Sla inhoud over

Levenslang

In artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht is de mogelijkheid vastgelegd tot het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. De levenslange gevangenisstraf is de zwaarste straf die in Nederland opgelegd kan worden
De levenslange gevangenisstraf kan opgelegd worden voor het moedwillig doden van iemand, misdrijven tegen de veiligheid van de staat, misdrijven tegen de algemene veiligheid van personen en terroristische misdrijven.[1] 


Op dit moment zitten ongeveer 40 mensen levenslang in detentie. [2]
Al deze gedetineerden zijn ouder dan 18 jaar, omdat het Wetboek van Strafrecht en het EHRM de levenslange gevangenisstraf hebben uitgesloten voor jeugdigen tussen de 16 en 18 jaar.

Geschiedenis van de levenslange gevangenisstraf

In 1870 is de levenslange gevangenisstraf ingevoerd als vervanging van de doodstraf.
De levenslange gevangenisstraf werd slechts voor een beperkt aantal misdrijven mogelijk, namelijk voor moord en doodslag.
Reeds bij de parlementaire behandeling is kritiek geuit op de mogelijke invoering van de levenslange gevangenisstraf, waaronder dat de leeftijd van de levenslanggestrafte de uiteindelijke duur van de straf bepaalt.[3]  Als gevolg daarvan is besloten dat levenslanggestraften niet werden uitgesloten van een mogelijkheid tot verkorting van de straf, door middel van gratie. [4]
Bij de inwerkingtreding van het wetboek van Strafrecht in 1886 was de levenslange gevangenisstraf opnieuw punt van aandacht.
Oud-minister van Justitie Modderman besloot de levenslange gevangenisstraf in stand te houden, maar gaf aan dat dit ‘met bloedend hart’ is, want ‘in beginsel deugt zij niet’.[5]
In de periode van 1870 tot 1945 is 51 keer een levenslange gevangenisstraf opgelegd.[6] In die periode gold het oude gratiebeleid, inhoudende dat de levenslange gevangenisstraf nagenoeg nooit tot aan de dood werd uitgezeten en dat aan bijna alle levenslanggestraften gratie werd verleend. Het beleid toentertijd was dat na 15 jaar gevangenisstraf een onderzoek werd ingesteld naar de mogelijkheid tot het omzetten van de levenslange gevangenisstraf naar een straf van bepaalde duur. De levenslange gevangenisstraf in Nederland was dus niet altijd echt levenslang.

In 1952 is de Commissie Pompe ingesteld om de regeling omtrent voorwaardelijke invrijheidstelling van levenslanggestraften te herzien. De Commissie Pompe heeft een regeling voorgesteld voor de voorwaardelijke invrijheidstelling van levenslanggestraften, nadat zij minimaal 10 jaar van hun straf hadden uitgezeten. Volgens de Commissie Pompe moest de rechter en niet de minister verantwoordelijk zijn voor de voorwaardelijke invrijheidstelling. [7]
Vervolgens is in 1957 nader onderzoek gedaan naar de mogelijkheden tot gratieverlening, als gevolg waarvan de Samkaldenregeling is opgesteld. In deze regeling staan standaardcriteria opgenomen voor het toekennen van gratie bij levenslanggestraften.  Het doel was dat gratie werd verleend op een punt dat de levenslanggestraften nog actief konden participeren in de samenleving, voordat de schadelijke effecten van de straf of de leeftijd van de gedetineerde dat onmogelijk maakten.[8]
De Samkaldenregeling werd in 1978 opgenomen in de circulaire Volgprocedure langgestraften.
Het hoofd van de afdeling gratie van het Ministerie van Justitie concludeerde in 1957 en in 1963 dat de levenslange gevangenisstraf nooit tot het einde werd uitgezeten,[9] de levenslange gevangenisstraf werd gemiddeld gezien omgezet in een tijdelijke straf van 23 jaar.[10]

Tussen 1969 en 1982 werd de levenslange gevangenisstraf niet opgelegd.[11] Hierdoor werd het beleid daaromtrent een lange tijd niet toegepast.
Ondanks dat de implementatie van de gratiewet in 1987 oorspronkelijk bedoeld was om het oude gratiebeleid voort te zetten[12], werd dit gratiebeleid voor het laatst toegepast in 1986.[13] Het recht om gratie te verlenen ligt sindsdien bij de Kroon, te weten de Minister van Justitie en Veiligheid en de koning.[14] In de praktijk beslist de minister van Justitie namens de koning,[15] nadat hij door een rechter is geadviseerd. Het is dus een politieke procedure, die niet in de openbaarheid wordt uitgevoerd.[16]
Gratie kan sindsdien worden toegepast indien er
sprake is van een omstandigheid, waarmee de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, als zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan. Of indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.[17]

Mede door de gevoelens van onveiligheid in de samenleving en de roep om zwaardere straffen is het aantal veroordelingen tot levenslang na het jaar 2000 aanzienlijk gegroeid.[18]
Desondanks is er sinds de invoering van de gratiewet slechts éénmaal gratie verleend aan een levenslang gestrafte, in 2009. Dit betrof een terminaal zieke levenslanggestrafte, die vlak na zijn vrijlating overleed.[19] De gratieverzoeken van anderen levenslanggestraften zijn tot nu toe steeds afgewezen.[20]

Dit nieuwe beleid werd in 2006, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot verhoging van het maximum van de tijdelijke gevangenisstraf naar 30 jaar, door toenmalig minister van Justitie Donner bevestigd met de woorden:
‘(...) levenslang. Dat is gewoon voor de rest van het leven.’. [21]

Levenslanggestraften in detentie

Het veranderde gratiebeleid heeft haar weerslag gehad op de omstandigheden binnen detentie voor levenslanggestraften.

In 2011 heeft de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna RSJ) in kenmerk
10/3087/GA van 20 juli 2011 geoordeeld dat een directeur een zorgplicht heeft jegens levenslanggestraften. Een directeur heeft de inspanningsverplichting, aldus de beroepscommissie, om een levenslanggestrafte die er moeite mee heeft in contact te komen met arrestanten of kortgestraften, zoveel mogelijk af te schermen van deze groepen gedetineerden. Daarnaast heeft de beroepscommissie in de beslissing de aanbeveling gedaan om op korte termijnbeleid te ontwikkelen waarin rekening wordt gehouden met individuele wensen van levenslanggestraften over het al dan niet samen plaatsen met kortgestraften. 

In 2012 heeft de toenmalige staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn voornemen bekend gemaakt om levenslang- en langgestraften op speciale afdelingen bij elkaar te plaatsen. [22] In PI Krimpen aan den IJssel, PI Vught en PI Veenhuizen zouden de afdelingen voor levenslang- en langgestraften worden gerealiseerd. Dit plan is aanvankelijk gerealiseerd in PI Veenhuizen. De staatssecretaris had voor ogen dat op de speciaal daarvoor ingerichte afdelingen gespecialiseerd personeel zou komen te werken en een regulier regime zou worden gehanteerd. Het leefklimaat zou worden toegespitst op een langdurig verblijf. Het aanbieden van re-integratieactiviteiten op deze afdelingen was niet aan de orde, aldus de staatssecretaris, omdat deze groep gedetineerden toch niet voor re-integratie in aanmerking kwam.[23] De insteek voor plaatsing op de speciale levenslang- en langgestrafte afdeling was dat dit op basis van vrijwilligheid zou plaatsvinden. Er is geïnventariseerd welke levenslanggestraften graag samen geplaatst wilden worden. Uiteindelijk zijn in PI Veenhuizen vier levenslanggestraften en enkele langgestraften op de afdeling K geplaatst. 

De komst van de Noorse gevangenen naar Nederland in september 2015 heeft de plannen voor de afdeling met levenslang- en langgestraften in Veenhuizen in de war geschopt. Na de komst van de Noren zijn de lang- en levenslanggestraften onderverdeeld in diverse penitentiaire inrichtingen in het land. Een aantal gedetineerden heeft tegen de verplaatsing een kort geding aangespannen bij de voorzieningenrechter in Den Haag (kenmerk C/09/481220/ KG ZA 15-65). De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat “de voorgenomen terbeschikkingstelling van Norgerhaven aan de Noorse autoriteiten niet onrechtmatig is. Hierbij heeft de rechter overwogen dat de terbeschikkingstelling van Norgerhaven het beleid van de Staatssecretaris voor de detentie van (levens)langgestraften doorkruist. Toch worden eisers volgens de rechter door de gedwongen overplaatsing niet onevenredig in hun belangen getroffen, omdat er alternatieven zijn die passend kunnen worden gemaakt (Rb Den Haag 6 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2352).[24] De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de Staat de eisers een adequaat alternatief biedt. De Noorse gevangenen zullen per 1 september 2018 . De Minister voor Rechtshandhaving, Sander Dekker beraadt zich over de consequenties van de beëindiging van het onderhavige verdrag.

Een aantal gedetineerden hebben beroep bij de RSJ ingediend tegen de overplaatsing van Norgerhaven naar Zuyder Bos. De beroepscommissie heeft in deze beslissing geoordeeld dat de selectiefunctionaris belast is met de (over)plaatsing van gedetineerden in een bepaalde inrichting. De directeur heeft de bevoegdheid om een gedetineerde op een bepaalde afdeling te plaatsen. De afdeling in Zuyder Bos heeft hetzelfde karakter als afdeling K in Norgerhaven waardoor het beroep van de klagers ongegrond is verklaard. (RSJ kenmerk 15/1369/GB van 25 augustus 2015). Klager is uiteindelijk samen met vijf andere levenslang- en langgestraften samen op afdeling E0 in Zuyder Bos geplaatst. 

De RSJ heeft op 23 november 2016 geoordeeld: “Hoewel de beroepscommissie er, mede op grond van haar waarnemingen tijdens het bezoek aan de inrichting, begrip voor heeft dat afdeling E0 door klagers niet als een adequaat alternatief of soortgelijke afdeling als afdeling K van de locatie Norgerhaven wordt beschouwd, kan zij toch niet toekomen aan de beoordeling of afdeling E0 een adequaat alternatief voor afdeling K of een soortgelijke afdeling als afdeling K vormt.” Er is geen sprake van een beslissing conform artikel 60 van de Pbw, nu de klachten zich richten tegen het regime en de algemene omstandigheden op de afdeling (Zie RSJ met kenmerk 16/2582/GA).


Europese rechtspraak omtrent de levenslange gevangenisstraf
Zoals hiervoor al is beschreven worden gratieverzoeken tot beëindiging van de levenslange gevangenisstraf praktisch niet toegewezen. Dit heeft tot kritische reacties geleid en het doet de vraag reizen of deze praktijk wel in overeenstemming is met artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
Artikel 3 EVRM luidt als volgt: “Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.”

De tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf wordt getoetst aan artikel 3 EVRM). Het Europese Hof heeft zich o.a. in 
Kafkaris vs. Cyprus (2008) en Vinter and others vs. The United Kingdom(2013) duidelijk uitgelaten over de levenslange gevangenisstraf.
In Kafkaris vs. Cyprus is geoordeeld dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in beginsel niet in strijd is met art. 3 EVRM, maar het kan wel problemen opleveren. In 
Vinter and others vs. The United Kingdom is dit nader geconcretiseerd en oordeelde het EHRM dat een levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met artikel 3 van het EVRM kan zijn, indien er niet alleen de iure, maar ook de facto een vooruitzicht is op mogelijke vrijlating (‘prospect of release’), aan de hand van een herzieningsmogelijkheid (‘possibility of review’).  Dat komt neer op de volgende eisen:
1. ‘Prospect of release’: dit vereiste houdt in dat een veroordeelde een vooruitzicht moet hebben op een wijziging in een andere straf, een verkorting van de straf of beëindiging van de straf dan wel voorwaardelijke invrijheidstelling. De mogelijkheid moet zowel de iure (in de wet) als de facto (in de praktijk) bestaan. De wettelijke mogelijkheden in Nederland zijn gratie of een procedure bij de voorzieningenrechter. Al wordt de tweede mogelijkheid puur gezien als een theoretische mogelijkheid.  Met de wettelijke mogelijkheden lijkt het in Nederland goed te zitten.
Ten tweede is het de vraag of Nederland voldoet aan de de facto eis van het EHRM. De staatssecretaris is van mening dat dit wel het geval is. Hij verwees hierbij naar de enige keer dat gratie is verleend
aan een levenslang gestrafte, in 2009. Dit betrof een terminaal zieke levenslanggestrafte, die vlak na zijn vrijlating overleed. Het EHRM heeft echter geoordeeld dat een ‘compassionate release’, dus een vrijlating op grond van compassie, niet valt onder een prospect of release.

De Nederlandse situatie is door het EHRM beoordeeld in de uitspraak 
Murray vs. Nederland (2016). In Murray vs. Nederland heeft Murray zich o.a. beklaagd over het ontbreken van de mogelijkheid tot herziening van zijn straf en het ontbreken van een ‘prospect of release’. Klager was van mening dat dit in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Het Hof gaf klager daarin gelijk. Het EHRM stelde tevens vast dat er voor de staten een positieve verplichting bestaat tot het aanbieden van resocialisatiemogelijkheden, omdat er anders de facto geen mogelijkheid bestaat op een vervroegde vrijlating. Tevens is geoordeeld dat ingeval van levenslanggestraften met een stoornis voor staten de verplichting bestaat om rehabilitatie aan te bieden. Allereerst moet dan onderzocht worden welke behandeling noodzakelijk is met het oog op rehabilitatie en het verminderen van de kans op recidive. Wanneer dat onderzoek leidt tot de conclusie dat behandeling mogelijk is, moet de gedetineerde in de gelegenheid worden gesteld om die behandeling te ondergaan ongedacht of er een verzoek tot behandeling is gedaan.
Het EHRM concludeerde dat Murray onmenselijk was behandeld door hem geen behandeling van zijn psychische of psychiatrische stoornis(sen) te bieden, laat staan te onderzoeken welke behandeling met het oog op rehabilitatie mogelijk en noodzakelijk zou zijn geweest. Hierdoor is Murray elk perspectief op het ooit terugwinnen van zijn vrijheid ontnomen. Zijn levenslange gevangenisstraf was daarmee in strijd met art. 3 EVRM en de facto ‘irreducible’. Het gratieverzoek was daardoor bij voorbaat kansloos.  Het EHRM oordeelde dat staten een inspanningsverplichting hebben om aan levenslanggestraften met psychische gezondheidsproblemen de nodige medische zorg te bieden. Staten zijn niet verantwoordelijk voor een daadwerkelijke rehabilitatie van de levenslanggestrafte, maar ze moeten wel de mogelijkheden voor rehabilitatie faciliteren, omdat het bieden van medische zorg kan bijdragen aan de voortgang in de rehabilitatie van de levenslanggestrafte.[25]


Het EHRM heeft op 4 oktober 2016 in de zaak 
T.P. and A.T. v. HUNGARY indirecte aanwijzingen gegeven over hoe om te gaan met de levenslange gevangenisstraf. In deze uitspraak heeft het EHRM geoordeeld dat een periode van 40 jaar wachten om in aanmerking te komen voor gratie significant langer is dan Europese maatstaven aanbevelen. Deze termijn valt buiten de acceptabele margin of appreciation. Ook de mogelijkheid van een tussentijds gratieverzoek aan de president van Hongarije kan niet beschouwd worden als een de facto of de jure mogelijkheid om de levenslange gevangenisstraf in te korten, zoals het Hof al eerder heeft geoordeeld. In casu was er sprake van een schending van artikel 3 EVRM. [26]

2. ‘Possibility of review’: dit vereiste houdt in dat binnen 25 jaar moet worden onderzocht of er dermate significante veranderingen in het leven van de gedetineerde en een dermate groei in resocialisatie zijn ontstaan, dat detentie niet langer een legitiem strafdoel dient. Detentie is namelijk alleen gerechtvaardigd op basis van legitieme penologische gronden zoals vergelding, speciale en generale preventie en rehabilitatie. Bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf zullen deze gronden meestal allemaal aanwezig zijn, maar de balans ertussen kan verschuiven. Alleen door een herbeoordeling van de gronden kan worden vastgesteld of de detentie nog wel gerechtvaardigd is. Het EHRM heeft daarnaast ook voorwaarden geformuleerd waaraan een toetsing moet voldoen. Ten eerste moet de toetsing zijn gebaseerd op een actuele waardering van de relevante informatie. Ten tweede moet de toetsing met voldoende procedurele waarborgen zijn omkleed. Ten derde moet de toetsing zijn gebaseerd op objectieve, van tevoren vastgestelde criteria. Daarbij geldt echter wel dat staten een bepaalde margin of appreciation (beoordelingsvrijheid) hebben om aan die toetsing invulling te geven. Het EHRM stelt bijvoorbeeld niet de eis dat er sprake moet zijn van een rechterlijke toetsing. De Nederlandse invulling van de toetsing, te weten gratie, betreft namelijk een politieke toetsing. In de Hudson zaak heeft het EHRM wel aangegeven dat een rechterlijke procedure de voorkeur geniet, omdat de onafhankelijkheid dan beter is gewaarborgd.

In hoeverre Nederland aan de eis van possibility of review voldoet komt later in dit stuk aan de orde.

Nederlandse situatie binnen Europa
Binnen Europa is Nederland een van de weinige landen die zo’n strenge tenuitvoerlegging heeft van de levenslange gevangenisstraf. Andere Europese landen hebben de mogelijkheid tot voorwaardelijke invrijheidstelling en de mogelijkheid tot gratie. [27] Het grootste deel van Europa sluit zich derhalve aan bij de uitspraken van het EHRM door een maximum aan de levenslange gevangenisstraf te stellen. Er zijn echter ook landen die zich niet aan deze uitspraken houden. In die landen, waaronder Nederland, bestaat geen mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling van levenslanggestraften.[28]

Kritiek op de Nederlandse praktijk omtrent de levenslange gevangenisstraf
De Nederlandse praktijk omtrent de levenslange gevangenisstraf heeft tot kritische reacties geleid van onder meer:
1. De Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
De RSJ heeft in 2006 in zijn advies genaamd: ‘Levenslang, perspectief op verandering’ beschreven dat de Nederlandse praktijk “op gespannen voet staat met zowel internationale richtlijnen als de Europese strafrechtpraktijk”.[29]
In dit advies staan twee concrete doelen centraal. Ten eerste streeft de RSJ naar wijziging van de tenuitvoerleggingspraktijk van de levenslange gevangenisstraf. Ten tweede beoogt de RSJ een vooruitzicht voor de gedetineerde op verandering in die tenuitvoerlegging realiseren. De RSJ stelt zich op het standpunt dat de individuele of maatschappelijke situatie van levenslanggestraften na verloop van tijd zodanig veranderd kan zijn dat voortzetting van de straf niet meer vanzelfsprekend als legitiem kan worden ervaren.[30] De gronden voor de voortzetting van de straffen moeten volgens de RSJ worden onderworpen aan een periodieke toetsing.[31]

2. Nationale rechters
Ook nationale rechters nemen de Europese ontwikkeling in jurisprudentie met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf in acht.
Volgens enkele rechters bestaat er een gat tussen de door de strafrechter enerzijds gevoelde noodzaak tot oplegging van de levenslange gevangenisstraf en anderzijds de inhumane perspectiefloze wijze waarop die straf in Nederland wordt tenuitvoergelegd.[32] Een voorbeeld is de rechtbank Noord-Nederland, zij heeft zich in 2015 duidelijk uitgelaten over de levenslange gevangenisstraf. De rechtbank besloot om de levenslange gevangenisstraf niet op te leggen omdat in Nederland “de facto nauwelijks perspectief bestaat op verkorting van de opgelegde levenslange gevangenisstraf.”[33]  In de zaak van de broers Admilson en Marcos R. is in plaats van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf gekozen voor de tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar.[34]
Een ander voorbeeld is de zaak Faig B., waarbij de rechter besloot om geen uitspraak te doen, maar de zaak aan te houden tot er een besluit zou komen dat voldoet aan de eisen van het EVRM. [35]


3. Het Forum Levenslang
In 2008 is door een aantal juristen, medici, gedragswetenschappers en pastoraal werkers, allen betrokken bij de strafrechtstoepassing in Nederland, het Forum Levenslang opgericht. Het Forum zet zich in voor een meer humane tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. Het gaat daarbij zowel om het voorkomen van detentieschade als het bieden van een perspectief op invrijheidstelling.
De aanleiding voor de oprichting van het Forum Levenslang was de forse stijging van het aantal opleggingen van levenslange gevangenisstraf. De hiervoor genoemde wijziging van het beleid rond de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, te weten dat de levenslange gevangenisstraf in beginsel daadwerkelijk levenslang moet duren, heeft hierbij tevens een rol gespeeld. [36] In de rapporten van het Forum Levenslang wordt benadrukt dat de huidige wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met art. 3 EVRM.
Het Forum Levenslang heeft voorts een voorstel gedaan tot wijziging van de levenslange gevangenisstraf, wat strekt tot wijziging van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, zodat levenslanggestraften voorwaardelijk in vrijheid kunnen worden gesteld.


4. Andere juristen
Meerdere juristen hebben zich kritisch uitgelaten over de huidige tenuitvoerleggingspraktijk van de levenslange gevangenisstraf. In 2009 heeft A-G Knigge al in zijn conclusie verondersteld dat de praktijk in de toekomst wel een schending van art. 3 EVRM kan opleveren gelet op de rechtsontwikkeling in Straatsburg. [37] Daarnaast hebben onder meer Van Hattum, Bleichrodt en Anker gepleit voor veranderingen in de Nederlandse strafrechtpraktijk. [38] Van Hattum is van mening dat rechters zich zouden moeten onthouden van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf zolang er in Nederland geen herbeoordelingsprocedure bestaat die aan de voorwaarden van het EHRM voldoet.[39]

Uitspraak van de Hoge Raad d.d. 5 juli 2016 [40]

De Hoge Raad kreeg in de zaak NJ 2016/348 de vraag voorgelegd of de oplegging van de levenslange gevangenisstraf, gelet op de toen geldende wijze van tenuitvoerlegging van de straf, in strijd is met art. 3 EVRM. Bij de beoordeling van deze zaak verwees de Hoge Raad naar de uitspraken van het EHRM over de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf.[41]
De Hoge Raad oordeelde dat Nederland niet beschikte over een herbeoordelingsprocedure die voldeed aan door het EHRM gestelde eisen.[42] Dit standpunt werd onderbouwd met het argument dat de tenuitvoerleggingspraktijk niet meer in het teken staat van prospect of release en de resocialisatie van de levenslanggestraften. Daarnaast merkte de Hoge Raad op dat de gratieprocedure niet meer wordt benut voor de terugkeer in de maatschappij.
De Hoge Raad achtte tenuitvoerleggingspraktijk van de levenslange gevangenisstraf daarom onverenigbaar met de eisen uit art. 3 EVRM. Zolang de Nederlandse overheid de tenuitvoerleggingspraktijk niet zou aanpassen en een reële mogelijkheid tot herbeoordeling mogelijk maakt, zal de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd zijn met art. 3 EVRM. Om een dergelijke schending te voorkomen had de Hoge Raad de zaak in beginsel aangehouden tot 5 september 2017. Op de hervatting van deze zaak wordt later nader ingegaan.


Uitspraken naar aanleiding van HR 5 juli 2016, NJ 2016/348
1. Rechtbank Den Haag 10 augustus 2016 en Gerechtshof Den Haag 11 oktober 2016
Op 10 augustus 2016 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de staat een levenslanggestrafte deel moet laten nemen aan resocialisatieactiviteiten.[43] Volgens de voorzieningenrechter moet binnen een periode van uiterlijk 25 jaar worden beoordeeld hoever de resocialisatie van een levenslanggestrafte is gevorderd. Voor die beoordeling is relevante informatie nodig. Deze informatie betreft de persoon van de veroordeelde en de mogelijkheden tot resocialisatie die hem zijn geboden. Op basis van deze gegevens moet worden bezien of het voortduren van zijn levenslange gevangenisstraf gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter acht resocialisatieactiviteiten derhalve onmisbaar om tot de vereiste herbeoordeling te komen. De voorzieningenrechter volgt hiermee de lijn van de Europese rechtspraak. Welke activiteiten aan de gedetineerde moeten worden aangeboden hangt af van de inhoud van het resocialisatieplan, aldus de voorzieningenrechter. In het resocialisatieplan wordt door deskundigen aangegeven welke resocialisatieactiviteiten noodzakelijk zijn om de levenslanggestrafte voor te bereiden op een mogelijke terugkeer in de samenleving. De voorzieningenrechter bepaalde dat de Staat binnen tien dagen moest beginnen met het opstellen van dit plan. De Staat heeft tegen het vonnis van de voorzieningenrechter beroep ingesteld. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 11 oktober 2016 het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd, stellende dat de levenslanggestrafte in aanmerking komt voor resocialisatie-activiteiten.[44]


2. RSJ 31 augustus 2016. 
Op 31 augustus 2016 heeft de RSJ een tussenbeslissing genomen op een beroepschrift dat was ingediend tegen de afwijzing van het verzoek van een levenslanggestrafte om algemeen verlof, subsidiair incidenteel verlof.[45] De staatssecretaris had dit verzoek geweigerd. De RSJ heeft geoordeeld dat een levenslang gestrafte voor incidenteel verlof in aanmerking moet kunnen komen, voordat 25 jaar van zijn detentietijd zijn verstreken en niet pas na het verlopen van die termijn na zijn veroordeling. 
Op 22 november 2016 heeft opnieuw een mondelinge behandeling in deze klacht plaatsgevonden. Echter - zo blijkt uit 
de tweede tussenbeslissing – is de behandeling wederom aangehouden tot 28 maart 2017. De beroepscommissie wenst voor de volgende behandeling een kopie van het slachtoffer-nabestaandenonderzoek, een kopie van de dan eventueel beschikbare tussentijdse rapportage(s) over de op gedragsinterventies gerichte behandeling van klager en alle overige relevante stukken, waaronder het dan eventueel beschikbare ‘Binnen Beginnen-rapport’ opgemaakt door de reclassering, toe te sturen. De beroepscommissie heeft de raadsvrouw van klager opgedragen de beroepscommissie schriftelijk te informeren over klagers visie op verlof in het kader van een (zeer) gefaseerd verlofplan.

Op de einduitspraak van deze zaak wordt onder het kopje ‘verlof ingeval van levenslang gestraften’ nader ingegaan.

Voorstel tot beleidswijziging

Staatssecretaris Dijkhoff heeft op 2 juni 2016 een brief gestuurd naar de Tweede Kamer waarin hij een beleidsvoornemen tot wijziging van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf presenteerde. Met dit voorstel trachtte hij het beleid ‘Straatsburg-proof’ te maken. Het besluit bevat een periodieke toets na 25 jaar over een eventuele toelating tot re-integratieactiviteiten.[46] Voor een uitgebreide weergave van de beleidswijziging, de kritiek op deze wijziging en het Kamerdebat wordt verwezen naar het achtergrondartikel bij dit dossier.


Hervatting van de zaak van de Hoge Raad, het arrest d.d. 19 december 2017
Onlangs heeft de Hoge Raad de zaak hervat. De Hoge Raad oordeelde op 19 december 2017 in lijn met de conclusie van A-G Machielse. [47]

De Hoge Raad oordeelt als volgt:
De Hoge Raad is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de onder 3.3 en 3.4 geschetste regelingen en in aanmerking genomen hetgeen onder 3.5 is overwogen met betrekking tot de beoordelingsmogelijkheden van de burgerlijke rechter alsmede de penitentiaire rechter in de fase van tenuitvoerlegging, het Nederlandse recht thans voorziet in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met art. 3 EVRM. De recente introductie van dit stelsel betekent dat thans geen (doorslaggevende) betekenis toekomt aan de feitelijke mogelijkheden tot bekorting van de levenslange gevangenisstraf zoals die voordien bestonden. Dat laat onverlet dat indien op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk nimmer wordt verkort, zulks bepaaldelijk een factor van betekenis zal zijn bij de alsdan te beantwoorden vraag of de oplegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging verenigbaar is met art. 3 EVRM. Die vraag is thans echter niet aan de orde.” [48]


Reacties op het arrest van 19 december 2017
Het Forum Levenslang heeft als volgt (voorlopig) gereageerd op het arrest van 19 december 2017:
“Op diverse punten schuurt het nieuwe herbeoordelingsmechanisme met de rechtspraak van het EHRM. Op drie punten gaat het zelfs over de door deze rechter gestelde grenzen. Ten eerste zal de maximale duur voordat de herbeoordeling daadwerkelijk plaatsvindt vaak langer zijn dan 25 jaar na oplegging. Ten tweede kent dit mechanisme geen vaste termijnen voor het proces van herbeoordeling. Ten derde is het criterium ‘impact op nabestaanden en slachtoffers en in de sleutel daarvan de vergelding’ niet als ‘objectief’ te waarderen.

Deze gebreken laat de Hoge Raad in stand. Dit gevoegd bij de nog steeds bestaande opvatting van de verantwoordelijke bewindslieden dat levenslanggestraften in beginsel niet vrij behoren te komen, is te verwachten dat levenslanggestraften nog steeds zelf procedures zullen moeten aanspannen om de herbeoordeling tijdig tot stand te brengen. Dit betekent dat aan de stroom van procedures voor de kortgedingrechter en de beroepscommissie van de RSJ voorlopig geen einde komt.

Nu de mogelijkheden om de civiele rechter en de penitentiaire rechter te laten ingrijpen al vóór het arrest van 5 juli 2016 bestonden en ook met succes werden benut, is de situatie voor levenslanggestraften door het arrest van 19 december 2017 in dit opzicht niet verbeterd.”


Samenvattend: Het nieuwe beleid (wat is er veranderd?)
Levenslanggestraften komen voortaan allemaal in aanmerking voor herbeoordeling als ze 27 jaar gedetineerd zijn. Eerst brengt het Adviescollege Levenslanggestraften na 25 jaar advies uit over de vraag of een veroordeelde in aanmerking komt voor re-integratieactiviteiten. Daarbij wordt meegewogen hoe hij zich heeft ontwikkeld, of er kans is op herhaling en hoe slachtoffers of nabestaanden hiertegenover staan.

Uiterlijk 2 jaar later volgt een beslissing van de minister over gratie. De minister adviseert de koning daarover, net als het Openbaar Ministerie en het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Het Adviescollege Levenslanggestraften informeert de minister over de veroordeelde en zijn resocialisatie.

Op 7 november 2017 (KC
2017/043) oordeelde de beklagcommissie als volgt:
De beklagcommissie stelt voorts vast dat op 1 maart 2017 het Besluit Adviescollege levenslanggestraften in werking is getreden. Uit dit besluit volgt dat het Adviescollege de Minister van Justitie en Veiligheid adviseert of aan levenslanggestraften re-integratieactiviteiten worden aangeboden waarna de Minister op het advies beslist.

Gelet hierop is de beklagcommissie van oordeel dat een beslissing om klager als levenslanggestrafte al dan niet te laten re-integreren geen beslissing van de directeur kan betreffen en klager om deze reden eveneens niet in zijn beklag kan worden ontvangen.

Nu klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn beklag komt de beklagcommissie niet toe aan een beoordeling over hetgeen verder door partijen is aangevoerd.”

Bejegening van levenslanggestraften in detentie
Soft Law van de Raad van Europa

De Raad van Europa heeft een aantal aanbevelingen geschreven die betrekking hebben op de bejegening van levenslang- en langgestraften. Dit betreft zogenaamde ‘soft law’ normen. Recommendation 76 van de Raad van Europa[49] betreft de behandeling van langgestraften, daarin is het volgende neergelegd:
1. In artikel 9 is vastgelegd om: ‘’ Verlof een integrerend onderdeel te laten zijn van de tenuitvoerlegging van de straf en elke gevangene met toepassing van de wettelijke regeling voorwaardelijk in vrijheid te stellen zodra er sprake is van een gunstige prognose, waaraan wordt toegevoegd dat overwegingen van algemene preventie alleen de weigering niet kan rechtvaardigen.’’
2. In artikel 12 wordt aanbevolen om: “Een toetsing van levenslange gevangenisstraf zoals bedoeld in artikel 9, dus een onderzoek naar de voorwaardelijk invrijheidstelling, in elk geval plaats te doen vinden na 8 tot 14 jaar detentie en met vaste intervallen te herhalen.”
3. In artikel 15 de aanbeveling opgenomen om: ‘’Alle stappen te nemen om bij het publiek begrip te kweken voor de bijzondere problemen van lang- en levenslanggestraften en om daarbij een sociaal klimaat te creëren dat hun reclassering bevordert.”


In 2003 heeft de Raad van Europa opgeroepen om voor elke gedetineerde, inclusief levenslanggestraften, de mogelijkheid tot vervroegde invrijheidstelling mogelijk te maken.[50] In Recommendation 23 van 9 oktober 2003 [51] zijn richtlijnen vastgelegd voor de behandeling van levenslanggestraften in detentie. Als algemene doelen zijn daarin o.a. vastgelegd dat de schade van een levenslange straf dient te worden tegengegaan alsook dat de mogelijkheden om succesvol in de samenleving terug te keren, dienen te worden verbeterd. Er dient per levenslanggestrafte gedetineerde een (individueel) plan gemaakt te worden voor de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. 

De staatssecretaris over het dagprogramma en de resocialisatie van levenslanggestraften
Staatssecretaris Dijkhoff van het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft in zijn reactie op het verslag Schriftelijk Overleg over de levenslange gevangenisstraf - gedateerd 2 september 2016[52] - omschreven hoe het dagprogramma en de resocialisatie van levenslanggestraften verloopt.  Hij overwoog daartoe als volgt:

“Vanaf de start van de detentie staat het dagprogramma in het teken van resocialiseren en wordt een volwaardig pakket aan activiteiten aangeboden. Er is sprake van structuur, regelmaat en het aanspreken op de eigen verantwoordelijkheid van gedetineerden. Zolang de zorgbehoefte daartoe aanleiding geeft kan de levenslanggestrafte geplaatst worden in een Psychiatrisch Penitentiair Centrum (PPC). Zeker in het geval van (zeer) langdurig gestraften bestaat het risico dat gedetineerden inactief worden en zich reactief opstellen. Om institutionalisering zo veel mogelijk te beperken zet DJI in op het bevorderen van de zelfredzaamheid van de gedetineerden en het belonen van positief gedrag door promotie naar het plusprogramma. Verder kunnen levenslanggestraften worden geplaatst op een afdeling die is ingericht op langdurig verblijf, mits dit vanuit veiligheidsoptiek verantwoord is. Het verschil met de gedetineerden met een tijdelijke straf is daarbij wel dat er geen concrete datum van invrijheidstelling kan worden vastgesteld, omdat levenslang in beginsel levenslang is. In de fase tot de toetsing is verlof uitgesloten en worden ook geen interventies aangeboden die zien op een daadwerkelijke terugkeer in de samenleving.

In het door mij voorgestelde model komen levenslanggestraften pas in aanmerking voor activiteiten die zijn gericht op de concrete terugkeer in de maatschappij als door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is ingestemd met een advies van het adviescollege waarin staat dat met deze activiteiten dient te worden gestart. Zoals hierboven aangegeven heb ik gekozen voor een eerste toetsing door en advies van het adviescollege na 25 jaar detentie. Als dit aan de orde is wordt naast het detentieplan ook een re-integratieplan opgesteld en wordt de gedetineerde tijdens het traject onder meer op vijf onderdelen ondersteund: een geldig identiteitsbewijs, onderdak direct na ontslag uit detentie, inkomen uit werk of een (tijdelijke) uitkering om na ontslag uit detentie in het eerste levensonderhoud te kunnen voorzien en indien arbeid niet beschikbaar is een vorm van dagbesteding, inzicht in schuldenproblematiek en het realiseren van (continuïteit van) zorg en een zorgverzekering. In de fase van het re-integratietraject wordt een nog groter beroep gedaan op de zelfredzaamheid en zelfontplooiing van de levenslanggestrafte en wordt van de levenslanggestrafte verwacht dat hij initiatief toont. Dit is van belang omdat bij langgestrafte gedetineerden onontkoombaar is dat institutionalisering zich in meer of mindere mate heeft gemanifesteerd. Daarom is het noodzakelijk dat aan de levenslanggestrafte, als hij mag starten met een re-integratietraject, geleidelijk meer vrijheden worden toegekend en zijn ontwikkelingen goed te monitoren.”

Rechten van levenslanggestraften
Het staat vast dat een levenslange gevangenisstraf een grote impact heeft op de rechtsactiviteiten. De Jonge merkt op dat detentie voor gedetineerden altijd materiele en immateriële schade met zich meebrengt en dat dit bij uitstek ook voor levens- en langgestraften geldt. De schade zou gecompenseerd kunnen worden door het toekennen van bijzondere rechten.[53] Uit het bestuderen van jurisprudentie blijkt dat het van belang is om rekening te houden met de omstandigheden van de persoon van de gedetineerde bij het nemen van beslissingen jegens hem. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het recht op bezoek. In artikel 39 van de Pbw is vastgelegd dat een gedetineerde recht heeft om ten minste één uur per week bezoek te ontvangen. De praktijk geeft echter blijk van een sociaal isolement waarin levenslanggestraften verkeren, zeker naarmate de detentie voortduurt. Het recht op bezoek wordt vaak niet geeffectueerd. Door de persoon van de gedetineerde bij beslissingen mee te wegen zou een meer flexibele houding jegens het bezoek van een levenslanggestrafte kunnen worden gerealiseerd, zodat een levenslanggestrafte bijvoorbeeld langer dan één uur bezoek per keer mag ontvangen, als hij bezoek ontvangt. 


In de jurisprudentie van de beroepscommissie van de RSJ is een ontwikkeling te constateren over de insteek van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. De RSJ heeft in zijn jurisprudentie op een aantal penitentiaire punten de positie van levenslanggestraften geconcretiseerd. Hieronder een niet limitatieve uiteenzetting van het oordeel van de beroepscommissie van de RSJ in bepaalde zaken. 

Verzoek tot overplaatsing van levenslanggestrafte na verblijf van ruim tien jaar in de EBI
In een klacht van een gedetineerde die overgeplaatst wenste te worden na een verblijf van ruim tien jaar in de EBI oordeelde de beroepscommissie dat voor alle gedetineerden het uitgangspunt van “minimale beperkingen” geldt, inclusief tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde gedetineerden. Indien een uitzondering wordt gemaakt op dit uitgangspunt, dient de noodzaak voor verdergaande beperkingen onderbouwd en gemotiveerd te worden. Ook dient uitgelegd te worden waarom niet kan worden volstaan met een andere, qua beperkingen in het regime minder vergaande wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Bij het voortduren van eventuele beperkingen dient de voor de uitvoering verantwoordelijke instantie wederom gemotiveerd aan te geven op grond waarvan nog steeds niet volstaan kan worden met minder vergaande beperkingen. Zeker bij langdurige vrijheidsstraffen dient inzichtelijk te worden gemaakt welk detentietraject men voor ogen heeft, aan welke vereisten een gedetineerde moet voldoen om het traject te doorlopen en welke stappen voornoemde instantie denkt te nemen om dat traject te realiseren. Een en ander met het oog op het – met inachtneming van beveiliging van de maatschappij en handhaving van de orde en veiligheid in de inrichting benodigde maatregelen – bieden van perspectief aan de gedetineerde en (indien aan de orde) op het voorbereiden van een verantwoorde terugkeer van de gedetineerde in de samenleving (RSJ met kenmerk
16/529/GB – 28 april 2016).

Verzoek om overplaatsing levenslanggestrafte naar TBS kliniek

Een levenslanggestrafte heeft een verzoek gedaan om overgeplaatst te worden naar een tbs-kliniek. De afwijzing van dit verzoek is aldus de RSJ niet onredelijk, gelet op klagers psychische gesteldheid en het feit dat klagers verzoek in de kern is gebaseerd op zijn wens te resocialiseren (RSJ met kenmerk
15/0800/TR – 12 augustus 2015).

Verlof voor levenslanggestraften
Uit recente jurisprudentie van de RSJ blijkt dat levenslanggestraften als zodanig niet uitgesloten zijn van verlof. Gelet op het ontbreken van een strafrestant is algemeen verlof echter - tot nu toe - uitgesloten voor levenslanggestraften. 

1. RSJ, 14 mei 2009 (
09/826/GV)
In een oudere beslissing van 14 mei 2009 met kenmerk 09/826/GV heeft de beroepscommissie geoordeeld dat een beroepschrift van een levenslanggestrafte waarin hij een verzoek heeft gedaan om strafonderbreking op grond van humanitaire gronden ongegrond wordt verklaard. Dit omdat er te veel onzekerheid was omtrent de levensverwachting van klager. Gelet op deze omstandigheid en de maximale duur van strafonderbreking, te weten maximaal drie maanden, was afwijzing niet onredelijk of onbillijk. 

2. RSJ, 19 mei 2015 (14/3242/GV)
De beroepscommissie heeft in haar beslissing van 19 mei 2015 vastgesteld dat enkel de mogelijkheid van incidenteel verlof en de mogelijkheid van strafonderbreking op grond van artikel 34 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi), zo nodig onder voorwaarden openstaan voor levenslanggestraften. In deze beslissing heeft de beroepscommissie voorts geoordeeld dat de strekking van jurisprudentie van het EHRM is - arrest Vinter e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk van 9 juli 2013 (nrs. 66069/09, 130/10 en 3896/10) – dat ook levenslanggestraften in elk geval perspectief moet worden geboden op mogelijke beëindiging van de detentie. Verlof dient in beginsel onderdeel uit te maken van de resocialisatie van een gedetineerde. Voor klager die levenslang is gestraft is dit ook van belang i.v.m. een zorgvuldige voorbereiding van zijn gratieprocedure. Dat klager ongewenst is verklaard en niet wenst terug te keren in de Nederlandse maatschappij, maakt dit niet anders. Incidenteel verlof is mogelijk en een passende verlofvorm. Invulling hiervan dient te worden opgenomen in klagers detentieplan. Ten einde de mogelijkheid tot resocialisatie ten volle te benutten acht de beroepscommissie het dan ook van belang dat aan klager de mogelijkheid wordt geboden zich – al dan niet onder begeleiding – buiten de inrichting te begeven. Dit past naar het oordeel van de beroepscommissie in de lijn van de Straatsburgse jurisprudentie en is ook van belang voor een zorgvuldige voorbereiding van een gratieprocedure. De beroepscommissie heeft het beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd. De Staatssecretaris is opgedragen om binnen een termijn van twee maanden een nieuwe beslissing te nemen toegespitst op incidenteel verlof, in het kader van de resocialisatie van klager en als onderdeel van zijn detentieplan. 


3. RSJ, 29 maart 2016 (
16/0276/GV)
Wat betreft het verzoek van een levenslanggestrafte voor incidenteel verlof stelt de beroepscommissie voorop dat incidenteel verlof in beginsel aan iedere gedetineerde verleend kan worden, derhalve ook aan een levenslanggestrafte gedetineerde. Een (begeleid) verlof van klager om zijn partner tijdens een IVF-traject te begeleiden is echter naar het oordeel van de beroepscommissie niet noodzakelijk.

4. RSJ, 10 mei 2016 (16/0239/GV)
De beroepscommissie heeft een beroepschrift gericht tegen de afwijzing van het verzoek van een levenslanggestrafte om strafonderbreking voor de duur van drie maanden. Klager heeft verzocht om strafonderbreking met het doel zijn moeder te ondersteunen en vanwege resocialisatiedoeleinden. In eerste instantie is op 10 mei 2016 een tussenbeslissing genomen. Bij tussenbeslissing is beslist dat de gevraagde strafonderbreking kon worden afgewezen. Strafonderbreking kan alleen worden toegekend als een andere vorm van verlof niet voorziet in het doel wat met verlof wordt beoogd. De beroepscommissie achtte het wenselijk de mogelijkheden van een korter verlof te beoordelen. Hiervoor heeft de beroepscommissie de staatssecretaris opgedragen om binnen drie maanden – na onderhavige beslissing - een reclasseringsadvies en gedragsrapportage op te laten maken. In de eindbeslissing, gedateerd 8 november 2016 is geoordeeld dat: “Een korter durend verlof dan strafonderbreking (hoewel niet expliciet verzocht) niet aan de orde is, nu door klagers toedoen geen gedragskundig onderzoek heeft plaatsgevonden en geen reclasseringsrapportage kon worden opgemaakt.” Het beroep is ongegrond verklaard.


5. RSJ, 29 juni 2016 (
16/1416/GV) en RSJ 22 september 2015 (15/2291/GV)
In de beslissing van 29 juni 2016 met kenmerk 16/1416/GV heeft de RSJ geoordeeld dat de afwijzing van het verzoek van een levenslanggestrafte voor incidenteel verlof rond de verjaardag van zijn pleegdochter, niet onredelijk of onbillijk was. Het verzoek is afgewezen omdat er nog geen vier maanden verstreken zijn sinds het vorige verlof. Deze voorwaarde is niet onredelijk of onbillijk, er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een afwijking van deze voorwaarde kunnen rechtvaardigen. Voorts voldoet het verzoek niet aan de voorwaarde dat het verlof niet langer dan acht uur duurt. De beroepscommissie is ook van oordeel dat het thans te vroeg is om de voorwaarden aan te passen. In een andere beroepszaak van klager (kenmerk 15/2291/GV – 22 september 2015) is vast komen te staan dat de mogelijkheid van incidenteel verlof voor de levenslanggestrafte opgenomen is in een detentieplan. De beroepscommissie heeft geoordeeld dat de frequentie van twee keer per jaar, voor de duur van acht uur, niet op voorhand als onredelijk en onbillijk kan worden aangemerkt. Dat verlof altijd onder bewaking moet plaatsvinden is, gelet op bijzondere omstandigheden te weten dat er sprake is van een de levenslange straf, evenmin op voorhand onredelijk en onbillijk. 


6. RSJ, 12 april 2017 (
16/1660/GV)
Aan de orde is de vraag of incidenteel verlof, met inachtneming van alle in aanmerking komende belangen, noodzakelijk wordt geacht in het kader van de resocialisatie van klager. De RSJ oordeelde daartoe als volgt:
“4.2. De beroepscommissie heeft reeds in haar tussenbeslissing van 31 augustus 2016 gewezen op het belang van deelname aan resocialisatieactiviteiten voor een zorgvuldige voorbereiding van een gratieverzoek van een levenslanggestrafte. Deelname aan dergelijke activiteiten is van belang voor de beoordeling van een ingediend gratieverzoek, zoals in het geval van klager, die inmiddels bijna 25 jaar is gedetineerd. Tot die activiteiten behoort tevens het verlenen van verlof. Hoewel nog niet met de door het PBC voor klager noodzakelijk geachte gedragsinterventies is aangevangen, komen uit het reclasseringsrapport, het slachtoffer-nabestaandenonderzoek, het NIFP-rapport, noch anderszins uit de stukken (structurele) contra-indicaties voor verlof naar voren. De Staatssecretaris heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd waarom klagers belang bij verlof in deze omstandigheden niet zwaarder weegt dan het maatschappelijke belang bij een ongestoorde tenuitvoerlegging van de straf.
4.3 Bij deze stand van zaken is het dan ook niet langer redelijk klager verlof te onthouden. Hierbij is in aanmerking genomen dat verlof indien nodig onder bewaking of begeleiding kan plaatsvinden. Verlof dient van klagers resocialisatieplan deel uit te maken. De invulling van de verloven, naar aard en frequentie, dient in dat plan te worden opgenomen. Daarbij acht de beroepscommissie aangewezen dat klager binnen drie maanden na de datum van de onderhavige uitspraak zijn eerste incidenteel verlof heeft genoten.”


Voorbereiden op terugkeer in maatschappij is het uitgangspunt voor alle gedetineerden
De beroepscommissie heeft in kenmerk
15/2527/GA van 12 november 2015 geoordeeld dat de voorbereiding op terugkeer in de maatschappij uitgangspunt is voor alle gedetineerden. Dat klager levenslang is gestraft kan dus niet redengevend zijn voor afwijzing van een verzoek tot deelname aan resocialisatieactiviteiten. Klager wenst in dit geval deel te nemen aan resocialisatieactiviteiten, waaronder reclasseringscontact.

Wat betreft het verzoek om gebruik te mogen maken van het re-integratiecentrum, is de enkele omstandigheid dat klager een levenslanggestrafte is, niet voldoende redengevend voor afwijzing. Echter, doordat klager geen concrete hulpvraag had, is de weigering niet als onredelijk of onbillijk aangemerkt (kenmerk
14/3891/GA van 15 mei 2015). 

In kenmerk
13/3509/GA van 18 februari 2014 wilde klager op zijn eigen cel gebruik maken van een computer dan wel laptop met tekstverwerkings- en printmogelijkheden om zijn gratieverzoek voor te bereiden, dat volgens hem een omvangrijk verzoek zal worden met verwijzingen naar een eveneens omvangrijk strafdossier en Europese jurisprudentie. De beroepscommissie stelt vast dat klager er belang bij heeft zijn gratieverzoek te kunnen voorbereiden. Gelet op de voorzieningen die klager worden geboden door de directeur, is de beroepscommissie van oordeel dat de weigering klager toestemming te verlenen een computer dan wel laptop met uitgebreidere voorzieningen op eigen cel voor handen te hebben, bij afweging van alle in aanmerking nemende belangen niet als onredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt. De beroepscommissie stelde vast dat klager in principe elke dag gebruik kan maken van inrichtingscomputer met tekstverwerkings- en printmogelijkheid en zijn privacy lijkt gewaarborgd. 

Bezoek
Uit de beslissing met kenmerk
15/1330/GA van 6 augustus 2015 blijkt dat in een bepaalde penitentiaire inrichting een uitzondering wordt gemaakt voor de vier levenslanggestraften zodat zij extra bezoek zonder toezicht konden ontvangen. Dit, omdat zij geen uitzicht hebben op invrijheidstelling. Het was niet mogelijk om alle gedetineerden structureel extra bezoek zonder toezicht toe te kennen, aldus de directeur. Zie kenmerk KC 2014/049. De klager was zelf geen levenslanggestrafte maar een gedetineerde die tot een lange gevangenisstraf was veroordeeld, te weten 18 jaar. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kon daarom niet slagen.

Arbeid
1. RSJ, 28 maart 2008 (
08/0133/GA)
De directeur heeft klager een baantje geweigerd op grond van incidenten en de hem opgelegde levenslange gevangenisstraf (zie kenmerk 08/0133/GA – 28 maart 2008). De incidenten waarnaar wordt verwezen dateren van na de beslissing. Ter zitting is de levenslange gevangenisstraf aangevoerd, wat niet strookt met schriftelijk verweer van directeur dat er geen apart beleid wordt gevoerd ten aanzien van levenslanggestraften. De beslissing van de directeur is onvoldoende gemotiveerd waardoor de directeur door de beroepscommissie is opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. 

2. RSJ, 18 augustus 2011 (11/1196/GA)
Het enkele feit dat een gedetineerde tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld is onvoldoende aanleiding om die gedetineerde niet in aanmerking te laten komen voor een baantje als afdelingsreiniger. Het beroep tegen de beslissing van de beklagcommissie is ongegrond verklaard. 


3. RSJ, 21 augustus 2014 (
14/1296/GA)
De directeur heeft een levenslanggestrafte wegens werkweigering disciplinaire straffen opgelegd. Naar het oordeel van de beroepscommissie past het niet, gegeven de duur van de levenslange straf en de beperkte(re) perspectieven op in vrijheidstelling, om vast te houden aan de arbeidsverplichting. De arbeidsverplichting is gebaseerd op de voorbereiding voor terugkeer in de maatschappij. De directeur die te maken krijgt met een levenslanggestrafte die weigert aan de arbeid deel te nemen, dient zijn detentieomstandigheden uitdrukkelijk te betrekken in zijn beslissing om hiertegen sanctionerend op te treden. Onder deze omstandigheden is de beslissing van de directeur om wegens werkweigering klager telkens disciplinair te straffen, niet redelijk en billijk. Beroep gegrond, tegemoetkoming €82,50.


4. RSJ, 20 oktober 2017 (
17/1028/GA)
Klager heeft in beklag aangevoerd dat hij als levenslang gestrafte gedwongen wordt om te werken en bij ziekmelding maar 80% van het loon ontvangt. De beklagcommissie oordeelde daartoe als volgt:

“ In RSJ 13 juli 2017, 16/4060/GA en 16/4062/GA is overwogen dat uit eerdere jurisprudentie niet kan worden opgemaakt dat een levenslang gestrafte in geen geval hoeft te werken en dat er voor klager in p.i. Groot Alphen kennelijk ruimte is om individuele afspraken te maken met betrekking tot zijn arbeid. De beroepscommissie heeft het niet onredelijk of onbillijk geacht om klager, wanneer hij niet aan de arbeid wenst deel te nemen, in te sluiten op cel.  De beroepscommissie verwijst voor wat betreft de onderhavige gelijkluidende zaak naar de overwegingen in voornoemde uitspraak en ziet die als hier herhaald en ingelast. Het beklag zal daarom voor wat betreft dit gedeelte ervan ongegrond worden verklaard. 

Het beroep kan voor het overige niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagcommissie. Het zal mitsdien ongegrond worden verklaard.”

GVM-lijst
Zoals ook vermeld in het 
dossier GVM-lijst worden levenslanggestraften standaard op een lijst geplaatst, de zogenaamde lijst 2. "Tot levenslanggestraften worden automatisch op lijst 2 van vluchtgevaarlijke gedetineerden geplaatst. Nu veiligheidsbeleid t.a.v. op lijst 2 vermelde gedetineerde aan de directeur is, had deze een risicoanalyse moeten laten opstellen waarin feitelijk vluchtgevaar op individueel niveau wordt getaxeerd." Dit heeft de directeur in casu nagelaten (zie RSJ kenmerk 07/1202/GA van 24 juli 2007).





[1] Zie onder andere artikel 92 Sr e.v., artikel 108 Sr, 168 Sr en 282b Sr.

[3] Kamerstukken II 1869/70, 80, nr. 4, p.4.: “Behalve andere bezwaren tegen die straf, bestaat ook dit, dat zij niet voor alle veroordeelden een even streng karakter heelt. Levenslange tuchthuisstraf beteekent voor den twintigjarige geheel iets anders dan voor hem, die reeds den ouderdom van 50 of 60 jaren heeft bereikt”.

[4] Van Hattum, ‘Het probleem van de levenslange gevangenisstraf’, in J. Harte, T. Verhagen and M. Zomer (eds), Most Probably the Best Professor of Forensic Psychiarty, Liber Amicorum Prof Dick Raes (Nijmegen, Wolf Legal Publishers), 2009, p. 311-329.

[5] Smidt 1891, p. 31.

[6] W.F. van Hattum & S. Meijer, ‘An administrative procedure for life prisoners: law and practice of the royal pardon in the Netherlands’, in: D. van Zyl Smit & C. Appleton, Life imprisonment and Human Rights, Hart Publishers 2016, p. 141.

[7] W.F. van Hattum ‘In de daad een mens. De gratieprocedure levenslanggestaften: departementaal beleid en magistratelijk toezicht, vroeger en nu’, Delikt en Delinkwent, 2009, 325-352.

[8] Handelingen II, 1956/57, 4500 (Justitiebegroting), p. 2307-2308.

[9] Enkele veroordeelden overleden voordat de mogelijkheid van gratie kon worden onderzocht en slechts één veroordeelde werd tot zijn dood in detentie gehouden vanwege krankzinnigheid.

[10] W.F. van Hattum ‘In de daad een mens. De gratieprocedure levenslanggestaften: departementaal beleid en magistratelijk toezicht, vroeger en nu’, Delikt en Delinkwent, 24, 2009, 325-352.

[11] W.F. van Hattum ‘In de daad een mens. De gratieprocedure levenslanggestaften: departementaal beleid en magistratelijk toezicht, vroeger en nu’, Delikt en Delinkwent, 24, 2009, 325-352.

[12] Kamerstukken II, 1984/85, 19075, 3, p.15.

[13] W.F. van Hattum ‘In de daad een mens. De gratieprocedure levenslanggestaften: departementaal beleid en magistratelijk toezicht, vroeger en nu’, Delikt en Delinkwent, 24, 2009, 325-352.

[14] Artikel 122 Grondwet.

[15] Artikel 42 lid 2 Grondwet.

[16] T. De Bont en S. Meijer, ‘Perspectief voor levenslanggestraften?’, Justitiële verkenningen, 2. P. 120-136.

[17] Artikel 2 Gratiewet.

[18] W.F. van Hattum & S. Meijer, ‘An administrative procedure for life prisoners: law and practice of the royal pardon in the Netherlands’, in: D. van Zyl Smit & C. Appleton, Life imprisonment and Human Rights, Hart Publishers 2016, p. 148.

[19] Factsheet Forum Levenslang 2011 p. 9.

[20] Factsheet Forum Levenslang 2011 p. 24.

[21] Kamerstukken II 2003/04, 28484, nr. 34, p. 30-31.

[22] Handelingen II, 1956/57, 4500 (Justitiebegroting), p. 2307-2308.

[23] Kamerstukken II 2011/12, 24 587, nr. 464, p. 4-6.

[24] Naar een compensatoir regime voor levenslang- en zeer langgestraften, G. de Jonge, Justitiële verkenningen, jaargang 39, nr. 2, 2013, p. 96- 98.

[25] EHRM 26 april 2016, nr. 10511/10, par. 104, 111 en 112 (Murray/Nederland).

[26] RSJ: Levenslang, perspectief op verandering. Advies 1 december 2006, pagina 3.

[27] Factsheet 2011, p. 11; zie ook Kamerstukken II 2009/10, 24587, nr. 377 p. 32.

[28] Kamerstukken II 2015/16, 29279, nr. 338, p. 23.

[29] S. Struijk, ‘Een schets van het actuele belang van het kort geding inzake de strafexecutie’, Sancties 2015 (6-45), p. 288-297.

[30] RSJ 2006, p.3-4 en 8.

[31] Van de Pol & Koster, Sancties 2016, p. 1.

[32] Jansen/Trotman & Van Walree, NJB 2015, p. 9.

[34] Rb. Assen 24 november 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:5389.

[35] HR 5 juli 2016, NJ 2016/348, r.o. 3.4, ECLI:NL:HR:2016:1325.

[36] Factsheet Forum Levenslang 2011 p. 44.

[37] Zie conclusie van A-G Knigge bij het arrest HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR2009:BF3741, punt 7.1.10.

[38] RSJ 2006, p.5.

[39] Van Hattum, FATIK 2016, p. 15.

[40] HR 5 juli 2016, NJ 2016/348, r.o. 3.4, ECLI:NL:HR:2016:1325.

[41] EHRM 26 april 2016, nr. 10511/10 (Murray/Nederland); zie ook EHRM 9 juli 2013, nrs. 66069/09, 130/10, 3896/10,

(Vinter e.a./Verenigd Koninkrijk).

[42] HR 5 juli 2016, NJ 2016/348, r.o. 3.4, ECLI:NL:HR:2016:1325.

[43] Rechtbank Den Haag 10 augustus 2016, zaaknummer C/09/512975/ KG ZA 16/744: ECLI:NL:RBDHA:2016:9397 

[44] Gerechtshof Den Haag 11 oktober 2016, zaaknummer 200.197.762-01.

[45] RSJ met kenmerk 16/1660/GV van 31 augustus 2016. 

[46] Zie art. 4 Bestluit Adviescollege Levenslanggestraften.

[47] HR 19 december 2017 ECLI:NL:HR:2017:3185.

[48] HR 19 december 2017, r.o. 3.6 ECLI:NL:HR:2017:3185.

[49] Raad van Europa, Resolution (76) 2: On the treatment of longterm prisoners, 17 februari 1976. 

[50] Raad van Europa, artikel 4a Resolution Rec(2003)22 of the Committee of Ministers to member states on conditional release (parole), 24 september 2003.

[51] Raad van Europa, Recommendation REC (2003) 23 Management by prison administrations of life-sentence and other long-term prisoners, 9 oktober 2003.