KC 2026/005

Klager meent te lang in een huis van bewaring te verblijven en meent dat de casemanager onvoldoende voortvarend handelt bij zijn detentiefasering. Klager verbleef echter op een arrestantenafdeling, met een maximaal verblijf van 56 dagen. Indien de directie tijdig een selectieadvies voor overplaatsing aanbiedt, voldoet de directie in dat geval aan haar zorgplicht. Het selectieadvies is in dit geval tijdig aangeboden en de beklagrechter verklaart deze klacht ongegrond. Verder stelt de beklagrechter vast dat de directie de stelling van klager dat de casemanager onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld, onderbouwd heeft weersproken, terwijl klager zijn klacht niet concreet heeft gemaakt. De beklagrechter oordeelt dat ook hier de zorgplicht niet is geschonden en verklaart de klacht ongegrond.

UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ JUSTITIEEL COMPLEX ZEIST

1. De procedure

De beklagrechter heeft kennisgenomen van de klacht van:

[…], verder te noemen klager en op dit moment verblijvende in de PI Middelburg.

De klacht is gericht tegen:

  • onvoldoende voortvarend, dan wel onzorgvuldig, handelen van de casemanager (X);
  • verzuim van de directie om klager in het juiste regime te plaatsen (Y).

De beklagrechter heeft kennisgenomen van de in bijlage 1 genoemde informatie. De beklagrechter van de beklagcommissie zal als alleensprekend beklagrechter de klacht afdoen.[1] De beklagrechter acht zich daarnaast op basis van de stukken voldoende geïnformeerd. Er zal geen mondelinge behandeling plaatsvinden.[2]

2. De standpunten in de beklagprocedure

Het standpunt van klager
Voor het standpunt van klager wordt verwezen naar de klachten.

Het standpunt van de directeur
Voor het standpunt van de directie wordt verwezen naar de verweerschriften.

3. De beoordeling

Klager klaagt over het onvoldoende voortvarend handelen van de casemanager ten aanzien van zijn detentiefasering en over de omstandigheid dat hij niet in het juiste regime is geplaatst. De beklagrechter zal in verband met de begrijpelijkheid eerst ingaan op het laatste klachtonderdeel.

Verkeerde regime (Y)
Volgens klager verblijft hij te lang in een huis van bewaring. Klager is inmiddels afgestraft en zou moeten worden overgeplaatst. De directie stelt dat klager niet verblijft in een huis van bewaring maar op een zogenoemde arrestantenafdeling.

De beklagrechter is er ambtshalve mee bekend dat klager ten tijde van de klacht op een arrestantenafdeling verbleef. Dat is dus geen huis van bewaring, maar een afdeling voor afgestrafte gedetineerden met een sober regime, waarvoor een maximaal verblijf geldt van 56 dagen.[3] Binnen deze acht weken dient door de directeur, in de praktijk door de casemanager, aan de selectiefunctionaris een verzoek te worden gedaan tot overplaatsing door middel van een selectieadvies. Dit valt onder de zorgplicht van de directeur. Indien het selectieadvies tijdig is aangeboden, gaat de verantwoordelijkheid over op de selectiefunctionaris.

De Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (RSJ) heeft geoordeeld dat de directie in dit kader aan de zorgplicht heeft voldaan als binnen redelijke termijn het selectieadvies wordt ingediend bij de selectiefunctionaris.[4] In dat kader geldt dat het voor een inrichting in de regel direct al duidelijk is of een arrestant een detentie van langer dan acht weken moet ondergaan. Als dat het geval is, dient er binnen een redelijke termijn een MDO te worden gehouden en kan bijvoorbeeld niet worden gewacht tot de (gebruikelijke) zesde week. Het eventuele uitblijven van een tijdige overplaatsing, valt niet onder de zorgplicht van de directeur. Indien het selectieadvies tijdig is aangeboden, gaat de verantwoordelijkheid over op de selectiefunctionaris.

In het onderhavige geval stelt de beklagrechter vast dat klager op 14 april 2025 op de arrestantenafdeling van JC Zeist is geplaatst. Op 8 juni 2025 verbleef klager derhalve 56 dagen op de arrestantenafdeling. Het selectieadvies is op 28 april 2025 aangeboden aan de selectiefunctionaris. Dat is dus na veertien dagen verblijf van klager op de arrestantenafdeling. De beklagrechter is van oordeel dat de directie daarmee voldoende voortvarend heeft gehandeld en de zorgplicht in dit kader niet is geschonden. De beklagrechter zal deze klacht daarom ongegrond verklaren. 

Onvoldoende voortvarend handelen van de casemanager (X)
Klager klaagt er ook over dat de casemanager onvoldoende voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van de detentiefasering van klager. Klager stelt dat de casemanager onwetend is over het faseringstraject en daarom klager hier niet bij kan helpen. Klager zou daardoor op geen enkele wijze in zijn fasering worden gefaciliteerd.

De directeur is verantwoordelijk voor de werkzaamheden van de casemanager. Het handelen of nalaten van de casemanager is daarom aan de directeur toe te rekenen en valt onder de zorgplicht van de directeur. Omdat de casemanager bij het invullen van de detentiefasering ook afhankelijk is van andere instanties, moet de casemanager steeds enige tijd worden gegeven voor het regelen van bepaalde zaken. Daarnaast heeft de gedetineerde ook zelf een verantwoordelijkheid in zijn traject. Bijvoorbeeld in het aanleveren van noodzakelijke informatie, maar ook in hoeverre medewerking wordt verleend bij een voorgestelde invulling van het traject. Van geval tot geval dient daarom te worden beoordeeld of er sprake is van adequaat handelen, dan wel nalaten van de casemanager.

De beklagrechter stelt vast dat de directie de stelling van klager dat hij op geen enkele wijze in zijn fasering wordt gefaciliteerd, onderbouwd heeft weersproken. In het verweerschrift worden verschillende handelingen, onder vermelding van data, beschreven die, in overleg met klager, door de casemanager zijn verricht tot aan de overplaatsing van klager op 12 september 2025. Dit terwijl klager zijn standpunt dat sprake zou zijn van onvoldoende voortvarend handelen verder in het geheel niet nader heeft geconcretiseerd of gemotiveerd.

Gelet op het voorgaande is de beklagrechter van oordeel dat in dit geval niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van niet adequaat handelen, dan wel nalaten van de casemanager. De zorgplicht is zodoende niet geschonden. De klacht zal daarom ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak

De beklagrechter verklaart:

  • de klacht over verzuim van de directie om klager in het juiste regime te plaatsen ongegrond (Y);
  • de klacht over het onvoldoende voortvarend, dan wel onzorgvuldig, handelen van de casemanager ongegrond (X).

Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2026 door mr. E. Hullegie, beklagrechter, bijgestaan door mr. S. van den Heerik, secretaris.

[1] Vgl. artikel 62 lid 2 Pbw.

[2] Vgl. artikel 64 lid 1 Pbw.

[3] Regeling van de Minister van Justitie van 6 november 2013, Stcrt. 2013, 33232, p. 1.

[4] Onder andere RSJ 11 augustus 2022, 21/23779/GA.