UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ DE PENITENTIAIRE INRICHTING NIEUWERSLUIS
De beklagcommissie heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:
X, verder te noemen klaagster, op dit moment verblijvende in PI Nieuwersluis.
Het klaagschrift is gericht tegen het feit dat tweemaal een transportmedewerker aanwezig bleef in de behandelruimte in het ziekenhuis terwijl klaagster een medische behandeling onderging. Klaagster wordt in deze procedure bijgestaan door mr. H.L. Hendriks.
De directeur heeft schriftelijk gereageerd. Klaagster heeft van deze reactie kennis kunnen nemen. De klacht is behandeld op de beklagzitting van 10 juni 2026, in aanwezigheid van klaagster en haar raadsvrouw en namens de directie de juridisch medewerker.
In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagcommissie kennisgenomen van de volgende informatie:
- klaagschrift gedateerd en binnengekomen bij het secretariaat op 13 april 2026;
- verweerschrift van de directeur van 9 juni 2026;
- het verhandelde ter zitting van 10 juni 2026.
Standpunt klaagster
Voor het standpunt van klaagster wordt verwezen naar het klaagschrift. Ter zitting hebben klaagster en haar raadsvrouw hier het volgende aan toegevoegd.
De situatie was ontzettend vervelend voor klaagster. Bij de eerste medische behandeling was zelfs een mannelijk personeelslid aanwezig. De behandeling vond plaats achter een dun gordijn, maar daar kon men doorheen kijken. Daarnaast waren ook alle geluiden van de behandeling te horen. Al met al voelde klaagster zich ontzettend kwetsbaar. Het nieuwe artikel 19 van de Regeling vervoer van justitiabelen is niet op de juiste wijze gevolgd. Ten eerste is onduidelijk wie de beslissing genomen heeft, terwijl volgens de wet de directeur van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) de beslissing dient te nemen namens de directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft. Daarnaast valt op dat bij het transport in januari het formulier pas in mei is ondertekend, waardoor op de datum van transport geen belangenafweging gemaakt lijkt te zijn.
De wijziging in artikel 19 van de Regeling vervoer van justitiabelen stelt dat geen toezicht aanwezig is in de behandelruimte, tenzij daar een noodzaak voor is ten aanzien van de veiligheid van de arts of overig personeel, indien sprak is van vluchtgevaar of bij andere veiligheidsbelangen. Op de formulieren is aangegeven dat het gaat om andere veiligheidsbelangen, namelijk een onoverzichtelijke situatie met meerdere in- en uitgangen. Dat is inherent aan een ziekenhuislocatie waar een uitgebreid noodplan bestaat. De ruimte waar de behandeling in plaatsvond had slechts één uitgang. Klaagster onderging daarnaast een medische behandeling waardoor geen enkele sprake kon zijn van vluchtgevaar.
Klaagster onderstreept nog dat op geen enkel moment met haar is besproken dat personeel in de behandelruimte aanwezig zou zijn. Het personeel heeft niet alleen gehoord hoe zij de behandeling moest ondergaan, maar heeft ook medisch inhoudelijke informatie kunnen horen. Ze vertelt te hebben gehuild door het gevoel van vernedering.
Standpunt directie
Voor het standpunt van de directie wordt verwezen naar het verweerschrift. Ter zitting heeft de directie hier het volgende aan toegevoegd.
De vertegenwoordiging van de directie benadrukt dat zij zich enkel kan baseren op de informatie die is verkregen vanuit de Dienst Vervoer en Ondersteuning. De medewerkers hebben op beide dagen besloten in de behandelkamer te blijven gelet op gebouwelijke aspecten. Er zouden meerdere deuren zijn in de behandelkamer. De arts heeft geen bezwaar gemaakt. In het ziekenhuis is altijd een extra risico op onttrekking aan toezicht. De directie verwijst hierbij nog naar een recente onttrekkingssituatie bij het ziekenhuis met een gedetineerde uit een andere PI. De beslissing is genomen door de transportbegeleiders en in lijn met artikel 19 van de Regeling vervoer en ondersteuning. Een minder vergaande maatregel was niet mogelijk. Vanuit de PI Nieuwersluis zijn geen bijzonderheden bekend ten aanzien van klaagster. Zij was niet vluchtgevaarlijk.
Beoordeling
Op grond van artikel 60 eerste lid van de Pbw kan een gedetineerde klagen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing.
Artikel 19 van de Regeling vervoer van justitiabele stelt dat indien dit in verband met de veiligheid van de arts of ander medisch personeel, vluchtgevaar of andere veiligheidsbelangen strikt noodzakelijk is, de directeur van de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen namens de directeur van de inrichting van waaruit de justitiabele vervoerd wordt voor een medisch onderzoek, kan beslissen dat een medisch onderzoek buiten de inrichting in het bijzijn van een medewerker, belast met de beveiliging, geschiedt.
De beklagcommissie stelt vast dat klaagster werd vervoerd vanuit de PI Nieuwersluis door DV&O naar het ziekenhuis om een medische behandeling te ondergaan. Dit is gebeurd op 23 januari 2026 en 20 maart 2026. Tijdens beide behandelingen heeft het transportpersoneel besloten dat een medewerker van DV&O in de behandelkamer aanwezig bleef om toezicht te houden. Gelet op het feit dat klaagster werd vervoerd vanuit de PI Nieuwersluis is de directeur van de PI Nieuwersluis verantwoordelijk voor de beslissing die op dat moment is genomen door het transportpersoneel. Klaagster is dan ook ontvankelijk in haar klacht nu de klacht ziet op een beslissing genomen namens de directeur van de PI Nieuwersluis.
De beklagcommissie constateert dat op de transportformulieren is aangegeven dat toezicht nodig was in verband met “gebouwelijke aspecten”. Echter, gelet op artikel 19 van de Regeling vervoer van justitiabele kunnen gebouwelijke aspecten geen reden zijn voor toezicht tijdens de medische behandeling. Toezicht kan immers alleen plaatsvinden in verband met de veiligheid van de arts of ander medisch personeel, vluchtgevaar of andere veiligheidsbelangen. Gebleken is al dat geen sprake was van vluchtgevaar ten aanzien van klaagster. Daarnaast is er in dit geval geen enkele aanwijzing dat toezicht noodzakelijk was in verband met de veiligheid van de arts. Om de keuze voor toezicht op basis van andere veiligheidsbelangen te maken, dient naar het oordeel van de beklagcommissie een afgewogen, gemotiveerde beslissing genomen te worden. In dit geval is niet gebleken dat die is genomen. Het Meldingsformulier aanwezigheid bij medisch onderzoek biedt hier ook geen ruimte voor. De beklagcommissie constateert dan ook dat het formulier niet in lijn is met artikel 19 van de Regeling vervoer van justitiabele. Daarbij komt dat het formulier dat ziet op het transport in januari pas in mei is ondertekend, waardoor op de datum van transport geen belangenafweging gemaakt lijkt te zijn. De beslissing om een transportmedewerker in de behandelkamer toezicht te laten houden, was gezien op het voorgaande bij beide medische behandelingen dan ook niet in lijn met artikel 19 van de Regeling vervoer van justitiabele. Gelet hierop verklaart de beklagcommissie de klacht reeds gegrond.
De beklagcommissie merkt verder op dat veel onduidelijk is gebleven. Zo is niet duidelijk geworden hoeveel uitgangen er precies in de behandelkamer aanwezig waren, omdat de lezing van klaagster hierover anders was dan in het verweer. Volgens klaagster had de behandelkamer maar één uitgang. De transportformulieren geven hier geen duidelijkheid over. Daarnaast is niet duidelijk geworden of, in het geval er twee uitgangen uit de behandelkamer waren, het mogelijk was om bij beide deuren een transportbegeleider te plaatsen, zodat geen begeleider in de behandelkamer toezicht hoefde te houden. Het feit dat in de behandelkamer een begeleider aanwezig was, terwijl klaagster gedeeltelijk ontbloot was en een medische behandeling onderging en slechts afgeschermd werd met een dun gordijntje waar volgens klaagster doorheen kon worden gekeken, moet ontzettend vervelend geweest zijn voor klaagster. De beklagcommissie begrijpt dat zij zich hierdoor onprettig heeft gevoeld, zeker nu de noodzaak van toezicht niet duidelijk is geworden. Door een transportbegeleider toezicht te laten houden in de behandelkamer terwijl klaagster een medische behandeling onderging, en dan ook nog een van beide keren een mannelijk personeelslid, is een grove inbreuk op de privacy van klaagster gemaakt. De beklagcommissie acht het dan ook onverantwoord dat deze beslissing niet is genomen in lijn met de geldende wetgeving en ook overigens onvoldoende gemotiveerd is. Juist zo’n ingrijpende beslissing had met zorgvuldigheid genomen moeten worden. Nu het geleden nadeel niet meer ongedaan gemaakt kan worden en klaagster tijdens twee verschillende momenten het toezicht heeft moeten ondergaan, zal de beklagcommissie een tegemoetkoming aan haar toekennen van €100,-.
BESLISSING
De beklagrechter verklaart het beklag gegrond en kent een tegemoetkoming toe van €100,-.
Aldus gegeven op 23 juni 2026 door mw. mr. M.E. van Neck, voorzitter, en mw. drs. H. van der Klok en mw. dr. J. Reef, leden, bijgestaan door mw. R.M. Appels, secretaris.