KC 2026/002

Klager is het niet eens met de beslissing om aan hem een ordemaatregel op te leggen van zeven dagen plaatsing in afzondering onder cameratoezicht. De beklagrechter is van oordeel dat de directeur aan klager de ordemaatregel in redelijkheid kon opleggen, de maatregel was passend en niet langer dan noodzakelijk. Wel heeft de directeur verzuimd de gedetineerde vooraf te horen, terwijl dit verplicht is bij het opleggen van cameratoezicht. De toepassing van cameratoezicht behoort namelijk niet tot de limitatieve opsomming van artikel 57 lid 3 Pbw op grond waarvan het horen achterwege kan blijven indien de vereiste spoed zich daartegen verzet of de gemoedstoestand van de gedetineerde daaraan in de weg staat. De klacht wordt daarom gegrond verklaard vanwege vormverzuim en de beslissing wordt vernietigd onder toekenning van een tegemoetkoming van € 12,50.

UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE VAN DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ JUSTITIEEL COMPLEX ZEIST
 
  1. De procedure
De alleensprekende beklagrechter heeft kennisgenomen van de klacht van:
 
[…], verder te noemen klager en op dit moment niet meer gedetineerd.
Klager wordt bijgestaan door mr. J. El Haddouchi.
 
De klacht is gericht tegen de beslissing van de directeur van 1 juli 2025 om aan klager een ordemaatregel op te leggen van zeven dagen afzondering in een afzonderingscel, onder cameratoezicht.
 
De directeur heeft schriftelijk gereageerd. Klager heeft een kopie daarvan ontvangen. De klacht is behandeld op de beklagzitting van 9 oktober 2025 in Justitieel Complex Zeist, waarbij aanwezig waren klagers raadsman, J. Meusen (plv. vestigingsdirecteur) en R. van der Lit (juridisch medewerker).
 
De beklagrechter heeft kennisgenomen van de in bijlage 1 genoemde informatie.
 
    2. De standpunten in de beklagprocedure
Het standpunt van klager
Voor het standpunt van klager wordt verwezen naar de klacht. Ter zitting heeft klager hier het volgende aan toegevoegd.
 
Ook het verweer van de directie maakt niet duidelijk waarom deze maatregel noodzakelijk was. Er was geen sprake van een onrustige gemoedstoestand. Klager had enkel in de avond wat papieren verscheurd en in zijn cel op de grond gegooid. Toen de bewaarders dat de volgende ochtend zagen, werd klager in afzondering geplaatst. Dat leek voor klager dus de aanleiding.
 
Er is afgezien van horen, terwijl je daar bij het opleggen van cameratoezicht op grond van artikel 57 Penitentiaire beginselenwet (Pbw) niet van af mag zien. Klager blijft er ook bij dat hij die zondag en maandag geen psycholoog heeft gezien. Het is onduidelijk of een arts of gedragsdeskundige is geraadpleegd.
 
Het standpunt van de directeur
Voor het standpunt van de directie wordt verwezen naar het verweerschrift. Ter zitting heeft de directie hier het volgende aan toegevoegd.
 
Klager is voorafgaand aan de oplegging van de ordemaatregel gezien door de psycholoog. Die heeft de directie geadviseerd de ordemaatregel op te leggen en afgeraden om klager te horen. De directie was er niet mee bekend dat bij de oplegging van cameratoezicht niet van horen mag worden afgezien. Dagelijks is door in ieder geval een verpleegkundige bekeken of de ordemaatregel nog diende voort te duren en deze is vrij snel weer opgeheven. Er is dus wel maatwerk toegepast.
 
Een onrustige gemoedstoestand houdt in dit geval in dat klager onrustig was en niet goed aanspreekbaar. Volgens inlichtingen van de psycholoog van 30 juni 2025 hoorde klager stemmen. Klager veroorzaakte ook geluidsoverlast en zocht de confrontatie met personeel en medegedetineerden. Horen zou volgens de psycholoog tot meer onrust leiden, daarom is daar van afgezien.
 
  1. De beoordeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 23 samen met artikel 24 Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan de directeur een gedetineerde in afzondering plaatsen indien dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en/of ter bescherming van de betrokken gedetineerde noodzakelijk is. De directeur kan op grond van artikel 24a Pbw bepalen dat de gedetineerde die in een afzonderingscel verblijft, dag en nacht door middel van een camera wordt geobserveerd, indien dit ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de gedetineerde noodzakelijk is. Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
 
De bij de directeur neergelegde beslissingsbevoegdheid tot het opleggen van een ordemaatregel verplicht de directeur tot het maken van een eigen belangenafweging, die voldoende inzichtelijk gemotiveerd moet zijn.[1] Een ordemaatregel duurt voort zolang die noodzakelijk is en dient te worden beëindigd zodra dat mogelijk en verantwoord is. De directeur dient tussentijds te toetsen of de voortduring van de maatregel noodzakelijk is.[2]
 
Op grond van artikel 57 lid 1, aanhef en onder c en j Pbw stelt de directeur de gedetineerde in de gelegenheid te worden gehoord, zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal, voordat hij beslist over een ordemaatregel van plaatsing in afzondering, met toepassing van cameratoezicht, zoals bedoeld in de artikelen 24 lid 1 en 24a lid 1 Pbw. Uit artikel 57 lid 3 volgt een limitatieve opsomming aan beslissingen waarbij kan worden bepaald dat het horen van de gedetineerde achterwege kan blijven indien de vereiste spoed zich daartegen verzet of de gemoedstoestand van de gedetineerde daaraan in de weg staat. Artikel 57 lid 1, aanhef en onder j Pbw – dat ziet op de oplegging van cameratoezicht, zoals bedoeld in de artikelen 24a lid 1 Pbw – behoort niet tot die limitatieve opsomming aan uitzonderingsgevallen op de hoorplicht.
 
Inhoudelijke beoordeling
Feiten en omstandigheden
Op 30 juni 2025 is aan klager een ordemaatregel opgelegd van zeven dagen afzondering in een afzonderingscel, met cameratoezicht. Per 3 juli 2025 heeft klager overdag weer deelgenomen aan het dagprogramma en heeft hij in de nacht nog onder cameratoezicht in de afzonderingscel verbleven. Per 4 juli 2025 is de ordemaatregel opgeheven.
 
Motivering
Klager vindt dat de ordemaatregel onvoldoende is gemotiveerd, met enkel algemene termen. De beklagrechter stelt vast dat in de schriftelijke beslissing is opgenomen dat de ordemaatregel met cameratoezicht wordt opgelegd gelet op de gemoedstoestand van klager. Klager is in toenemende mate onrustig en is bekend met psychiatrische problematiek. De psycholoog heeft de directeur geadviseerd om klager in een afzonderingscel onder cameratoezicht te plaatsen, omdat deze verblijf in een rustige en prikkelarme ruimte noodzakelijk vond vanwege de gemoedstoestand van klager.
 
De beklagrechter is van oordeel dat de ordemaatregel hiermee voldoende is gemotiveerd. Het is ook niet onbegrijpelijk dat in het kader van het medisch beroepsgeheim de medische situatie van klager in de beslissing niet nader is omschreven. Het opleggen van een ordemaatregel aan klager is naar het oordeel van de beklagrechter dan ook niet onredelijk of onbillijk. Ook heeft de ordemaatregel niet onredelijk lang of langer geduurd dan noodzakelijk. Op dag drie heeft klager enkel nog de nacht in de afzonderingscel doorgebracht en op dag vier is de ordemaatregel beëindigd.
 
Advies inwinnen gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts
Klager stelt dat voor de oplegging van de ordemaatregel geen arts is geraadpleegd. Zoals ook volgt uit het juridisch kader, is voor de oplegging van een ordemaatregel op zich - of de voortduring daarvan – op grond van artikel 23 samen met artikel 24 Pbw geen advies van een gedragsdeskundige of arts vereist. De directeur kan beslissen tot oplegging van een ordemaatregel en dient te beoordelen of voortzetting nog noodzakelijk is.
 
Voor het oplegging van cameratoezicht dient op grond van artikel 24a Pbw voor oplegging wel het advies van een gedragsdeskundige of arts te worden ingewonnen, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de beklagrechter aannemelijk geworden dat voorafgaand aan het opleggen van cameratoezicht advies is ingewonnen. Blijkens de schriftelijke mededeling van de ordemaatregel is zowel de ordemaatregel als de toepassing van cameratoezicht volgens de directeur immers opgelegd omdat de psycholoog dit heeft geadviseerd. Daarmee is voldaan aan de eis van artikel 24a van de Pbw.
 
Horen
Uit de schriftelijke mededeling blijkt dat de directeur klager niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de ordemaatregel met cameratoezicht. Hierin is opgenomen dat de psycholoog de directeur heeft geadviseerd om klager niet te horen, gelet op zijn onrustige gemoedstoestand. Klager is beoordeeld en gesproken door de psycholoog en de directeur acht het van belang om het advies – om klager niet te horen - over te nemen.
 
Naar het oordeel van de beklagrechter miskent de directeur hiermee dat het voorafgaand aan de beslissing horen van klager uitdrukkelijk aan de directeur of zijn plaatsvervanger is voorbehouden.[3] Ook behoort de toepassing van cameratoezicht niet tot de limitatieve opsomming van artikel 57 lid 3 Pbw op grond waarvan het horen achterwege kan blijven indien de vereiste spoed zich daartegen verzet of de gemoedstoestand van de gedetineerde daaraan in de weg staat.[4] Het niet horen van klager levert dan ook een formeel gebrek op.
 
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de klacht gegrond worden verklaard vanwege vormverzuim. De directie had niet mogen afzien van het horen van klager. Uit het voorgaande volgt ook dat de directie voldoende reden had tot oplegging van de ordemaatregel. De ordemaatregel is ook niet langer dan noodzakelijk ten uitvoer gelegd en eerder beëindigd. De beklagrechter houdt daar rekening mee bij het bepalen van de tegemoetkoming en zal aan klager een tegemoetkoming toekennen van € 12,50.
 
  1. De uitspraak
De beklagrechter verklaart de klacht gegrond, vernietigt de beslissing en kent aan klager een tegemoetkoming toe van € 12,50.           
 

Deze uitspraak is gedaan op 25 november 2025 door mr. A.M. Buijs, beklagrechter, bijgestaan door mr. S. van den Heerik, secretaris, en ondertekend op 25 november 2025.



[1] RSJ 19 april 2017, 17/0220/GA.
[2] RSJ 13 maart 2018, 17/2737/GA.
[3] RSJ 7 augustus 2002, 02/0507/GA en RSJ 30 mei 2023, 21/23553/GA.
[4] Vergelijk RSJ 10 december 2021, R-20/8084/GA.