UITWERKING MONDELINGE UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ DE VAN DER HOEVEN KLINIEK TE UTRECHT
Beslissing van de beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij de Van der Hoeven Kliniek, inzake het klaagschrift van:
[…], verder te noemen klaagster.
Het klaagschrift is gericht tegen een schending van het recht op medische verzorging op 21 november 2025.
Het hoofd van de inrichting heeft schriftelijk gereageerd en klaagster heeft van deze reactie kennis kunnen nemen.
De klachten zijn behandeld ter zitting van 22 januari 2026 in het bijzijn van klaagster, de raadsvrouw mr. H.E. Berman, het plaatsvervangend hoofd van de inrichting mw. […] en de juridisch medewerker mw. mr. […].
De beklagcommissie heeft kennisgenomen van de volgende informatie:
- Klaagschrift van 27 november 2025, door de beklagcommissie ontvangen op 27 november 2025;
- Reactie van de kliniek op het klaagschrift van 8 januari 2026;
- Hetgeen op de zitting van 22 januari 2026 is besproken.
De beoordeling
Wettelijk kader
In artikel 41 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) is het recht op verzorging door een aan de instelling verbonden arts vastgelegd. Het hoofd van de instelling draagt zorg voor a. de verstrekking van de door een aan de instelling verbonden arts voorgeschreven medicijnen en diëten; b. de behandeling van de verpleegde op aanwijzing van een aan de instelling verbonden arts en c. de overbrenging van de verpleegde naar een ziekenhuis dan wel andere instelling, indien de onder b bedoelde behandeling aldaar plaatsvindt.
Artikel 56 lid 4 Bvt bepaalt dat tegen de wijze waarop het hoofd van de instelling een bij of krachtens deze wet gestelde zorgplicht betracht geen beklag open staat.
Standpunt klaagster
Voor het standpunt van klaagster wordt verwezen naar de klacht. Ter zitting hebben klaagster en de raadsvrouw hier het volgende aan toegevoegd.
Klaagster heeft toegelicht dat zij vorige week naar de handtherapeut is geweest. Die zei dat ze eigenlijk veel eerder had moeten komen. Over vier weken moet zij weer terug. De eerste keer dat zij naar het ziekenhuis is geweest was die week daarvoor. Klaagster is in eerste instantie alleen gezien door de medische dienst. Zij heeft destijds gelijk gevraagd of zij naar het ziekenhuis mocht, maar ze is niet doorverwezen. De verpleegkundigen gaven aan dat ze de wonden zelf wilden verbinden en dan de volgende dag verder wilden kijken. Klaagster is ook resistent voor antibiotica en kan daardoor nog maar één soort antibiotica krijgen. Uiteindelijk zijn de wonden gaan ontsteken, tot drie keer toe. Bij de derde ontsteking is de MFU-arts gekomen, net na kerst, dus ruim een maand nadat het gebeurd was op 21 november 2025. Hij zei dat klaagster in zijn praktijk gelijk naar het ziekenhuis was gestuurd. Hij vond dat klaagster nu met de ontsteking ook naar het ziekenhuis moest. De medische dienst wilde dit in eerste instantie niet. Klaagster is toen samen met een personeelslid naar de medische dienst gegaan. Uiteindelijk is zij in week 6 na het incident op 21 november 2025 naar het ziekenhuis gegaan. Er had vanaf het begin meer specialistisch naar de wonden gekeken moeten worden. Normaal gesproken worden bij dit soort incidenten met een cirkelzaag patiënten gewoon naar het ziekenhuis gebracht. De hechtpleisters die nu gebruikt zijn bij de medische dienst hielden niet. Het bloed bleef erdoor heen komen waardoor klaagster twee uur later alweer terug moest naar de medische dienst. Het netwerk van klaagster heeft ook meerdere keren contact gezocht met de kliniek dat weekend omdat zij van mening waren dat klaagster naar het ziekenhuis moest.
De raadsvrouw heeft toegelicht dat de klacht niet de wijze waarop de zorgplicht is betracht betreft, maar dat de klacht gaat over het niet direct doorverwijzen naar het ziekenhuis. Daardoor is aan klaagster specialistische zorg onthouden. Klaagster heeft pas 1,5 week later voor het eerst de huisarts gezien. Toen zij uiteindelijk in het ziekenhuis kwam, is gezegd dat zij veel eerder had moeten komen, omdat de wonden gehecht hadden moeten worden. Zij had gewoon direct naar de eerste hulp gestuurd moeten worden. De klacht betreft dus het onthouden van de benodigde specialistische zorg aan klaagster, en niet de medisch inhoudelijke beslissingen omdat dat niet beklagwaardig is in het kader van de Bvt. Door klaagster niet door te verwijzen naar het ziekenhuis is de zorgplicht geschonden. De raadvrouw verwijst hierbij naar 2 uitspraken van de RSJ, waarbij de klachten ontvankelijk en gegrond zijn verklaard
[1]. Het zijn weliswaar geen vergelijkbare casus, maar de context is belangrijk. Zij verzoekt de klacht gegrond te verklaren en een symbolisch bedrag van 50,- euro als tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt kliniek
Voor het standpunt van de directie wordt verwezen naar het verweerschrift. Ter zitting heeft de directie hier het volgende aan toegevoegd.
De directie moet varen op het oordeel van de medische dienst. Er is geen inzage in het medisch dossier. Uit de naslag is duidelijk geworden dat klaagster direct door de werkmeester naar de medische dienst is gebracht nadat het ongeluk met de zaag is gebeurd. Bij de medische dienst is de inschatting gemaakt dat het niet nodig was om klaagster door te verwijzen naar het ziekenhuis. De wonden konden volgens hen met hechtpleisters worden verbonden. Daarna is het advies gegeven om haar hand hoog te houden en dat zij eventueel extra pijnstilling kon vragen. Dat is ook doorgegeven aan de nachtdienst. In het weekend dat volgde zijn de wonden beide dagen gecontroleerd en heeft tevens geen verwijzing naar het ziekenhuis plaats gevonden.
De kliniek is dan ook van mening dat er medische zorg is geboden en voldaan is aan de zorgplicht. Alleen wanneer de zorgplicht niet is betracht, zoals bijvoorbeeld wanneer voorgeschreven medicatie niet wordt verstrekt of er geen toegang is tot de medische dienst, is dat beklagwaardig. De juridische route bij medisch inhoudelijke klachten is lastig binnen de TBS.
Vaststelling en beoordeling
De beklagcommissie stelt vast dat klaagster op 21 november 2025 op de werkplaats haar duim en wijsvinger onder een grote zaag heeft gekregen, waarbij haar vingers ernstig beschadigd zijn geraakt. De werkmeester heeft klaagster direct naar de medische dienst gebracht. Daar is besloten de wonden te verbinden met hechtpleisters en geoordeeld dat doorverwijzing naar het ziekenhuis niet nodig was. Het advies was om de hand omhoog te houden en pijnstillers te nemen. De werkmeester heeft klaagster naar de afdeling gebracht en de groepsleiding ingelicht en nog even nagepraat met klaagster. Ook in het weekend hebben meerdere controles door de medische dienst plaats gevonden, en werd doorverwijzing naar het ziekenhuis niet nodig geacht. Klaagster is van mening dat de zorgplicht is geschonden omdat haar specialistische zorg is onthouden.
De beklagcommissie overweegt als volgt.
Klaagster is binnen tien minuten na het incident op de werkplaats naar de medische dienst gebracht. Daar zijn de vingers van klaagster behandeld en verbonden en is geoordeeld dat doorverwijzing naar het ziekenhuis niet noodzakelijk was. Ook in de twee dagen daarna hebben verschillende controles plaats gevonden en is doorverwijzing naar het ziekenhuis niet noodzakelijk geacht. Hoewel wellicht (achteraf) afgevraagd kan worden of dit een goed oordeel is geweest, kan de beklagcommissie daar geen inhoudelijk oordeel over geven. De Bvt voorziet niet in de mogelijkheid van beklag tegen het medisch handelen van aan de inrichting verbonden artsen. Door klaagster is gesteld dat zij recht heeft op medische zorg maar dat de zorgplicht is geschonden door haar medisch specialistische zorg te onthouden. De beklagcommissie is op grond van bovengenoemde vastgestelde feiten van oordeel dat er wel medische zorg is geboden door de medische dienst. Er kan niet gezegd worden dat de zorgplicht in het geheel niet is betracht. Klaagster is het niet eens met het feit dat zij niet is doorverwezen naar het ziekenhuis, maar dat betreft dan de wijze waarop de zorgplicht wordt betracht. Dat is op grond van artikel 56 lid 4 Bvt niet beklagwaardig. De beklagcommissie is dan ook van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar beklag.
BESLISSING
De beklagcommissie verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag.
Deze uitspraak is gedaan op 22 januari 2026 door mr. M.M. Helmers, voorzitter van de beklagcommissie, drs. H. Heddema en drs. B. Koevoet, leden van de beklagcommissie, bijgestaan door mr. S.E. Braam-van Toll, secretaris en ondertekend door de voorzitter en de secretaris, op 11 februari 2026.
[1] RSJ 15 juni 2001, 01/0630/TA en RSJ 16 augustus 2000, 00/0672/TA.
Er is door klaagster beroep ingesteld bij de RSJ onder kenmerk 26/54502/TA