DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ HET DETENTIECENTRUM SCHIPHOL
De beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij het Detentiecentrum Schiphol (DCS) heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:
[…], verder te noemen klager en niet langer gedetineerd.
Het klaagschrift is gericht tegen de omstandigheid dat de directie de zorgplicht heeft geschonden door klager onvoldoende (na)zorg te bieden tijdens en na zijn reanimatie op 1 juli 2025 doordat:
- de medische dienst en ambulance onvoldoende voortvarend zijn opgeroepen (onderdeel 1);
- klagers celgenoot de verblijfsruimte zelf moest schoonmaken en klagers celgenoot middels een dreiging met een afzonderingscel is duidelijk gemaakt dat hij klagers familie niet mocht inlichten over klagers reanimatie (onderdeel 2);
- klagers pleegmoeder niet is ingelicht over klagers reanimatie en plaatsing in het ziekenhuis en er een bel- en bezoekverbod gold (onderdeel 3);
- klager geen schone kleding is gebracht tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis en hij niet over persoonlijke verzorgingsproducten beschikte (onderdeel 4);
- de directie van DCS druk op de artsen van het ziekenhuis heeft uitgeoefend om klager zo snel mogelijk terug te laten gaan naar DCS en het ziekenhuis slechts de beschikking had over een beperkt, afgeschermd patiëntendossier (onderdeel 5);
- klager de brieven die hij van de hartlongarts heeft ontvangen zijn afgenomen, deze brieven niet zijn opgenomen in zijn medisch dossier en klager onvoldoende nazorg heeft ontvangen na zijn terugkomst in DCS (onderdeel 6).
Klager wordt in deze procedure bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. H.L. Hendriks. De directeur heeft schriftelijk gereageerd op de klacht. Klager heeft van deze reactie kennis kunnen nemen. De klacht is behandeld op een beklagzitting, in aanwezigheid van klager, […] (klagers pleegmoeder), klagers raadsvrouw en namens de directie, […] (plv. vestigingsdirecteur), […] (hoofd medische dienst) en […] (juridisch medewerker).
In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagcommissie kennisgenomen van de volgende informatie:
- klaagschriften gedateerd 6 juli 2025, door het secretariaat ontvangen op 9 juli 2025;
- machtiging klagers pleegmoeder gedateerd 4 juli 2025;
- medische toestemmingsverklaring klagers pleegmoeder gedateerd 4 juli 2025;
- aanvullende onderbouwing klaagschriften gedateerd 15 augustus 2025;
- verweerschrift van de directeur van 17 september 2025;
- aangepast verweerschrift van de directeur van 10 oktober 2025;
- het verhandelde ter zitting van 26 januari 2025, hieronder kort uiteengezet voor zover niet gebleken uit de schriftelijke bescheiden.
Het standpunt van klager
Voor het standpunt van klager wordt verwezen naar de klaagschriften en de aanvullende onderbouwing van de klaagschriften. Ter zitting hebben klager, klagers raadsvrouw en klagers pleegmoeder hier het volgende aan toegevoegd.
Naar omstandigheden gaat het goed met klager. Ondanks dat zijn detentietijd kort was, ondervindt hij vooral mentaal nog last van hoe die periode is verlopen. Als gevolg van de gebeurtenissen en de gemaakte keuzes, volgt hij de komende 2,5 jaar een traject om zichzelf weer op de been te krijgen. Hij heeft zich niet gehoord gevoeld en voelt zich nu wel gehoord.
Naast de hieronder genoemde onderdelen richt klagers beklag zich tegen de omstandigheid dat hij, na zijn terugkomst in DCS, geen terugkoppeling heeft ontvangen van wat er precies was gebeurd ten tijde van de reanimatie. Hij heeft alles van medegedetineerden te horen gekregen. Hij heeft het gevoel dat er niet meer naar hem is omgekeken. Er is niet gevraagd hoe het met hem ging, ook door de psycholoog niet. Hij heeft het gevoel dat alles buiten hem om is besloten. Hierdoor heeft klager zich een nummer in plaats van een mens gevoeld.
Daarnaast begrijpt hij niet dat er volgens DCS geen nazorg nodig was. Hij is namelijk na drie dagen terug in DCS overgeplaatst naar een PPC, omdat de benodigde zorg niet in DCS geboden kon worden. Klager heeft in het verleden dissociatieproblematiek gehad, wat mogelijk een hartstilstand tot gevolg kan hebben. Bij binnenkomst in DCS heeft klager dat vermeld. Toen klager in het PPC aankwam, kreeg hij te horen dat hij daar niet hoorde. Klager begrijpt niet dat hij in het PPC is geplaatst met zijn dissociatieproblematiek en heeft daar nog steeds veel last van. Na 1,5 week in het PPC is hij overgeplaatst naar de PI Zaandam. Erkenning vanuit DJI zou hem kunnen helpen bij het afsluiten. Hij zou graag willen horen dat er verkeerde keuzes zijn gemaakt.
Ten aanzien van onderdeel 1
Klager voelde zich niet lekker en is in zijn verblijfsruimte in elkaar gezakt. De bewaarders hebben hem vervolgens gecontroleerd. Aangezien hij geen hartslag had, zijn ze gestart met de reanimatie. De medische dienst is opgeroepen, maar is niet op de hoogte gebracht van de reanimatie. De medische dienst heeft vervolgens besloten om een ambulance te bellen. Dit heeft klager allemaal van anderen moeten horen want hij weet het zelf niet meer.
Ten aanzien van onderdeel 2
Klagers celgenoot heeft het braaksel van klager moeten opruimen. Klager heeft van zijn celgenoot gehoord dat het afdelingspersoneel heeft gedreigd om hem naar een afzonderingscel te sturen als hij klagers moeder op de hoogte zou stellen van de reanimatie.
Ten aanzien van onderdeel 3
Bij binnenkomst in DCS heeft klager zijn pleegmoeder opgegeven als noodcontactpersoon. Zijn pleegmoeder is niet gebeld over hetgeen er is gebeurd. Klager kon niets doen en voelde zich niet gehoord. Er wordt volgens hem alleen maar vastgehouden aan procedures. Aangezien één van de medewerkers van DJI dit inhumaan vond, heeft diegene – buiten zijn boekje om – contact opgenomen met klagers pleegmoeder. Klagers pleegmoeder is toen slechts verteld dat klager een hartaanval heeft gehad en in het ziekenhuis lag. Klagers pleegmoeder heeft een dag later gedaan alsof zij op het reguliere bezoekmoment wilde komen in DCS, maar werd door de beveiliging weggestuurd, omdat klager op transport zou zijn. De beveiliging heeft beloofd dat zij de casemanager zou verzoeken om dit op te pakken. De casemanager heeft klagers moeder later echter verteld dat zij geen verzoek heeft ontvangen. Klagers pleegmoeder wist op dat moment niet waar klager was en hoe het met hem ging. Pas twee dagen later heeft klagers pleegmoeder van de medische dienst gesproken. Pas nadat klagers pleegmoeder benadrukte dat het hoofd medische dienst ook een zorgplicht jegens haar heeft, kreeg zij te horen dat klager stabiel was. Er is volgens haar geen sprake van een communicatiefout omdat het hoofd medische dienst heeft aangegeven dat noodcontactpersonen alleen worden gebeld als een gedetineerde is overleden. Klager begrijpt niet dat de medische dienst heeft benoemd dat klager een hartaanval heeft gehad, omdat in zijn medisch dossier staat dat ze niet wisten wat er aan de hand was.
Klagers raadsvrouw brengt daarnaast naar voren dat de directie heeft toegelicht dat zij klagers familie niet gelijk op de hoogte kon stellen omdat de risico’s en klagers delict/achtergrond niet bekend waren. Het is haar echter niet gebleken dat de directie heeft uitgezocht wat wel mogelijk was om te delen. Klagers pleegmoeder is pas twee dagen na het incident op de hoogte gesteld. Er ontbreekt een protocol, terwijl daar wel naar werd verwezen.
Ten aanzien van onderdeel 4
Klager kwam vies en bezweet aan in het ziekenhuis en zijn kleding zat onder het braaksel. De medewerkers van DJI hebben hem gezegd dat hij een OK-jasje aan kon doen en zijn kleding kon wassen in de wasbak. Hij begrijpt niet dat de medewerkers geen kleding hebben meegenomen na een wissel van personeel.
Ten aanzien van onderdeel 5
Klager heeft van de hoofdarts van het ziekenhuis en zijn pleegmoeder vernomen dat DJI druk heeft uitgeoefend op het ziekenhuis om hem zo spoedig mogelijk terug te laten keren naar DCS. Hierdoor zijn niet alle testen uitgevoerd. Daarnaast beweert het hoofd medische dienst dat zij met het ziekenhuis heeft gedeeld dat klager dissocieert, maar het ziekenhuis geeft aan dat zij hiervan niet op de hoogte waren. Klager is kort na zijn terugkomst in DCS overgeplaatst naar een PPC, omdat hij in DCS niet de benodigde zorg kon krijgen.
Ten aanzien van onderdeel 6
Met het ontslag uit het ziekenhuis heeft klager formulieren van de hartlongarts gekregen. De beveiligers hebben de formulieren ingenomen en klager heeft die niet kunnen lezen en niet teruggekregen. Deze formulieren en klagers ontslagbrief staan tevens niet in het medisch dossier van DJI dus hij weet niet welke informatie hij mist. Klager heeft zijn medisch dossier opgevraagd, maar heeft niet het volledige dossier gekregen. Hij zou de correspondentie van het ziekenhuis willen ontvangen.
Het standpunt van de directie
Voor het standpunt van de directie wordt verwezen naar de verweerschriften. Ter zitting heeft de directie hier het volgende aan toegevoegd.
Twee weken geleden heeft er een gesprek plaatsgevonden met klager, klagers pleegmoeder en zijn advocaat. Er zijn keuzes gemaakt die op dat moment, met de beschikbare informatie, het beste leken. In de communicatie hadden bepaalde dingen beter kunnen verlopen.
Ten aanzien van onderdeel 1
Het BHV-alarm is afgegaan, de medische dienst is opgeroepen en klagers reanimatie is gelijk gestart. De directie vraagt zich af hoe klager heeft vastgesteld dat het een kwartier heeft geduurd voordat de medische dienst aanwezig was want dat heeft de directie niet kunnen terugvinden en daarvan lijkt ook geen sprake te zijn geweest. Op het moment dat de medische dienst arriveerde was klager weer bij bewustzijn. De medische dienst heeft vervolgens besloten om een ambulance te bellen.
Ten aanzien van onderdeel 2
Het is bij de directie niet bekend dat er gedreigd zou zijn en wie dit dan gedaan zou hebben. Het personeel heeft klagers celgenoot geholpen met het schoonmaken van de verblijfsruimte. Vanwege de capaciteitsproblematiek was er geen andere verblijfsruimte beschikbaar voor klagers celgenoot. Om die reden was het noodzakelijk om de verblijfsruimte gelijk schoon te maken. Klager kan niet klagen over zijn celgenoot, wat hem niet raakt.
Ten aanzien van onderdeel 3
Het gebeurt vaker dat een gedetineerde naar het ziekenhuis gaat. Er wordt dan eerst uitgezocht wat er aan de hand is. Negen van de tien keer keert de gedetineerde binnen een paar uur weer terug naar DCS. De veiligheidsrisico’s moeten eerst in kaart worden gebracht. Uit rapportages is opgemaakt dat de beveiliging om 17:15 uur heeft verzocht om contact met klagers pleegmoeder op te nemen. Dit verzoek is afgewezen, omdat dat de volgende ochtend zou gebeuren. Er is geen standaardprotocol voor ziekenhuisbezoeken en wanneer ze wel of niet bellen, omdat elke casus verschillend is.
Volgens het hoofd medische dienst lukte het niet om klagers pleegmoeder tijdens het telefoongesprek de procedure uit te leggen. Ze moest zich aan bepaalde procedures houden en heeft het idee dat haar woorden worden verdraaid. Aangezien zij niet wist met wat voor gedetineerde zij te maken had, wilde zij zich strikt aan de regels houden tot ze meer wist. Het enige wat zij wist is dat zij met een gedetineerde te maken had die in het ziekenhuis lag. Ze verdiept zich niet in de delicten waarvoor gedetineerden in DCS zitten, maar in de zorg die ze hen kan bieden. Daarnaast is het niet de taak van de medische dienst om klagers moeder in te lichten, maar die van de casemanager.
Ten aanzien van onderdeel 4
Normaal gesproken verzoekt de bewaking om schone kleding te brengen. De directie begrijpt niet dat de beveiliging wel bereid was om naar klagers pleegmoeder te bellen, maar niet bereid was om naar DCS te bellen voor schone kleding. Er is nooit een verzoek binnengekomen van klager om schone kleding.
Ten aanzien van onderdeel 5
Vanuit DCS is er geen contact gezocht met het ziekenhuis om klager (eerder of zo snel mogelijk) terug te sturen naar DCS. Het contact tussen DCS en het ziekenhuis verloopt via de medische dienst. Het hoofd medische dienst heeft op de eerste of tweede dag contact opgenomen met het ziekenhuis om te vragen of bekend was wanneer klager terug zou komen en of er zorg nodig is voor hem in verband met personeel. Als een gedetineerde wordt ontslagen uit het ziekenhuis, wordt er een ontslagbrief geschreven aan de medische dienst. Soms zit daar vertraging in, met name als iemand aan het eind van de middag wordt ontslagen. Als iemand op vrijdag wordt ontslagen, ontvangt DCS de ontslagbrief vaak pas op maandag.
Ten aanzien van onderdeel 6
Volgens het hoofd medische dienst is het niet standaard dat een ontslagbrief in het medisch dossier zit. Het medisch dossier dat standaard wordt verstrekt, is het huisartsdossier. Het hoofd medische dienst geeft aan dat zij het volledige medisch dossier en de correspondentie van het ziekenhuis aan klagers raadsvrouw zal verstrekken.
De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 42, eerste en derde lid onder b van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft de gedetineerde recht op verzorging door een aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger. De directeur draagt zorg dat de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger op andere tijdstippen dan het spreekuur beschikbaar is, indien dit in het belang van de gezondheid van de gedetineerde noodzakelijk is. Op grond van het vierde lid onder a van de Pbw draagt de directeur zorg voor de verstrekking van de door de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger voorgeschreven medicijnen en diëten. Daarnaast draagt de directeur op grond van het vierde lid onder c van de
Pbw zorg voor de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis dan wel andere instelling, indien de behandeling aldaar plaatsvindt.
Op grond van artikel 44, eerste lid van de Pbw draagt de directeur er zorg voor dat aan de gedetineerde voeding, noodzakelijke kleding en schoeisel worden verstrekt dan wel dat hem voldoende geldmiddelen ter beschikking worden gesteld om hierin naar behoren te voorzien. Het vierde lid bepaalt dat de directeur er zorg voor draagt dat de gedetineerde in staat wordt gesteld zijn uiterlijk en lichamelijke hygiëne naar behoren te verzorgen.
Ten aanzien van onderdeel 1
Ontvankelijkheid
Allereerst moet worden beoordeeld of klager ontvankelijk is in dit onderdeel van zijn beklag. Op grond van artikel 60, eerste lid van de Pbw kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een door of namens de directeur genomen beslissing die hem betreft. Het onthouden van medische zorg kan onder omstandigheden gelijk worden gesteld met een beslissing van de directeur, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw, als sprake is van een beklag met voldoende belang voor de gedetineerde. Daarvan is in beginsel slechts sprake wanneer de directeur volgens de gedetineerde jegens hem “structureel en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken” (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76).
[1]
Weliswaar richt het beklag zich niet tegen een structurele tekortkoming van de directeur, maar dat is in gevallen als deze ook niet goed mogelijk. Het gaat in dit geval echter wel om een belangrijke (vermeende) tekortkoming in de verzorgende taken van de directeur met betrekking tot de toegang tot medische zorg, waartegen naar het oordeel van de beklagcommissie wel moet kunnen worden geklaagd. Gelet hierop zal de beklagcommissie klager ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van zijn beklag.
Inhoudelijke beoordeling
De vraag die de beklagcommissie moet beantwoorden is of de directeur de toegang tot de arts, zoals bedoeld in artikel 42 van de Pbw, in voldoende mate heeft gewaarborgd en daarmee heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Op basis van de stukken stelt de beklagcommissie vast dat er een BHV-alarm is afgegaan, de bewaarders de reanimatie zijn gestart en de medische dienst gelijk is opgeroepen. Of wellicht sneller gereageerd had kunnen worden, is voor de beklagcommissie niet te beoordelen. De beklagcommissie is dan ook van oordeel dat de inrichting adequaat heeft gereageerd. Gelet hierop zal de beklagcommissie dit onderdeel van het beklag ongegrond verklaren.
Ten aanzien van onderdeel 2
Allereerst moet worden beoordeeld of klager ontvankelijk is in dit onderdeel van zijn beklag. De beklagcommissie stelt vast dat dit onderdeel van het klaagschrift is gericht op de wijze waarop klagers celgenoot is bejegend. De beklagcommissie is van oordeel dat klager zich hiermee niet beklaagt over een beslissing van de directeur die hem betreft als bedoeld in artikel 60 van de Pbw.
Gelet op het voorgaande is de beklagrechter van oordeel dat klager niet-ontvankelijk is in dit onderdeel van zijn beklag. Dit betekent dat de klacht verder niet inhoudelijk zal worden beoordeeld.
Ten aanzien van onderdeel 3 en 4
Ontvankelijkheid
Allereerst moet worden beoordeeld of klager ontvankelijk is in deze onderdelen van zijn beklag. Een schending van de zorgplicht ten aanzien van de persoonlijke verzorging kan onder omstandigheden gelijk worden gesteld met een beslissing van de directeur, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw, als sprake is van een beklag met voldoende belang voor de gedetineerde. Daarvan is in beginsel slechts sprake wanneer de directeur volgens de gedetineerde jegens hem “structureel en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken” (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76).
Het beklag richt zich niet tegen een structurele tekortkoming van de directeur, maar dat is in gevallen als deze ook niet goed mogelijk. Het gaat in dit geval echter wel om een belangrijke (vermeende) tekortkoming met betrekking tot de persoonlijke verzorging van klager, waartegen naar het oordeel van de beklagcommissie wel moet kunnen worden geklaagd. Gelet hierop zal de beklagcommissie klager ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van zijn beklag.
Inhoudelijke beoordeling
De vraag die de beklagcommissie moet beantwoorden is of de directeur klagers persoonlijke verzorging, zoals bedoeld in artikel 44, eerste en vierde lid, van de Pbw, in voldoende mate heeft gewaarborgd en daarmee heeft voldaan aan zijn zorgplicht.
De beklagcommissie stelt vast dat niemand klager schone kleding heeft gebracht tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis en dat klager niet over persoonlijke verzorgingsproducten beschikte. De beklagcommissie merkt hierover op dat als klager contact had mogen hebben met zijn pleegmoeder, zij zorg had kunnen dragen voor verzorgingsproducten en schone kleding. Aangezien de inrichting hier geen toestemming voor heeft gegeven, had de inrichting zorg moeten dragen voor de persoonlijke verzorging van klager, waar hij op grond van artikel 44 van de Pbw recht op heeft. Door dit na te laten heeft de inrichting niet voldaan aan de zorgplicht met betrekking tot persoonlijke verzorging.
De beklagcommissie stelt daarnaast vast dat klagers pleegmoeder niet binnen aanzienbare tijd op de hoogte is gesteld van klagers reanimatie en plaatsing in het ziekenhuis. Klager mocht geen telefonisch contact onderhouden met zijn pleegmoeder of bezoek ontvangen in het ziekenhuis. De beklagcommissie overweegt dat een bel- en bezoekverbod omstreeks een ziekenhuisbezoek in sommige gevallen gerechtvaardigd kan zijn.
[2] In het geval van klager is echter geen sprake van een gepland ziekenhuisbezoek, maar van een spoedgeval. De beklagcommissie stelt vast dat klagers pleegmoeder twee dagen na klagers reanimatie pas contact heeft kunnen krijgen met de medische dienst. Naar het oordeel van de beklagcommissie is op basis van de stukken en hetgeen naar voren is gebracht ter zitting niet gebleken dat de directeur voldoende inspanningen heeft verricht om te onderzoeken op welke wijze klagers pleegmoeder zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht had kunnen worden en contact met klager mogelijk te maken. Gelet hierop is de beklagcommissie van oordeel dat de directie zijn zorgplicht heeft geschonden.
Gelet op het voorgaande zal de beklagcommissie onderdeel 3 en onderdeel 4 van het beklag gegrond verklaren. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval zal de beklagcommissie aan klager een tegemoetkoming toekennen van € 100,00.
Ten aanzien van onderdeel 5
Bevoegdheid
Allereerst is dit klachtonderdeel gericht tegen de omstandigheid dat
het ziekenhuis slechts beschikking had over een beperkt, afgeschermd patiëntendossier. De beklagcommissie overweegt dat de medische dienst verantwoordelijk is voor de overdracht van medische gegevens.[3] Om die reden is de beklagcommissie van oordeel dat dit klachtonderdeel is gericht tegen het handelen door of namens de inrichtingsarts. Gelet hierop zal de beklagcommissie zich
onbevoegd verklaren om kennis te nemen van dit klachtonderdeel.
Ontvankelijkheid
Allereerst moet worden beoordeeld of klager ontvankelijk is in dit onderdeel van zijn beklag. Op grond van artikel 60, eerste lid van de Pbw kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een door of namens de directeur genomen beslissing die hem betreft. Het onthouden van medische zorg kan onder omstandigheden gelijk worden gesteld met een beslissing van de directeur, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw, als sprake is van een beklag met voldoende belang voor de gedetineerde. Daarvan is in beginsel slechts sprake wanneer de directeur volgens de gedetineerde jegens hem “structureel en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken” (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76).
[4]
Weliswaar richt het beklag zich niet tegen een structurele tekortkoming van de directeur, maar dat is in gevallen als deze ook niet goed mogelijk. Het gaat in dit geval echter wel om een belangrijke (vermeende) tekortkoming in de verzorgende taken van de directeur met betrekking tot de medische verzorging, waartegen naar het oordeel van de beklagcommissie wel moet kunnen worden geklaagd. Gelet hierop zal de beklagcommissie klager ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van zijn beklag.
Inhoudelijke beoordeling
De beklagcommissie is van oordeel dat op basis van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, onvoldoende aannemelijk is geworden dat de directie van DCS druk op de artsen van het ziekenhuis heeft uitgeoefend om klager zo snel mogelijk terug te laten gaan naar DCS. De beklagcommissie neemt daarbij in acht dat het gangbaar is dat mensen pas uit het ziekenhuis worden ontslagen zodra dit medisch mogelijk is. De beklagcommissie merkt daarnaast op dat de directie logischerwijs op enig moment heeft geïnformeerd hoe lang klager nog in het ziekenhuis zou moeten verblijven in verband met het eventueel nodige personeel. Gelet hierop zal de beklagcommissie dit onderdeel van het beklag ongegrond verklaren.
Ten aanzien van onderdeel 6
Bevoegdheid
Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van de beklagcommissie gericht tegen het handelen door of namens de inrichtingsarts. Gelet hierop zal de beklagcommissie zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van dit klachtonderdeel.
BESLISSING
De beklagcommissie verklaart:
- het beklag ten aanzien van onderdeel 1 ongegrond;
- het beklag ten aanzien van onderdeel 2 niet-ontvankelijk;
- het beklag ten aanzien van onderdeel 3 gegrond;
- het beklag ten aanzien van onderdeel 4 gegrond;
- het beklag ten aanzien van onderdeel 5 gedeeltelijk onbevoegd en gedeeltelijk ongegrond;
- zich onbevoegd om kennis te nemen van onderdeel 6 van het beklag;
- kent aan klager een tegemoetkoming toe van € 100,00.
Aldus gegeven op 12 februari 2026 door mw. mr. F.E. Leeman (voorzitter), mw. mr. R. Ockeloen en mw. mr. drs. E. Legters (leden), bijgestaan door de secretaris mw. mr. W.G.H. Poort.
[1] RSJ 23/38976/GA, 10 april 2025, beroep.
[2] RSJ 13 februari 2023, R-20/7575/GA en RSJ 9 augustus 2023, 22/30058/GA.
[3] RSJ 24 oktober 2016, 16/2388/GM.
[4] RSJ 23/38976/GA, 10 april 2025, beroep.