KC 2026/009

Klaagster is het oneens met een aan haar opgelegde disciplinaire straf. Zij heeft gevraagd om inzage in de camerabeelden, maar deze zijn niet bewaard. Ze benadrukt dat ze zich heeft ingehouden en de medegedetineerde niet heeft aangeraakt. Het personeel arriveerde pas achteraf. Haar raadsvrouw stelt dat het rapport en het bewijs rondom de beelden en getuigenissen onduidelijk en incompleet zijn. De directeur bevestigt dat camerabeelden het incident laten zien, maar erkent dat de beelden niet meer beschikbaar zijn door de korte bewaartermijn van zeven dagen. De beklagcommissie oordeelt dat het verzoek tot bewaren en inzien van beelden tijdig was, en vindt dat de bewaartermijn van zeven dagen te kort is, zeker in situaties waarbij gedetineerden het incident betwisten. Er wordt aanbevolen het beleid aan te passen naar minimaal 21 dagen. De beklagcommissie constateert dat onvoldoende duidelijk is wie de camerabeelden heeft bekeken en wat er exact op te zien is. De opgelegde straf van vijf dagen wordt te zwaar bevonden, vooral omdat de medegedetineerde slechts een waarschuwing kreeg en de straf tijdens de kerstperiode werd uitgevoerd. Een straf van één dag had in dit geval redelijk geweest. Voor de vier dagen onterechte afzondering kent de commissie een tegemoetkoming toe van €40,-.

UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ DE PENITENTIAIRE INRICHTINGEN ZUID-OOST LOCATIE TER PEEL TE EVERTSOORD

De procedure
De beklagcommissie heeft kennis genomen van de klacht van                               

[…] (detentienummer […]), verder te noemen klaagster.

Klaagster zat in de Penitentiaire Inrichtingen (P.I.) Ter Peel toen zij haar beklag indiende.

De klacht betreft de beslissing om klaagster met ingang van 21 december 2025 een disciplinaire straf op te leggen van 5 dagen opsluiting in eigen cel zonder televisie.

De directeur heeft schriftelijk gereageerd. Klaagster en haar raadsvrouw mr. F.H. van der Pol, advocaat te Almere, hebben hiervan een kopie ontvangen.

Op 7 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van het beklag plaatsgevonden. Aanwezig was klaagster, bijgestaan door haar raadsvrouw. Namens de directie was […], plv. vestigingsdirecteur, aanwezig.

De standpunten in de beklagprocedure
Het standpunt van klaagster en haar raadsvrouw
Klaagster is het niet eens met de disciplinaire straf die aan haar is opgelegd. Klaagster stelt dat zij de medegedetineerde niet heeft aangeraakt en geen klap tegen het gezicht heeft gegeven. Dat zou op camerabeelden te zien moeten zijn en daar is meteen om gevraagd. Er is bij de bepaling van de straf geen rekening mee gehouden dat zij tijdens de kerstdagen nog afgezonderd zou zitten. Nu kon ze met Kerst haar kinderen niet bellen.

Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft klaagster aanvullend gemeld dat de medegedetineerde schreeuwend naar haar toe kwam tijdens het telefoneren. Zij heeft daarbij tegen het telefoonboek aangeslagen dat klaagster in haar hand had. Klaagster heeft weliswaar een beweging gemaakt richting de medegedetineerde maar heeft zich op tijd ingehouden en de medegedetineerde niet aangeraakt. Klaagster realiseerde zich op tijd dat zij niet moest slaan, gelet op een mogelijke straf en alles wat daarbij op het spel stond. Zij heeft dus niet geslagen en is naar haar cel gelopen.

Er wordt gesteld dat personeel heeft gezien dat zij heeft geslagen. Personeel was echter op dat moment niet aanwezig. Zij kwamen pas aanrennen nadat anderen alarm hadden geslagen omdat er ruzie zou zijn.

Het personeel vroeg wat er was gebeurd en zij zijn de camerabeelden gaan bekijken. Twee vrouwelijke piw-ers (A. en M.) zijn hierna bij klaagster terug gekomen en hebben verklaard dat op de camerabeelden was te zien dat klaagster geslagen zou hebben en dat haar daarom rapport werd aangezegd. Klaagster blijft er bij dat ze niet heeft geslagen. Ze heeft dat ook meteen gemeld nadat haar gezegd werd dat er gezien was dat zij de medegedetineerde geslagen had en daarbij gevraagd om de camerabeelden zelf te mogen zien, en haar raadsvrouw heeft hier na enkele dagen ook om gevraagd maar tot op de dag van vandaag is dit niet mogelijk gebleken.

Klaagster vindt daarnaast dat ze veel te zwaar is gestraft. De betrokken medegedetineerde kreeg slechts een waarschuwing en klaagster kreeg de straf en dat ook nog eens in de kerstperiode.

De raadsvrouw heeft het volgende aangevoerd.
Camerabeelden:
Klaagster heeft haar beklag op 26 december 2025 in de brievenbus van de commissie van toezicht gedaan in de PI. De brievenbus is op 29 december 2025 gelicht en de klacht is daarna doorgezonden en op 2 januari 2026 ontvangen door de rechtbank. Klaagster heeft haar klacht tijdig ingediend en de camerabeelden hadden moeten worden bewaard. Temeer omdat klaagster meteen heeft gevraagd om de camerabeelden te mogen zien. De raadsvrouw verwijst in dit verband naar de jurisprudentie van de RSJ met kenmerk 24/44548/JA.

De raadsvrouw mist bovendien een beschrijving van de camerabeelden. Er is ook geen verslag aanwezig van de personeelsleden die de camerabeelden hebben gezien.

In het rapport wordt gemeld dat piw-ers het voorval zouden hebben gezien. Klaagster liep echter al weg, toen zij aankwamen. De beschreven situatie komt niet overeen met de werkelijkheid.

Daarnaast wordt er gesproken over letsel bij de medegedetineerde. Klaagster ontkent dat er sprake was van enig letsel. Hiervan zit bovendien geen foto in het dossier.

Disciplinaire straf:
Uit de stukken blijkt niet welke piw-ers daadwerkelijk gezien hebben dat klaagster zou hebben geslagen. Er worden geen namen genoemd in het rapport of rapporteursnummers. Ook blijkt niet wie de camerabeelden hebben gezien. De camerabeelden zijn niet bewaard ondanks dat hiertoe een verzoek is gedaan en er is ook geen beschrijving van het gebeurde, anders dan de korte beschrijving in het rapport. Opvallend is dat in de beslissing niet meer wordt gesproken over de klap maar over het veroorzaken van onrust.

Als klaagster niet is gestraft voor de gestelde klap maar voor het veroorzaken van onrust in de inrichting, dan is de straf te zwaar, zeker als je daarnaast zet dat de medegedetineerde slechts een waarschuwing heeft ontvangen.

De raadsvrouw verzoekt de klacht gegrond te verklaren en een tegemoetkoming vast te stellen.

Het standpunt van de directeur
Er is tussen betrokkene en een medegedetineerde onenigheid ontstaan rondom het telefoneren, hierdoor stonden zij neus aan neus. De inrichtingsmedewerkers hebben waargenomen dat betrokkene deze betreffende medegedetineerde met een platte hand in het gezicht heeft geslagen. Door de Penitentiaire Inrichting zijn de camerabeelden teruggekeken, waarop het incident te zien was.

Betrokkene heeft middels haar fysieke en verbale agressie gezorgd voor een verstoring van de orde en veiligheid, hierdoor is de reeds opgelegde disciplinaire straf niet onredelijk of onbillijk.

Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is namens de directie aangevoerd dat de camerabeelden niet meer zijn terug te halen. Als de (plv.) directeur geen opdracht geeft dat de beelden bewaard moeten worden, worden ze na 7 dagen overschreven. De plv. directeur vermoedt dat een leidinggevende de beelden heeft gezien. Het verslag van de camerabeelden staat vermeld in het rapport. De plv. directeur die het rapport heeft afgedaan heeft de situatie uiteindelijk beoordeeld als een schermutseling. Hierdoor is de orde en veiligheid in de inrichting verstoord. Hierna heeft hij een belangenafweging gemaakt waarbij de hoogte van de straf is vastgesteld op 5 dagen opsluiting in eigen cel zonder televisie. Dit is redelijk en billijk. Verzocht wordt om op grond van het bovenstaande de klacht ongegrond te verklaren.

De beoordeling
Camerabeelden:
De beroepscommissie heeft in eerdere uitspraken het belang onderstreept van het bewaren van camerabeelden in een lopende beklag- en beroepsprocedure.[1]

In het protocol cameratoezicht PI Zuid-Oost[2] zijn de regels omtrent cameratoezicht beschreven.

De beklagcommissie is het eens met de stelling van de directeur dat de privacy van andere personen dan de gedetineerde die op de beelden te zien zijn zoveel als mogelijk moet worden gerespecteerd. De beklagcommissie hoeft dan ook lang niet in alle gevallen beelden te zien. Een zorgvuldig uitgewerkt verslag over hetgeen op de beelden te zien is zal in de meeste gevallen voldoende duidelijkheid geven.

De commissie stelt het volgende vast:
Klaagster heeft bij de aanzegging van het rapport en bij indiening van het beklag meteen verzocht om de camerabeelden veilig te stellen.

Zij heeft haar klaagschrift op 25 december 2025 ondertekend. Het klaagschrift is op 2 januari 2026 door de administratie van de beklagcommissie ontvangen en op 5 januari 2026 verwerkt. Daarop is verzocht de camerabeelden te mogen zien. De directeur heeft verklaard dat de camerabeelden op het moment dat het verzoek is ontvangen, reeds waren overschreven. De bewaartermijn van camerabeelden is standaard slechts 7 dagen in verband met de beperkte opslagcapaciteit.

De beklagcommissie stelt vast dat de directeur op 21 december 2025 ervan op de hoogte was dat klaagster het niet eens was met de beschuldiging dat zij zou hebben geslagen. Klaagster heeft op het moment van strafaankondiging bovendien aangegeven dat zij de beelden wilde zien omdat zij niet geslagen zou hebben. Er is toen besloten weliswaar om wel de camerabeelden na te zien en te betrekken bij de afhandeling van het rapport. Het is niet goed te begrijpen waarom op dat moment er niet ook voor gekozen is deze beelden te bewaren, nu inmiddels bekend was dat klaagster ontkende dat zij had geslagen en zij nadrukkelijk erom had gevraagd de beelden te mogen zien. Evenmin is er een duidelijke en ondertekende verslaglegging gemaakt van wat er nu precies op deze beelden te zien was en door welke medewerkers dat is waargenomen.

Klaagster heeft zodra zij uit haar straf kwam op 26 december 2025 een klacht ingediend en zodra deze bij de beklagcommissie kwam, is om de beelden gevraagd. Bovendien heeft de advocate van klaagster ook om de beelden gevraagd. In dit geval heeft klaagster gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht kon worden. Door de zeer korte bewaartermijn in combinatie met de periode gedurende welke klaagster in afzondering zat met daaropvolgend de kerstperiode bereikte het officiële verzoek van de beklagcommissie de PI ruim na afloop van de 7 dagen bewaartermijn.

De stelling van de directie dat het verzoek om de camerabeelden te zien en te bewaren te laat is ontvangen treft daarom geen doel. De beklagcommissie dringt er dan ook op het beleid wat betreft het bewaren van camerabeelden in het algemeen aan te passen naar 21 dagen. Mocht dit niet mogelijk blijken te zijn (hetgeen vooralsnog niet duidelijk is aangetoond) dan zouden in elk geval subsidiair de beelden moeten worden bewaard bij situaties waarbij klaagsters het hun verweten gedrag uitdrukkelijk betwisten en het voorzienbaar is dat klaagster beklag zal gaan instellen. Gezien de hiervoor omschreven omstandigheden is immers gebleken de periode van 7 dagen waarna de beelden worden overschreven naar het oordeel van de beklagcommissie niet langer realistisch. Feit is immers dat klaagsters in principe 7 dagen de tijd hebben om te klagen. Daarnaast is het zo dat klaagsters vaak niet dezelfde dag al een klacht (kunnen) indienen en dat het vervolgens met het legen van de brievenbus en de postvoorziening zeer regelmatig voorkomt dat de klachten pas na 7 dagen aankomen bij de beklagcommissie en in al die gevallen zijn de beelden overschreven. Gezien deze omstandigheden waar klaagsters geen invloed op hebben, zou het op de weg liggen van de PI om de beelden minimaal 21 dagen te bewaren.

Disciplinaire straf:
De beklagcommissie ziet een discrepantie tussen het rapport en de beslissing om klaagster een straf op te leggen. Er wordt kennelijk een beschrijving gegeven van het voorval op basis van de camerabeelden. Daarin staat vermeld dat het personeel erbij is gekomen na het voorval en de gedetineerden uit elkaar zijn gehaald. Het is dus niet zo dat de piw-ers die direct betrokken waren het voorval zelf hebben waargenomen. Het is daarnaast voor de beklagcommissie onvoldoende duidelijk geworden door wie en wanneer de camerabeelden zijn gezien en bovenal wat daarop te zien was. Het had in dit geval in de rede gelegen een op zich zelf staand rapport op te laten stellen met daarin een exacte beschrijving met wat daarop te zien is, naar aanleiding van het zien van de camerabeelden met ondertekening door de opstellers.

Uit de beslissing blijkt vervolgens dat de directeur een weging heeft gemaakt van de feiten en omstandigheden en dat hij van oordeel is dat er sprake was van een schermutseling, waarbij klaagster een verstoring van de orde en veiligheid in de inrichting heeft veroorzaakt, door het vertonen van fysieke en verbale agressie. De beweerdelijke klap wordt daarin als zodanig niet meer genoemd.

De beklagcommissie is van oordeel dat in dat geval de opgelegde straf onder de gegeven omstandigheden te zwaar was en betrekt daarbij het gegeven door de directie niet is weersproken dat de bij de schermutseling betrokken medegedetineerde er slechts met een waarschuwing van af kwam terwijl zij tegen het telefoonboek van klaagster zou hebben geslagen. Dat er sprake is geweest van een verbale ruzie over en weer wordt door klaagster niet betwist. Tevens wordt bij dit oordeel betrokken dat klaagster deze straf gedurende de kerstperiode moest ondergaan hetgeen als extra belastend kan worden bezien.

Gelet op het vorenstaande is de beklagcommissie van oordeel dat het opleggen van de disciplinaire straf gegrond is, maar dat de duur van de straf in het licht van het bovenstaande niet redelijk en billijk is. De beklagcommissie is van oordeel dat een straf van 1 dag in dit specifieke geval redelijk is. Omdat klaagster in totaal een straf van 5 dagen heeft ondergaan, heeft zij 4 dagen ten onrechte afgezonderd gezeten. Dit is niet meer ongedaan te maken. Klaagster komt daarom een tegemoetkoming toe van € 10, -- per dag.

BESLISSING
De beklagcommissie verklaart

  • het klaagschrift ongegrond voor wat betreft de oplegging van de disciplinaire straf van 1 dag en gegrond voor wat betreft de oplegging van de overige 4 dagen;
  • stelt een tegemoetkoming vast van 4 x € 10 is in totaal € 40 voor de dagen dat klaagster ten onrechte in afzondering heeft gezeten.

Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2026 door mr. P. van Blaricum (voorzitter), E.R.J. Berends en T.J.G.M. Custers (leden), bijgestaan door P. van Kaam-Wolfswinkel, secretaris.
 

[1] RSJ 21/20752/GA en 24/44548/JA.

[2] Protocol Cameratoezicht PI Zuid-Oost, versie 1 maart 2022