de verklaring van getuigen kan in de beslissing worden opgenomen.[11]

Indien de beklag- of beroepscommissie van mening is voldoende te zijn ingelicht, kunnen zij het verzoek om getuigen te horen, afwijzen.[12]

De beslissing om getuigen wel of niet te horen wordt gedaan in een tussenuitspraak. Tegen een tussenuitspraak staat geen hoger beroep open (artikelen 68 en 69 Pbw).[13]

 

Niet verschenen getuigen

De beklagcommissie heeft niet de mogelijkheid om af te dwingen dat getuigen verschijnen en naar waarheid een verklaring afleggen. Voor zover de niet-verschenen getuige een lid van het inrichtingspersoneel is, is het denkbaar dat de afwezigheid van deze getuige leidt tot de toepassing van het beginsel van vermoeden van onschuld van de beschuldigde. Zo oordeelde de RSJ dat, nu de getuigen van een incident door de directie niet zijn gehoord, de verklaring van klager aannemelijk moest worden geacht.[14]

 

Gebruik van camerabeelden

Door het gebruik van camera’s als beveiligingsmiddel kunnen de beklag- en beroepscommissie gebruik maken van de beelden voor de beklagprocedure. De beklagrechter kan de directie verzoeken om toezending van de camerabeelden, waarna deze op voorhand of ter zitting worden bekeken. Zo oordeelde de RSJ bijvoorbeeld na bestudering van de camerabeelden dat ten aanzien van klager voldoende verdenking is gerezen en zijn beroep ongegrond moet worden verklaard.

Wanneer de directeur zijn straf (mede) baseert op de door hem bekeken camerabeelden is het essentieel dat die beelden bewaard worden ten behoeve van een lopende beklag- en beroepsprocedure.[15] Zo oordeelde de RSJ dat dat klager is geschaad in zijn mogelijkheid om zich te verdedigen in een zaak, waarin de beschuldigingen geheel berustten op camerabeelden die niet meer beschikbaar waren. Onder die omstandigheden kon de beslissing van de directeur niet in stand blijven.[16]

Dit betekent overigens niet dat altijd door middel van camerabeelden feiten vastgesteld moeten worden. Als er een duidelijk en voldoende feitelijk schriftelijk verslag met betrekking tot de feiten is opgemaakt, wordt aan de inhoud daarvan doorgaans groot gewicht toegekend.

 

Aanhouding van (verdere) behandeling van het klaagschrift

Tijdens de behandeling van een klacht is het mogelijk dat een verzoek wordt gedaan om de verdere behandeling van de klacht aan te houden. Hiervoor kunnen verschillende redenen worden aangevoerd. Zowel een klager, zijn advocaat als de directeur kan om aanhouding verzoeken. Ook de beklagcommissie zelf kan beslissen een zaak aan te houden, bijvoorbeeld om getuigen te horen of om een nadere rapportage op te vragen.[17]

 

Bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek moet eerst worden bepaald of het klaagschrift kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Als dat het geval is, kan worden afgezien van een mondelinge behandeling (artikel 64 Pbw) en zal het geen zin hebben het verzoek tot aanhouding te honoreren. Bovendien leidt het aanhouden van een klacht vaak tot uitstel, terwijl voor de behandeling van een klacht termijnen zijn voorgeschreven (bijvoorbeeld in artikel 67 Pbw).

 

Een verzoek tot aanhouding dat vlak voor de zitting wordt gedaan, zal op de zitting besproken worden met de wel verschenen partij.[18] De RSJ kiest voor deze werkwijze, omdat voor aanhoudingsverzoeken ook het standpunt van de directeur of klager van betekenis kan zijn. In de praktijk blijkt het bijvoorbeeld voor te komen dat een klager – in het geval van verhindering van zijn advocaat – meer waarde hecht aan een snelle beslissing dan aan een behandeling van de zaak met bijstand van een advocaat. Bovendien blijkt in de praktijk dat de beslissing tot het niet aanhouden er vaak voor zorgt dat de raadsman door een collega wordt vervangen. In het geval dat vervanging van de raadsman ter zitting niet mogelijk is, stuurt de raadsman voor de zitting een toelichting met argumenten voor aanhouding. De beklagcommissie beslist dan voorafgaand aan de zitting of ter zitting of het verzoek om aanhouding wordt gehonoreerd.

Hoewel door de RSJ geen harde criteria zijn gegeven op grond waarvan een aanhoudingsverzoek moet worden toegewezen, kan uit de jurisprudentie worden afgeleid dat een ongemotiveerd verzoek weinig kans van slagen heeft.[19] Verder is van belang dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat men bij de mondelinge behandeling aanwezig wil zijn.[20] Als klager zelf wel verschijnt en in de gelegenheid wordt gesteld vragen te beantwoorden, maar zijn advocaat is niet verschenen, hoeft dit niet te betekenen dat de behandeling van de klacht moet worden aangehouden. Ook niet als de klager op advies van zijn advocaat geen vragen wil beantwoorden.[21]

 

Rogatoir verhoor

Indien de klager niet meer in de inrichting verblijft waar de beslissing waartegen geklaagd wordt is genomen, kan de klager op verzoek van de beklagcommissie door een (lid van) een andere beklagcommissie worden gehoord (artikel 65, lid 4 Pbw). Het lid van de andere beklagcommissie zal een proces-verbaal opmaken en stuurt dat toe aan de beklagcommissie die bij de inrichting hoort waar de beslissing is genomen. Daarna wordt doorgaans de directeur tegen wie de klacht is gericht in de gelegenheid gesteld op de inhoud van dat proces-verbaal te reageren. Wanneer er rechtsbijstandverleners zijn betrokken bij de procedure en deze bij het rogatoire verhoor aanwezig zijn geweest, betekent dit volgens de RSJ nog niet dat deze rechtsbijstandverlener ook in de gelegenheid moet worden gesteld aanwezig te zijn bij de zitting waarop de directie wordt gehoord.[22]

 

Wraking

In 2015 is de mogelijkheid tot wraking in het penitentiair recht opgenomen in artikel 31 Instellingswet Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Daarin is onder meer bepaald dat, op verzoek van een van de  partijen elk van de leden van de beroepscommissie die de betreffende beroepszaak behandelen dan wel de voorzitter die een schorsingsverzoek behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Wanneer een wrakingsverzoek wordt gedaan, wordt de behandeling van het beroep dan wel de behandeling van het schorsingsverzoek geschorst. Indien het wrakingsverzoek ter zitting wordt gedaan, wordt van het verhandelde een proces-verbaal opgemaakt waarin de reden voor de wraking is vermeld.


Wanneer om wraking wordt verzocht kan het lid dat wordt gewraakt, in de wraking berusten. Indien het lid niet in de wraking berust, wordt het wrakingsverzoek behandeld door een aparte wrakingskamer.
De verzoeker en het gewraakte lid, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord dan wel hun opmerkingen schriftelijk kenbaar te maken. De wrakingskamer kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of het gewraakte lid, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid worden gehoord. Nadat op het verzoek is beslist, kan de wrakingskamer de behandeling van het beroep voortzetten. Tegen de beslissing op het wrakingsverzoek staat geen rechtsmiddel open.

Een tweede verzoek om wraking in dezelfde beroepszaak van hetzelfde lid van de beklag- of beroepscommissie wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerste verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. In geval van misbruik van het wrakingsrecht kan worden bepaald dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Dit wordt in de beslissing vermeld.

 

Mogelijke beslissingen

In de artikel 68 Pbw is limitatief opgesomd welke beslissingen een beklagcommissie kan nemen.[23] De uitspraak van de beklagcommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke:

Niet-ontvankelijkverklaring van het beklag
Een beslissing strekkende tot een niet-ontvankelijkverklaring houdt of in dat klager klaagt over iets dat op grond van artikel 60 Pbw geen beklagwaardige beslissing is, of dat klager te laat is met het indienen van zijn klaagschrift.

Ongegrondverklaring van het beklag
Een ongegrondverklaring houdt in dat de beklagcommissie de bestreden beslissing niet in strijd acht met een in de inrichting geldend wettelijke voorschrift of een eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag. Ook na een belangenafweging acht de beklagcommissie de beslissing niet onredelijk of onbillijk.

Gegrondverklaring van het beklag

De beklagcommissie kan in twee gevallen het beklag gegrond verklaren en de beslissing van de directeur geheel of gedeeltelijk vernietigen. Ten eerste als de beslissing waarover geklaagd is in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift of een eenieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag. Ten tweede als de beslissing waarover geklaagd is bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht. Als dat het geval is, worden de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur ongedaan gemaakt of in overstemming gebracht met de uitspraak van de beklagcommissie. Voor zover de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, bepaalt de beklagcommissie, na de directeur te hebben gehoord, of enige tegemoetkoming aan de klager moet worden geboden. De beklagcommissie stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.

Indien het beklag gegrond wordt verklaard, kan de beklagcommissie de directeur opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak, bepalen dat haar uitspraak in plaats treedt van de vernietigde beslissing of volstaan met de gehele of gedeeltelijke vernietiging. Indien de beklagcommissie de directeur opdraagt een nieuwe beslissing te nemen, kan de beklagcommissie in haar uitspraak een termijn stellen. De beklagcommissie kan daarnaast bepalen dat de uitspraak buiten werking blijft totdat deze onherroepelijk is geworden (artikel 68 Pbw).

 

De uitspraak

Termijn

De beklagcommissie doet zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen een termijn van vier weken,

uitspraak. De termijn van vier weken begint te lopen vanaf de datum waarop het klaagschrift is ontvangen. In bijzondere omstandigheden kan de beklagcommissie deze termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van deze verlenging wordt aan de directeur en de klager mededeling gedaan.

 

Deze termijn blijkt niet in alle gevallen haalbaar, bijvoorbeeld omdat de procedure langer duurt doordat er wordt bemiddeld door de maandcommissaris. Ook kan bijvoorbeeld het plannen van de zitting, het opmaken van een beslissing of het rogatoir horen van een klager meer tijd in beslag nemen. Aan een overschrijding van de termijn zijn geen rechtsgevolgen gekoppeld.[24]

 

Motivering en vormvereisten

De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. De uitspraak bevat een verslag van degenen die gehoord zijn door de beklagcommissie. De uitspraak wordt door de voorzitter en de secretaris ondertekend. Bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld. Aan de klager en de directeur wordt kosteloos een afschrift van de beslissing van de beklagcommissie toegezonden of uitgereikt.

 

De uitspraak van de beklagcommissie vermeldt de mogelijkheid van het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan alsmede de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak (artikel 67 Pbw).

 

Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en in de inrichting niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt de voorzitter van de beklagcommissie zorg voor een vertaling van de uitspraak en de mogelijkheid om beroep in te stellen.

 

Mondelinge uitspraak

De voorzitter van de beklagcommissie kan de uitspraak ook mondeling mededelen aan de klager en de directeur. Zij worden daarbij gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan, alsmede de mogelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak. Als de dag van de uitspraak geldt de dag van het doen van deze mededeling. Indien mondeling uitspraak wordt gedaan, wordt deze uitspraak op het klaagschrift aangetekend.

 

Indien de uitspraak mondeling wordt gedaan en beroep wordt ingesteld, moet de beslissing alsnog schriftelijk worden uitgewerkt. De secretaris zendt een afschrift van deze uitspraak toe aan de directeur, de klager en de beroepscommissie.

 

Openbaarmaking uitspraken

De secretaris zendt van alle uitspraken van de beklagcommissie een afschrift naar Onze Minister. Eenieder heeft recht op kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze Minister draagt er zorg voor dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de identiteit van de gedetineerde kan worden afgeleid (artikel 67 Pbw).

 

Misbruik van beklagrecht

Soms dient één gedetineerde een zodanig groot aantal klachten in een korte periode in, dat het bijna onwerkbaar is voor de directeur van inrichting om daarop te reageren. Er kan dan sprake zijn van misbruik van het beklagrecht. De RSJ oordeelde dat dit niet snel het geval is.[25] Als de beklagcommissie oordeelt dat er sprake is van misbruik van het beklagrecht, kan de beklagcommissie de klachten als niet-ontvankelijk afdoen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een klager dezelfde niet-ontvankelijke of ongegronde klachten op grote schaal indient en herhaalt.

 

Beroepsprocedure bij de RSJ

Beroepschrift
Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kunnen de directeur en de klager beroep instellen door het indienen van een beroepschrift. Het met redenen omklede beroepschrift moet uiterlijk op de zevende dag na ontvangst van het afschrift van de uitspraak of na die van de mondelinge mededeling van de uitspraak worden ingediend (artikel 69, lid 1 Pbw).

 

Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een bij de RSJ benoemde beroepscommissie van drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris. De behandeling van het beroepschrift door de beroepscommissie vindt grotendeels op dezelfde wijze plaats als die van het klaagschrift door de beklagcommissie. De verschillen zijn dat de beroepscommissie, in tegenstelling tot de beklagcommissie, kan bepalen dat (artikel 69, lid 3 Pbw):

1.     De directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;

2.     De mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de beroepscommissie kunnen worden gemaakt;

3.     Ingeval bij een ander persoon mondelinge inlichtingen worden ingewonnen, de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.

 

Een beroepschrift kan op verschillende gronden worden ingediend. Als een beroep niet is voorzien van de gronden die de wet voorschrijft, leidt dit volgens de RSJ niet in alle gevallen tot niet-ontvankelijkheid. Niet-ontvankelijkheid van een beroepschrift wegens het ontbreken van gronden leidt alleen tot niet-ontvankelijkheid als een advocaat of een directeur niet reageert op het verzoek om alsnog de gronden voor het beroep aan te geven.[26] Deze eis wordt door de RSJ niet aan justitiabelen gesteld.

 

Schorsing
Het indienen van een beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie niet, behalve voor zover deze de toekenning van een tegemoetkoming inhoudt. Hangende de uitspraak op het beroepschrift kan de voorzitter van de beroepscommissie op verzoek van degene die het beroep heeft ingesteld en gehoord de andere betrokkene in de procedure de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie geheel of gedeeltelijk schorsen. Hij doet hiervan mededeling aan de directeur en de klager (artikel 70 Pbw).

 

Uitspraak

De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak. De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot (artikel 71 Pbw):

1.     Gehele of gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;

2.     Bevestiging van de uitspraak van de beklagcommissie, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden;

3.     Vernietiging van de uitspraak van de beklagcommissie.


Indien de uitspraak van de beklagcommissie wordt vernietigd, doet de beroepscommissie hetgeen de beklagcommissie had behoren te doen.

 

Cassatie in het belang der wet

Sinds 1 juli 2015 kent het penitentiair recht de mogelijkheid van cassatie in het belang de wet. Dit betekent dat de beroepscommissie van de RSJ niet langer de hoogste rechter is. In artikel 33 van de Instellingswet Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming 2015 is bepaald dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad cassatie in het belang der wet kan instellen tegen de uitspraken van de beroepscommissie van de RSJ.

 



[1] https://www.rsj.nl/binaries/erasmus-rapport-toenemend-appel_tcm26-26020.pdf

[2] RSJ 9 augustus 2016, 16/1538/GA.

[3] RSJ 8 juli 2016, 16/1187/GA.

[4] RSJ 31 juli 2013, 13/0974/GA en 13/1162/GA.

[5] RSJ 30 december 2013, 13/2648/JA.

[6] RSJ 22 november 2012, 12/2292/GA.

[7] RSJ 18 februari 2013, 12/3386/GA.

[8] RSJ 12 september 2013, 13/1710/GA.

[9] Organisatiestructuur Commissie van Toezicht, website DJI: https://www.dji.nl/over-dji/organisatiestructuur/commissie-van-toezicht/index.aspx.

[10] RSJ 27 juni 2012, 11/4456/GA.

[11] KC 2012/126.

[12] RSJ 20 oktober 2017, 17/0356/GA en RSJ 25 juli 2017, 17/1410/GB.

[13] RSJ 23 januari 2002, 01/1709/GA.

[14] RSJ 30 maart 2012, 11/4331/GA.

[15] RSJ 10 april 2012, 11/2371/GA.

[16] RSJ 7 september 2007, 07/1466/GA.

[17] RSJ 11 juni 2012, 12/0166/GA.

[18] RSJ 5 januari 2007, 06/2746/GA.

[19] RSJ 5 januari 2007, 06/2746/GA.

[20] RSJ 17 januari 2012, 11/2838/GA.

[21] RSJ 21 februari 2012, 11/3284/GM.

[22] RSJ 29 augustus 2012, 12/1248/GA.

[23] RSJ 4 november 2013, 13/2285/TA.

[24] RSJ 6 december 2012, 12/1930/GA. 

[25] RSJ 6 december 2012, 12/2659/TA, 12/2731/TA t/m 12/2736/TA, 12/2738/TA.

[26] RSJ 29 juni 2011, 11/0293/GA en RSJ 30 december 2013, 13/0472/GA.