UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE VAN DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ PENITENTIAIRE INRICHTING NIEUWEGEIN
- De procedure
De alleensprekende beklagrechter heeft kennisgenomen van de klacht van:
[…], verder te noemen klager.
De klacht is gericht tegen de afwijzing tot plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek tijdens detentie.
De directeur heeft schriftelijk gereageerd. Klager en zijn raadsvrouw hebben een kopie daarvan ontvangen. Klager is rogatoir gehoord door de voorzitter van de beklagcommissie bij JC Zaanstad. De directeur is tweemaal gevraagd of zij mondeling of schriftelijk wenste te reageren op het proces-verbaal van het rogatoir horen. Hierop is geen reactie ontvangen. De beklagrechter gaat er dan ook van uit dat de directeur afziet van een nadere reactie.
De beklagrechter heeft kennisgenomen van de in bijlage 1 genoemde informatie.
2. De standpunten in de beklagprocedure
Het standpunt van klager
Voor het standpunt van klager wordt verwezen naar de klacht en het proces-verbaal van rogatoir horen.
Het standpunt van de directeur
Voor het standpunt van de directie wordt verwezen naar het verweerschrift.
- De beoordeling
Wat is het juridisch kader?
Op grond van artikel 43 lid 1 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft de gedetineerde recht op sociale verzorging en hulpverlening.
Op grond van artikel 43 lid 4 Pbw draagt de directeur zorg voor overbrenging van de gedetineerde naar de daartoe bestemde plaats, indien de in het eerste lid omschreven zorg en hulp dit noodzakelijk maken en een dergelijke overbrenging zich verdraagt met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. Indien de gedetineerde wordt overgebracht ten behoeve van de verlening van forensische zorg bedoeld in de Wet forensische zorg (Wfz), geschiedt de overbrenging overeenkomstig de bepalingen van die wet. Dit is de zogeheten artikelplaatsing. Op grond van dit artikel kan een gedetineerde tijdens de detentie worden overgebracht naar een andere plaats dan een PI.
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft een overzicht gegeven van de geldende wet- en regelgeving en jurisprudentie. Hieraan is een nadere invulling gegeven om duidelijk te maken wat zijn van de directeur wordt verwacht bij het nemen van een beslissing over artikelplaatsing.
[1]
De motivering
De directeur moet beoordelen of klagers recht op sociale verzorging en hulpverlening een overbrenging noodzakelijk maken en of overbrenging zich verdraagt met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.
[2] Als de directeur van mening is dat aan dit criterium niet is voldaan, wijst hij het verzoek af.
Volgens de jurisprudentie van de RSJ moet de directeur een individuele belangenafweging maken.
[3] Daarbij kan de directeur betrekken:
[4]
- de indicatiestelling (eventueel gebaseerd op een delictanalyse en risicotaxatie);
- het penitentiair dossier;
- het inrichtingsdossier;
- een advies van de officier van justitie over de tenuitvoerlegging, het niveau van beveiliging en eventueel te stellen voorwaarden;
- een advies van de reclassering over de wijze waarop het toezicht wordt vormgegeven;
- een eventueel advies van de rechter over de tenuitvoerlegging;
- een advies van de plaatsings- en vrijhedencommissie van de PI;
- het advies van de selectiefunctionaris over de zorgaanbieder bij welke en de behandellocatie op welke de verlenging van forensische zorg zal plaatsvinden;
De volgende aspecten kunnen een rol spelen in de beslissing:
[5]
- de eisen die de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de forensische patiënt voor de veiligheid van anderen dan de forensische patiënt of de algemene veiligheid van personen of goederen stelt;
- de eisen die de verlening van forensische zorg aan de forensische patiënt gezien de aard van de bij hem geconstateerde psychische stoornis of verstandelijke beperking stelt;
- de forensische zorgbehoefte en het beveiligingsniveau zoals opgenomen in de indicatiestelling.
De indicatiestelling
Een indicatiestelling is een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van deskundigen, opgesteld op basis van onderzoek van de verdachte, veroordeelde of gedetineerde, waarin de forensische zorgbehoefte en het noodzakelijke beveiligingsniveau is opgenomen.
[6]
De beroepscommissie van de RSJ begrijpt dat een dergelijk advies zowel positief (indicerend) of negatief (niet‑indicerend) kan zijn.
Bevoegd tot indicatiestelling zijn het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), het psycho-medisch overleg (PMO) van de PI of de reclassering, afhankelijk van de betreffende gedetineerde en het type instelling voor forensische zorg.
[7] Nu het in dit geval om klinische zorg in het kader van artikelplaatsing gaat, is het NIFP bevoegd tot indicatiestelling. Deze wordt aangevraagd door het PMO van de PI.
Als een gedetineerde is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wegens een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf, dan dient de directeur een delictanalyse en risicotaxatie (van niet ouder dan zes maanden) bij de last tot indicatiestelling te voegen.
[8] Deze wordt aangevraagd bij en opgemaakt door het NIFP.
De directeur kan een verzoek om artikelplaatsing afwijzen zonder indicatiestelling op te vragen. Een oordeel van het PMO, het NIFP of de reclassering over de zorgbehoefte en het beveiligingsniveau zal echter in de regel noodzakelijk zijn om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen over artikelplaatsing. De RSJ acht het opvragen van een indicatiestelling door de directeur bij het bevoegde orgaan geboden als daartoe aanleiding bestaat.
[9]
Wat is er gebeurd?
Klager heeft een verzoek gedaan om tijdens detentie in een forensisch psychiatrisch kliniek te worden geplaatst en behandeld. Dit verzoek is op 28 april 2025 afgewezen.
Heeft de directie de beslissing mogen nemen?
De kernvraag is of er voldoende noodzaak bestaat om de klinische behandeling van klager al tijdens de detentie te laten plaatsvinden door gebruik te maken van de mogelijkheid tot artikelplaatsing als bedoeld in artikel 43 lid 4 Pbw, of dat dit kan wachten totdat de bijzondere voorwaarden van het vonnis ingaan.
De directeur heeft bij zijn beslissing op deze vraag de volgende informatie afgewogen:
- Het vonnis van de rechter met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging. Aan de klager is een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk strafdeel is onder meer de volgende bijzondere voorwaarde gesteld: klinische opname in een FPA of een soortgelijke zorginstelling. De opnamedatum dient aan te sluiten op de detentie en duurt zolang de reclassering dit in overleg met de behandelafdeling nodig vindt.
- Informatie uit het penitentiair dossier is meegewogen, zoals disciplinaire straffen en uitslagen van urinecontroles. Hieruit blijkt dat klager één disciplinaire straf opgelegd heeft gekregen en alleen negatieve uitslagen van urinecontroles;
- Het PMO heeft op 16 januari 2025 laten weten dat zij geen reden zien om klager tijdens de detentie klinisch te plaatsen in een instelling. Zij adviseren om de opgelegde klinische plaatsing aansluitend aan detentie te laten volgen zoals bij vonnis is opgelegd. Vanuit hen is geen noodzaak bekend om daarvan af te wijken.
- Uit het Reclasseringsadvies Detentie & Re-integratieplan van 28 februari 2025 volgt dat de reclassering zich heeft aangesloten bij het advies van het PMO en evenmin een directe noodzaak ziet om over te gaan tot artikelplaatsing tijdens de detentie. De proeftijd van drie jaar is voldoende om de klinische behandeling naar behoren uit te kunnen voeren en de recidiverisico’s te reduceren. Wel heeft de reclassering opgemerkt dat zij niet alle informatie heeft verkregen die noodzakelijk is, omdat de delictanalyse en risicotaxatie niet zijn uitgevoerd.
- Er is geen indicatiestelling aangevraagd. Hierover merkt de directie in het selectieadvies op: De Vrijheden Commissie/directeur van de Pl Nieuwegein zien op basis van de aanwezige informatie onvoldoende noodzaak om tijdens detentie de behandeling te laten starten en de directeur is voornemens negatief te besluiten ten aanzien van het verzoek om plaatsing in een FPK en/of soortgelijke zorginstelling gedurende de laatste zes maanden van detentie op grond van artikel 43.4 Pbw. Vanwege het ontbreken van die noodzaak zijn een delictanalyse en risicotaxatie niet afgenomen en heeft er geen indicatiestelling plaats gevonden.
- De Vrijheden Commissie zag op basis van de aanwezige informatie onvoldoende noodzaak om de behandeling tijdens detentie te laten starten. Vanwege het ontbreken van die noodzaak is geen indicatiestelling aangevraagd en zijn een delictanalyse en risicotaxatie niet afgenomen. Volgens de Vrijheden Commissie is het gedrag van klager binnen detentie, op twee incidenten na, goed. Waarschijnlijk is de geboden structuur voldoende om zijn gedrag gewenst te houden. Ook in het detentieverloop is geen aanleiding gezien om de plaatsing in de forensische zorg voor einde van de detentie door middel van een artikelplaatsing op grond van artikel 43 lid 4 Pbw te starten. Er ligt een plan van aanpak: eerst forensische zorg en daarna toeleiding naar begeleid wonen/maatschappelijke opvang. Het voorwaardelijk opgelegde strafdeel/de proeftijd worden gezien als voldoende tijd voor de forensische behandeling.
De directeur heeft vervolgens op 28 april 2025 negatief besloten ten aanzien van het verzoek om plaatsing in een FPK en/of soortgelijke zorginstelling gedurende de laatste zes maanden van detentie op grond van artikel 43 lid 4 Pbw.
Conclusie
De beklagrechter is van oordeel dat de directeur gelet op het voorgaande voldoende heeft afgewogen of de overbrenging van klager naar een FPK tijdens detentie noodzakelijk is als bedoeld in artikel 43 lid 4 Pbw. De beslissing van de directeur dat dit niet het geval is, is niet onredelijk of onbillijk en is toereikend gemotiveerd. De beklagrechter zal de klacht daarom ongegrond verklaren.
- De uitspraak
De beklagrechter verklaart de klacht ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2026 door mw. mr. T.M. de Groot, beklagrechter, bijgestaan door mw. mr. M.B. Jong, secretaris.
[1] RSJ 24 december 2024, 23/31891/GA.
[2] Artikel 43, vierde lid, van de Pbw en artikel 6.8 van de Wfz.
[3] Zie enkele uitspraken over de motivering van beslissingen tot afwijzing van verzoeken tot artikelplaatsing: RSJ 31 maart 2023, 21/22943/GA; RSJ 28 februari 2023, 22/28286/GA; RSJ 13 februari 2024, 23/36724/GA; RSJ 29 juni 2023, 23/33199/GA
[4] Gebaseerd op artikel 6.2a van het Besluit forensische zorg (Bfz).
[5] Gebaseerd op artikel 6.2 van de Wfz.
[6] Artikel 1.1, eerste lid, onder e, van de Wfz.
[7] Artikel 5.1 van het Bfz.
[8] Artikel 5.2 van het Bfz.
[9] Vergelijk RSJ 31 maart 2023, 22/27515/GA