KC2026/012
Klacht 1: De beklagcommissie is van oordeel dat de beslissing van de directeur tot weigering van klagers telefoongesprekken met mr. X en mr. Y in het kader van rechtsbijstand niet op goede gronden is genomen. Klacht is gegrond verklaard en er wordt een tegemoetkoming van € 250,- toegekend conform de standaardbedragen van de RSJ (€ 12,50 per dag voor het niet bellen met zijn advocaat in de periode van 16 mei tot en met 4 juni 2025. Klacht 2: De beklagcommissie is van oordeel dat de weigering van de directeur tot zakelijk bezoek als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt. De beklagcommissie verklaart het beklag gegrond. Nu de gevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, zal de beklagcommissie klager een tegemoetkoming toekennen van €30,-. De beklagcommissie heeft hierbij aansluiting gezocht bij de Standaardbedragen tegemoetkoming van de RSJ voor het niet doorgaan van een bezoek zonder toezicht. Klacht 3: De klacht is te laat ingediend, maar de beklagcommissie oordeelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De beklagcommissie is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat klagers medische gesprek is meegeluisterd en stelt vast dat hieraan geen beslissing en in het verlengde daarvan een zelfstandige belangenafweging van de directeur aan ten grondslag heeft gelegen. Gelet op het voorgaande is er sprake van een schending van het recht op privacy van klager. Deze schending valt onder de verantwoordelijkheid van de directeur en komt voor zijn rekening. De beklagcommissie verklaart het beklag gegrond en kent een tegemoetkoming toe van €25,-. De beklagcommissie heeft bij de hoogte van de tegemoetkoming aansluiting gezocht bij een eerdere uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ.
BESLISSING
Klacht 1, 2 en 3
De beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij het Detentiecentrum Schiphol (DCS) heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:
[…] verder te noemen klager en niet langer gedetineerd.
Het klaagschrift is gericht tegen:
- de beslissing van de directeur van 16 mei 2025 tot weigering van klagers geprivilegieerde telefoongesprekken met advocaten mr. X en mr. Y (klacht 1);
- de beslissing van de directeur van 20 mei 2025 om klagers verzoek tot zakelijk bezoek af te wijzen (klacht 2);
- het meeluisteren door een penitentiaire inrichtingswerker (p.i.w.’er) op 8 mei 2025 met een gesprek tussen klager en de inrichtingsarts (klacht 3).
Klager wordt in deze procedure bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. X. De directeur heeft schriftelijk gereageerd op de klachten. Klager heeft van deze reactie kennis kunnen nemen. De klachten zijn op 17 juni 2026 behandeld op een beklagzitting, in aanwezigheid van klager, klagers raadsvrouw en namens de directie, dhr. […] (plv. vestigingsdirecteur) en mw. […] (juridisch medewerker). De beklagcommissie heeft geen reactie ontvangen van klager na het verzenden van een termijnbrief. Daarom nam de beklagcommissie aan dat klager zijn klachten niet wilde handhaven. Op 25 februari 2026 heeft klagers raadsvrouw laten weten dat klager – na zijn vertrek uit DCS – geen termijnbrief heeft ontvangen en dat hij zijn klachten wilde handhaven. De klachten zijn vervolgens gepland op de beklagzitting van 20 april 2026. Die beklagcommissie heeft zich verschoond, waarna de klachten zijn gepland en behandeld op de beklagzitting van 17 juni 2026.
In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagcommissie kennisgenomen van de volgende informatie:
- de klaagschriften gedateerd 17 mei 2025 (klacht 1), 20 mei 2025 (klacht 2) en 30 mei 2025 (klacht 3), door het secretariaat ontvangen op 20 mei 2025 (klacht 1), 23 mei 2025 (klacht 2) en 24 maart 2026 (klacht 3;
- een verslag van de maandcommissaris van het gesprek met klager op 23 mei 2025 (klacht 1);
- een uitspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) op het schorsingsverzoek van klager van 27 mei 2025 (DS2025/418);
- de verweerschriften van de directeur van 11 maart 2026 (klacht 1 en 2) en 7 april 2026 (klacht 3);
- aanvullingen op de klaagschriften van klagers raadsvrouw van 17 april en 15 juni 2026;
- een formulier van DCS getiteld “Instructie - zakelijk bezoek”;
- een beslissing van de directie van 20 mei 2025 inhoudende de afwijzing van zakelijk bezoek;
- een GRIP-rapport van 28 mei 2025 met nummer 2025/78617;
- een schriftelijke weergave van het laatste woord van klager van 17 juni 2026;
- het verhandelde ter zitting van 17 juni 2026.
Het standpunt van klager
Voor het standpunt van klager wordt verwezen naar de klaagschriften, het verslag van de maandcommissaris, de twee aanvullingen op de klaagschriften en de schriftelijke weergave van het laatste woord van klager. Ter zitting hebben klager en zijn raadsvrouw hier het volgende aan toegevoegd.
Klacht 1:
Klager heeft van 8 tot en met 16 mei 2025 geprivilegieerd telefonisch contact gehad met mr. X en mr. Y. Daarnaast heeft mr. X klager in die periode geregeld bezocht in het kader van de zaakwaarneming van zijn advocatenpraktijk. Vanaf 16 mei 2025 was het niet meer mogelijk om geprivilegieerd telefonisch contact te hebben met voornoemde advocaten. Klager is echter tuchtrechtelijk aansprakelijk als hij niet-geprivilegieerd telefonisch contact zou hebben met zijn zaakwaarnemers. De directie verwijst ter onderbouwing van de weigering naar een mail van de zaaksofficier van justitie in de strafzaak tegen klager, zonder dat deze mail bij de stukken is gevoegd. Uit de stukken blijkt niet wat er aan die mail is voorafgegaan. Omdat de mail van de zaaksofficier van justitie niet bij de stukken is gevoegd kan niet worden vastgesteld of de zaaksofficier van justitie de directie heeft geadviseerd of aan de directie heeft verzocht om de contacten te beperken. Volgens klager is het aan de directie om aan te tonen dat die mail ten grondslag ligt aan de beslissing om de telefonische contacten te beperken. Bovendien heeft de directeur een eigen verantwoordelijkheid. Voor zover de zaaksofficier van justitie dus een en ander zou hebben verzocht, is dat op zichzelf volgens klager onvoldoende.
Daarnaast verwijst de directie ter zitting naar een GRIP-rapport waaruit zou volgen dat het Openbaar Ministerie (OM) de directie dringend adviseert om anderen dan de voor klager gestelde advocaten tijdens bezoeken en telefonische contacten geen gebruik te laten maken van geprivilegieerd contact met klager. Volgens klager had de directie ook op dit punt een eigen belangenafweging moeten maken en kan de directie zich niet verschuilen achter dit advies van het OM.
Klager merkt op dat hij twee keer gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn zaken over te dragen in aanwezigheid van de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten. Deze twee bezoeken waren echter niet werkbaar, omdat twee keer 90 minuten onvoldoende was om klagers volle praktijk over te dragen. Bovendien stond de deken tijdens deze bezoeken enkel toe dat werd gesproken over de zaakwaarneming. Klager kreeg echter ook rechtsbijstand van mr. X in een huurrecht- en hypotheekzaak en nu geprivilegieerd contact met mr. X niet langer was toegestaan, moesten zij tijdens die bezoeken over die zaken kunnen spreken. Klager ontving namelijk brieven van de bank dat zijn hypotheek opgezegd zou worden, waar hij snel op moest reageren. Hij moest daarom vaak overleggen met mr. X. De directie heeft dus eveneens niet kunnen beslissen om geen geprivilegieerd contact tussen klager en mr. X of mr. Y toe te staan, nu volgens klager tevens sprake is van een advocaat-cliënt relatie. Klager meent dat hij met zijn advocaten moet kunnen overleggen.
Ten slotte merkt klager op dat op 5 juni 2025 een kort geding gepland stond over de beperking van het advocatencontact. Alle beperkingen voor klager heeft de directie op 4 juni 2025 opgeheven, waardoor het kort geding niet is doorgegaan. Tussen 16 mei en 4 juni 2025 is er echter niets veranderd aan klagers situatie. Van 4 tot en met 12 juni 2025 heeft mr. X klager dagelijks bezocht zonder dat er sprake was van beperkingen.
Klacht 2:
Klagers raadsvrouw heeft ter zitting de afwijzing van het verzoek om zakelijk bezoek van 20 mei 2025 gemaild naar de directie en de beklagcommissie, omdat deze beslissing niet bij de stukken was gevoegd en de directie niet meer over de schriftelijke beslissing beschikte. Volgens klager is de motivering van de beslissing in strijd met de eigen instructie. Het is niet vereist dat de bezoeker gesteld staat als advocaat. Het stond daarnaast niet ter discussie dat klager een eigen zaak heeft die moest worden waargenomen.
Klacht 3:
Klager heeft de klacht zelf ingediend gedurende zijn verblijf in DCS, maar toen klagers raadsvrouw op 24 maart 2026 bij de commissie van toezicht vroeg naar de status van de behandeling van deze klacht bleek dat de beklagcommissie de klacht niet had ontvangen. Klager heeft de klacht pas op 30 mei 2025 ingediend, omdat hij eerst wilde achterhalen wat de naam van de desbetreffende arts was. Klager heeft hiertoe direct na het gesprek op 8 mei 2025 een verzoekbriefje ingediend bij de p.i.w.’ers. Klager heeft daar op 30 mei 2025 pas een reactie op ontvangen, waarop hij diezelfde dag een klacht heeft ingediend. Klager heeft door middel van het briefje getracht om er met de inrichting uit te komen en wilde eerst contact met de arts, omdat hij niet wist hoelang hij nog in DCS zou verblijven. Klager wilde met het gesprek voorkomen dat de desbetreffende p.i.w.’er opnieuw op een intimiderende manier klagers cel zou betreden. Aangezien klager en de p.i.w.’er niet tot een oplossing zijn gekomen, heeft klager een klacht ingediend nadat hij de naam van de arts heeft gekregen. Klager was daarnaast niet bekend met de termijn van zeven dagen voor het indienen van beklag. Klagers raadsvrouw merkt hierbij op dat dit geen standaard juridische termijn is en dat de termijn voor klager niet kenbaar was. De andere twee klachten betreffen schriftelijke beslissingen van de directeur waarin staat dat klager binnen zeven dagen zijn beklag kan indienen. Aan deze klacht ligt geen (schriftelijke) beslissing van de directeur ten grondslag, waardoor klager niet wist dat hij binnen zeven dagen na het gesprek zijn beklag moest indienen.
Het standpunt van de directie
Voor het standpunt van de directie wordt verwezen naar de verweerschriften. Ter zitting heeft de directie hier het volgende aan toegevoegd.
Klacht 1:
De directie heeft tussen 8 en 16 mei 2025 een GRIP-rapport en een mail van de zaaksofficier van justitie ontvangen met het verzoek om klager niet toe te staan om geprivilegieerd contact te onderhouden met mr. X en mr. Y. Het strafrechtelijk onderzoek heeft ertoe geleid dat klagers contacten met mr. X en mr. Y beperkt moesten worden, omdat deze advocaten nauw met klager samenwerkten. Het betreft een uitzonderlijke situatie en een mediazaak. De directie heeft de zaak niet willen schaden en heeft naar eer en geweten gehandeld. De directie heeft er alles aan gedaan om het verblijf voor klager zo goed mogelijk te laten verlopen. Aangezien de mail van de zaaksofficier van justitie is verzonden naar een directeur die niet meer in dienst is bij DCS, kan de mail helaas niet meer worden achterhaald.
De directie merkt op dat zij de deken geen instructies heeft gegeven over wat klager en mr. X wel en niet mochten bespreken tijdens de bezoeken.
Klacht 2:
De directie beschikt niet over klagers verzoek en onderbouwing tot het zakelijk bezoek en de schriftelijke afwijzing van het zakelijk bezoek van 20 mei 2025. Het is inderdaad niet vereist dat de bezoeker gesteld staat als advocaat. De gedetineerde moet kunnen aantonen dat het bezoek noodzakelijk is. Omdat het verzoek niet bij de stukken is gevoegd, is niet duidelijk welke stukken zijn aangeleverd bij het verzoek tot zakelijk bezoek.
Klacht 3:
De directie heeft de inrichtingsmedewerker niet de opdracht gegeven om mee te luisteren met het medisch gesprek. De directie betreurt dat het incident destijds niet bekend was bij de directie, omdat zij het graag bespreekbaar had willen maken. Normaal gesproken vindt een medisch gesprek plaats in een spreekkamer. Klager is in zijn eigen cel gesproken, omdat hij geen andere gedetineerden mocht zien. Als p.i.w.’ers toezicht houden op een dergelijk gesprek gebeurt dit normaliter buiten gehoorafstand. De directie merkt wel op dat zij van klager had verwacht dat hij op de hoogte is van de termijn om zijn beklag in te dienen, omdat hij advocaat is. Klager had bovendien een pro forma klacht kunnen indienen.
De beoordeling
Klacht 1:
Ontvankelijkheid
Klager heeft zijn beklag gedaan binnen de wettelijke termijn en de grondslag daarvan is artikel 60 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), zodat hij ontvankelijk is in zijn beklag. Dit betekent dat de klacht inhoudelijk zal worden beoordeeld.
Wettelijk kader
Uit de artikelen 39, vierde lid jo. 37, eerste lid onder j, van de Pbw volgt dat de gedetineerde in staat wordt gesteld met diens rechtsbijstandverlener telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaat. Op deze gesprekken wordt geen ander toezicht uitgeoefend dan noodzakelijk is om de identiteit van de personen of instantie met wie de gedetineerde een telefoongesprek voert of wenst te voeren vast te stellen.
Uit de artikelen 39, derde lid jo. 36, vierde lid, van de Pbw volgt dat de directeur de gelegenheid tot het voeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken voor ten hoogste twaalf maanden kan weigeren of een telefoongesprek binnen de daarvoor bestemde tijd kan beëindigen, indien dit noodzakelijk is met het oog op de volgende belangen:
- de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
- de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;
- de voorkoming of opsporing van strafbare feiten;
- de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven.
Artikel 6 van de (toen geldende) Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen[1] bepaalt dat de beslissing tot het weigeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken voor de maximumtermijn van twaalf maanden als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Pbw slechts aan de orde is indien het gaat om:
- een gedetineerde die wordt verdacht van een terroristisch misdrijf;
- een gedetineerde die al dan niet onherroepelijk is veroordeeld tot het begaan van een terroristisch misdrijf;
- een gedetineerde waarbij de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven een weigering voor een zo lang mogelijke termijn vergt.
In de meeste gevallen zal het toepassen van de maximale termijn niet nodig zijn en kan worden volstaan met de bestaande termijn van drie maanden.[2]
Inhoudelijke beoordeling
De beklagcommissie stelt op basis van de mededeling weigeren telefoongesprek vast dat de directeur op 16 mei 2025 heeft besloten om klagers telefoongesprekken met mr. X en mr. Y te weigeren op grond van artikel 39, derde lid, van de Pbw.
Voor de beoordeling van de vraag of de directeur deze beslissing op goede gronden heeft genomen moet de beklagcommissie allereerst beoordelen of mr. X en mr. Y kunnen worden aangemerkt als ‘diens rechtsbijstandsverlener’ in de zin van artikelen 39, vierde lid, jo. 37, eerste lid onder j, van de Pbw.
De beklagcommissie stelt vast dat mr. X – gedurende de periode dat klager in DCS heeft verbleven – niet alleen optrad als zaakwaarnemer van de rechtspraktijk van klager, die strafrechtadvocaat is, maar ook als klagers raadsvrouw in een huurrecht- en hypotheekzaak. Ook mr. Y heeft als klagers raadsman opgetreden. Dit is door de directie niet weersproken. De beklagcommissie is van oordeel dat mr. X en mr. Y in de hoedanigheid van zaakwaarnemers niet kunnen worden aangemerkt als ‘diens rechtsbijstandsverlener’ in de zin van artikelen 39, vierde lid, jo. 37, eerste lid onder j, van de Pbw, aangezien er bij zaakwaarneming van de rechtspraktijk van klager geen sprake is van het verlenen van rechtsbijstand in de zin van dat artikel. Met andere woorden, er is in dat geval geen sprake van een advocaat-cliënt relatie. Voor zover mr. X en mr. Y klager bijstonden als advocaat, ziet de beklagcommissie dat anders. In dat geval is er wel sprake van een advocaat-cliënt relatie. Naar het oordeel van de beklagcommissie kunnen mr. X en mr. Y in deze hoedanigheid aldus wel worden aangemerkt als ‘diens rechtsbijstandsverlener’ in de zin van artikelen 39, vierde lid, jo. 37, eerste lid onder j, van de Pbw.
Klager had in de gelegenheid gesteld moeten worden om met mr. X en mr. Y in de hoedanigheid van ‘diens rechtsbijstandsverlener’ telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en gelegenheid bestond. De directeur mocht op die gesprekken geen ander toezicht uitoefenen dan noodzakelijk om de identiteit van de personen of instantie met wie de gedetineerde een telefoongesprek voert of wenst te voeren vast te stellen. Artikel 39, derde lid, van de Pbw biedt de directeur de mogelijkheid om dergelijke gesprekken te weigeren als dit noodzakelijk is met het oog op één van de in artikel 36, vierde lid, van de Pbw genoemde belangen. Van een dergelijk belang is niet gebleken. In de beslissing zijn geen feiten of omstandigheden genoemd die duiden op een dergelijk belang. Ook in het verweerschrift maakt de directeur daar geen melding van. Tijdens de zitting heeft de directeur daar desgevraagd evenmin een toelichting op gegeven. De directie heeft ter zitting wel verwezen naar een verzoek van de zaaksofficier van justitie en een GRIP-rapport, maar deze stukken heeft de directie niet overgelegd. Desgevraagd heeft de directie verklaard niet meer over deze stukken te beschikken en ook niet te kunnen omschrijven wat daarin heeft gestaan. Voor zover de directie een beroep wil doen op het GRIP-rapport van 28 mei 2025 geldt dat dit rapport is opgesteld na het nemen van de door klager bestreden beslissing en daaraan aldus niet ten grondslag kan hebben gelegen. Uit dit rapport volgt overigens niet dat sprake is (geweest) van een situatie als beschreven in artikel 36, vierde lid, van de Pbw.
Gelet op het voorgaande is de beklagcommissie van oordeel dat de beslissing van de directeur van 16 mei 2025 tot weigering van klagers telefoongesprekken met mr. X en mr. Y in het kader van rechtsbijstand niet op goede gronden is genomen. De beklagcommissie zal het beklag gegrond verklaren. Nu de gevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, zal de beklagcommissie klager een tegemoetkoming toekennen van €250,00. De beklagcommissie heeft hierbij aansluiting gezocht bij de Standaardbedragen tegemoetkoming van de RSJ en heeft rekening gehouden met een tegemoetkoming van €12,50 per dag voor het niet bellen met zijn advocaat van 16 mei tot en met 4 juni 2025. De beklagcommissie ziet in wat klager heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om af te wijken van de Standaardbedragen.
Klacht 2:
Ontvankelijkheid
Klager heeft zijn beklag gedaan binnen de wettelijke termijn en de grondslag daarvan is artikel 60 van de Pbw, zodat hij ontvankelijk is in zijn beklag. Dit betekent dat de klacht inhoudelijk zal worden beoordeeld.
Inhoudelijke beoordeling
De beklagcommissie stelt op basis van de werkwijze zakelijk bezoek vast dat gedetineerden in DCS door middel van zakelijk bezoek taken en verantwoordelijkheden van een eigen bedrijf kunnen overdragen om te voorzien in hun zakelijk belang. Een zakelijk bezoek kan hooguit drie keer plaatsvinden. Uit het formulier ‘Instructie – zakelijk bezoek’ van DCS volgt dat het MDO adviseert over het zakelijk bezoek op basis van de volgende vragen:
- Is het een zakelijk belang?
- Is er een noodzaak voor het bezoek?
- Zijn er risico’s verbonden aan het bezoek?
- Draagt het bezoek bij aan de re-integratie van de justitiabele?
- Wat is er nodig om het zakelijk bezoek te kunnen laten slagen? (bijvoorbeeld bijzondere documenten of een laptop?)
Uit de beslissing tot afwijzing van het zakelijk bezoek van 20 mei 2025 blijkt dat de directie het verzoek heeft afgewezen, omdat mr. X en mr. Y niet vallen “onder geprivilegieerde gesprekken omdat beiden zich niet gesteld hebben als [klagers] gemachtigden.” Volgens de directie kan dan geen sprake zijn van bezoek zonder enige vorm van toezicht. Bovendien bieden de stukken volgens de directie geen onderbouwing voor de stellingname dat het bezoek gericht zou zijn op overdracht van klagers onderneming.
De beklagcommissie stelt vast dat uit de werkwijze zakelijk bezoek van DCS niet blijkt dat voor zakelijk bezoek is vereist dat de bezoeker als rechtsbijstandsverlener gesteld moet staan. Ter zitting heeft de directie dit erkend en heeft de directie aangegeven dat de gedetineerde moet kunnen aantonen dat het zakelijk bezoek noodzakelijk is. De beklagcommissie is van oordeel dat de afwijzing van het verzoek onvoldoende is gemotiveerd. Bij de motivering moet aansluiting worden gezocht bij de vragen die – volgens de werkwijze van DCS – tijdens het MDO moeten worden beantwoord en dat heeft de directie niet gedaan. De aard van de strafrechtpraktijk waarin verdachten worden bijgestaan door een advocaat en waar termijnen gelden, brengt met zich dat het zakelijk belang een gegeven is. Ook het voorstellen van modaliteiten door de directie om “in samenspraak met de deken te kijken naar de zaakoverdracht voor zover noodzakelijk” kan zonder motivering – die ontbreekt – niet stand houden.
Gelet op het vorenstaande is de beklagcommissie van oordeel dat de weigering van de directeur tot zakelijk bezoek als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt. De beklagcommissie zal het beklag gegrond verklaren. Nu de gevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, zal de beklagcommissie klager een tegemoetkoming toekennen van €30,00. De beklagcommissie heeft hierbij aansluiting gezocht bij de Standaardbedragen tegemoetkoming van de RSJ voor het niet doorgaan van een bezoek zonder toezicht.
Klacht 3:
Ontvankelijkheid
Allereerst dient te worden beoordeeld of klager kan worden ontvangen in zijn beklag. Artikel 61, vijfde lid, van de Pbw bepaalt dat de gedetineerde het klaagschrift uiterlijk op de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen moet indienen. Een na afloop van deze termijn ingediend klaagschrift is niettemin ontvankelijk, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de gedetineerde in verzuim is geweest.
Op grond van artikel 60, eerste lid, van de Pbw kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een door of namens de directeur genomen beslissing die hem betreft. De zorgplicht van de directeur kan gelijk worden gesteld met een beslissing van de directeur, als er sprake is van een beklag met voldoende belang voor de gedetineerde. Daarvan is in beginsel slechts sprake wanneer de directeur volgens de gedetineerde jegens hem “structureel en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken”.[3] Uit de jurisprudentie van de RSJ volgt dat het gestelde probleem zich in beginsel minimaal drie keer in drie maanden – voorafgaand aan het beklag – moet hebben voorgedaan. Pas dan kan er worden gesproken over mogelijk ‘structureel tekortschieten’. De aard en ernst van het probleem spelen hierin ook een rol.[4] Als voldoende belang bij het beklag ontbreekt – wat dus losstaat van de vraag of het feitelijk klopt wat de gedetineerde heeft gesteld – dan moet de gedetineerde niet-ontvankelijk in zijn beklag worden verklaard.
Klager beklaagt zich erover dat een p.i.w.’er op 8 mei 2026 met een gesprek tussen klager en de inrichtingsarts heeft meegeluisterd. De directie stelt allereerst dat sprake zou zijn van een feitelijke handeling van een medewerker en dat daartegen geen beklag openstaat. De beklagcommissie stelt vast dat het beklag zich weliswaar niet richt tegen een structurele tekortkoming van de directeur, maar dat is in gevallen als deze ook niet goed mogelijk. Het gaat in dit geval echter wel om een belangrijke (vermeende) tekortkoming in de verzorgende taken van de directeur met betrekking tot de vertrouwelijkheid van een gesprek met een arts, waartegen naar het oordeel van de beklagcommissie wel moet kunnen worden geklaagd.[5]
Daarnaast heeft de directie aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beklag, omdat het klaagschrift te laat is ingediend. De beklagcommissie stelt vast dat klager op 30 mei 2025 heeft geklaagd over een incident dat zich op 8 mei 2025 heeft voorgedaan. De beklagcommissie heeft het klaagschrift op 24 maart 2026 per mail ontvangen van klagers raadsvrouw. Klager heeft allereerst aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat hij de klacht pas concreet kon indienen nadat hij de naam van de betrokken arts had gekregen. Daarnaast heeft klager aangevoerd dat hij er destijds van uit is gegaan dat het gedrag van de p.i.w.’er was ingegeven door een beslissing van de directeur die hij nog op schrift zou ontvangen. Doordat klager geen schriftelijke beslissing had gekregen met een rechtsmiddelenclausule, eerst nog heeft getracht om tot een minnelijke oplossing te komen en de termijnoverschrijding niet al te lang is, acht de beklagcommissie de termijnoverschrijding verschoonbaar en is zij van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat klager in verzuim is geweest. Dat klager, zoals de directie stelt, tevens advocaat is, doet aan het voorgaande niet af nu klager rechtens van zijn vrijheid was ontnomen en niet in de hoedanigheid van advocaat optrad. De omstandigheid dat het klaagschrift pas op 24 maart 2026 door de beklagcommissie is ontvangen kan klager naar het oordeel van de beklagcommissie evenmin worden tegengeworpen. Klager stelt namelijk dat hij het klaagschrift wel degelijk op 30 mei 2025, hetgeen eveneens de datum van ondertekening betreft, in de klachtenbrievenbus heeft gedaan. De beklagcommissie ziet geen redenen om hieraan te twijfelen en dit is overigens door de directie niet weersproken. Gelet op het voorgaande zal de beklagcommissie klager ontvankelijk verklaren in zijn beklag. Dit betekent dat de klacht inhoudelijk zal worden beoordeeld.
Inhoudelijke beoordeling
De beklagcommissie stelt voorop dat het contact tussen een arts en een patiënt vertrouwelijk is. Op de inhoud van een dergelijk contact is de geheimhoudingsplicht van de arts van toepassing, wat betekent dat de door de patiënt verstrekte informatie niet zonder diens toestemming aan derden mag worden verstrekt (artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek). Gelet hierop – en ook gelet op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2, derde lid, van de Pbw – moet het uitgangspunt zijn dat er, bij een bezoek van een gedetineerde aan een arts, geen toezichthoudend personeel aanwezig is in de behandel- of spreekkamer. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de aanwezigheid van personeel in de behandel- of spreekkamer uit veiligheidsoverwegingen (strikt) noodzakelijk is en als de aanwezigheid van personeel proportioneel en subsidiair is. De directeur dient een zelfstandige belangenafweging te maken tussen enerzijds het individuele belang van de gedetineerde bij raadpleging van/behandeling door een arts zonder dat daarbij toezichthoudend personeel aanwezig is, en anderzijds het algemene belang van handhaving van de orde en veiligheid en de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.[6]
Ter zitting heeft de directie te kennen gegeven de door de klager geschetste gang van zaken niet te betwisten en dat de p.i.w.’er die het medisch gesprek heeft meegeluisterd niet heeft gehandeld in opdracht van de directie. Daarnaast heeft de directie aangegeven dat p.i.w.’ers slechts toezicht mogen houden buiten gehoorafstand. De beklagcommissie is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat klagers medische gesprek is meegeluisterd en stelt vast dat hieraan geen beslissing en in het verlengde daarvan een zelfstandige belangenafweging van de directeur aan ten grondslag heeft gelegen. Gelet op het voorgaande is er sprake van een schending van het recht op privacy van klager. Deze schending valt onder de verantwoordelijkheid van de directeur en komt voor zijn rekening. De beklagcommissie zal het beklag gegrond verklaren en klager een tegemoetkoming toekennen van €25,00. De beklagcommissie heeft bij de hoogte van de tegemoetkoming aansluiting gezocht bij een eerdere uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ.[7]
BESLISSING
De beklagcommissie verklaart:
- het beklag (klacht 1) gegrond en kent aan klager een tegemoetkoming toe van €250,00;
- het beklag (klacht 2) gegrond en kent aan klager een tegemoetkoming toe van €30,00;
- het beklag (klacht 3) gegrond en kent aan klager een tegemoetkoming toe van €25,00.
Aldus gegeven op 16 juli 2026 door mw. mr. M.C. Coster (voorzitter), mw. mr. N. Boonstra en mw. drs. M. Stranders (leden), bijgestaan door de secretaris mw. mr. W.G.H. Poort.
Er is door de directie beroep ingesteld bij de RSJ onder kenmerk 26/58914/GA.
[1] Regeling van de Minister van Justitie van 8 april 2006, nr. 5403085/05/DJI, versie 20191122, houdende bepalingen met betrekking tot de toelating en weigering van bezoek en beperkingen inzake het telefoonverkeer (Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen).
[2] Toelichting van de Minister op de wijziging van artikel 38 van de Pbw (TK 2005-2006, 30171, nr. 6).
[3] Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76.
[4] RSJ 1 september 2023, 23/31460/GA.
[5] RSJ 1 september 2023, 22/30331/GA.
[6] RSJ 27 juli 2023, 23/31683/GA.
[7] RSJ 27 juli 2023, 23/31683/GA.