KC 2025/022

Klacht 1 gaat om een algehele bezoekontzegging van een week, omdat klager een bezoeker ontving aan wie een bezoekontzegging was opgelegd. De beklagrechter oordeelt dat de Pbw geen mogelijkheid biedt voor een algehele bezoekontzegging als disciplinaire straf. De beklagrechter verklaart deze klacht gegrond. Klacht 2 betreft het ontbreken van sport- en recreatiemogelijkheden op 19 augustus 2025, omdat klager op grond van het bewaardersarrest werd ingesloten. Naar het oordeel van de beklagrechter is niet gebleken dat het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in het geding was waardoor klager bij het aanzeggen van het schriftelijk verslag onverwijld in een afzonderingscel geplaatst zou moeten worden. Ook dit beklag is gegrond verklaard. De beklagrechter kent een tegemoetkoming van €25,- toe.

DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ
HET DETENTIECENTRUM SCHIPHOL
 
De alleensprekende beklagrechter uit de beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij het Detentiecentrum Schiphol (DCS) heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:
 
[…], verder te noemen klager en momenteel verblijvende in Justitieel Complex Zaanstad.
 
Het klaagschrift is gericht tegen:
-        de beslissing van de directeur van 19 augustus 2025 om aan klager een algehele bezoekontzegging van een week op te leggen vanwege het ontvangen van een bezoeker aan wie een bezoekontzegging was opgelegd (klacht 1);
-        de omstandigheid dat klager op 19 augustus 2025 geen sport en recreatie heeft gehad omdat hij was ingesloten in afwachting van de afhandeling van het schriftelijk verslag (klacht 2).
 
Klager wordt in deze procedure bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B.M. Loef. De directeur heeft schriftelijk gereageerd op de klacht. Klager heeft van deze reactie kennis kunnen nemen. De klacht is behandeld op een beklagzitting, in aanwezigheid van klagers raadsvrouw en namens de directie, dhr. […] (plv. vestigingsdirecteur) en mw. […] (juridisch medewerker).
 
In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagrechter kennisgenomen van de volgende informatie:
-        klaagschriften gedateerd 19 augustus 2025, door het secretariaat ontvangen op 27 augustus 2025;
-        aanvullende klaagschriften van 9, 17 en 24 november 2025, door het secretariaat ontvangen op 9, 17 en 24 november 2025;
-        verslag van de maandcommissaris van het gesprek met klager op 29 augustus en 17 september 2025;
-        verweerschrift van de directeur van 29 september 2025;
-        aanvullend verweerschrift van de directeur van 14 en 17 november 2025;
-        het verhandelde ter zitting van 10 november 2025, hieronder kort uiteengezet voor zover niet gebleken uit de schriftelijke bescheiden.
 
Het standpunt van klager
Voor het standpunt van klager wordt verwezen naar de (aanvullende) klaagschriften en het verslag van de maandcommissaris. Ter zitting is hier namens klager het volgende aan toegevoegd.
 
Ten aanzien van klacht 1:
In de disciplinaire straf staat vermeld dat klager bezoek heeft ontvangen van zijn zus, ondanks dat zijn zus een bezoekontzegging had. Klager ontkent dat zijn zus op bezoek is geweest en stelt dat zijn dochter op bezoek is geweest. In het afschrift van het bezoekdocument staat een documentnummer van het paspoort van de bezoeker vermeld. Dit nummer komt niet overeen met het documentnummer van het paspoort van de zus van klager. Een kopie van het paspoort van de zus van klager is ter onderbouwing per mail overgelegd. Dit bevestigt dat klagers zus niet op bezoek is geweest op 19 augustus 2025. Dit was bovendien niet mogelijk geweest, aangezien klagers zus op dat moment in het gemeentehuis was.
 
Daarnaast staat in het schriftelijk verslag vermeld dat klager foutieve informatie verstrekt zou hebben. Dit zou moeten zien op de inschrijving van klagers bezoek. Er zou nagegaan kunnen worden wie klager van tevoren als bezoeker heeft ingeschreven. Het onderzoek van het afdelingshoofd waaruit is gebleken dat klagers zus op bezoek is geweest, blijkt bovendien niet uit de stukken. Klager heeft bovendien verzocht om de camerabeelden te bekijken. Uit de stukken blijkt niet dat dit is gebeurd.
 
Tot slot wordt namens klager aangevoerd dat artikel 51 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) bij de oplegging van de disciplinaire straf aan klager is gebruikt voor een te ruime toepassing. Een bezoekontzegging kan slechts worden opgelegd ten aanzien van één of meerdere personen. De oplegging van een algehele bezoekontzegging is dus niet mogelijk.  
 
Het standpunt van de directie
Voor het standpunt van de directie wordt verwezen naar de (aanvullende) verweerschriften. Ter zitting heeft de directie hier het volgende aan toegevoegd.
 
Ten aanzien van klacht 2:
Volgens de directie is klagers zus als bezoeker ingeschreven op 19 augustus 2025. Elke bezoeker wordt handmatig opnieuw ingevoerd in het systeem. Het is daarom niet aannemelijk dat het personeel een verkeerde naam heeft ingevuld. Het afwijkende documentnummer op de kopie van het paspoort is volgens de directie mogelijk gelegen in het feit dat klagers zus is ingeschreven met een identiteitsbewijs. Dat zou betekenen dat het dienstdoende personeel per abuis ‘pp’ in plaats van ‘id’ heeft aangeklikt tijdens het inschrijfproces.
 
Voor het personeel dat de bezoekers inschrijft is niet duidelijk welke bezoekers een bezoekontzegging hebben. Het is de verantwoordelijkheid van de gedetineerde om ervoor te zorgen dat bezoekers met een bezoekontzegging niet op bezoek komen.
 
De beslissing tot oplegging van een disciplinaire straf inhoudende een algehele bezoekontzegging van een week is op 19 augustus 2025 genomen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar was. Met de informatie die er op dat moment was, is de beslissing op goede gronden genomen. De camerabeelden zijn niet bekeken. Aangezien het systeem wordt gewist in verband met de privacy is klagers inschrijving van zijn bezoekers niet meer beschikbaar.
 
De beoordeling
Ten aanzien van klacht 1:
Ontvankelijkheid
Klager heeft zijn beklag gedaan binnen de wettelijke termijn en gegrond op artikel 60 van de Pbw, zodat hij ontvankelijk is in zijn beklag.
 
Inhoudelijke behandeling
Het klaagschrift is allereerst gericht tegen de beslissing van de directeur van 19 augustus 2025 om aan klager een algehele bezoekontzegging van een week op te leggen vanwege het ontvangen van een bezoeker aan wie een bezoekontzegging was opgelegd.  
 
Op grond van artikel 38, eerste lid, van de Pbw heeft een gedetineerde het recht om minimaal één uur per week bezoek te ontvangen. Op grond van artikel 38, derde lid, jo. artikel 36, vierde lid, van de Pbw kan de directeur de toelating tot de gedetineerde van een bepaald persoon of van bepaalde personen voor ten hoogste twaalf maanden weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op:
a.     de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b.     de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;
c.     de voorkoming of opsporing van strafbare feiten;
d.     de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven.
 
Uit artikel 21, tweede lid, van de Regeling straf- en afzonderingscel penitentiaire inrichtingen volgt dat de directeur het recht van de gedetineerde om bezoek te ontvangen van persoonlijke relaties slechts kan beperken indien het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, dan wel de gedragingen, lichamelijke of gemoedstoestand van de gedetineerde zulks noodzakelijk maken en de gedetineerde in een straf- of afzonderingscel verblijft. 
 
Uit de Memorie van toelichting op artikel 38 van de Pbw volgt dat een algeheel bezoekverbod (in de zin van: deze gedetineerde mag geen bezoek ontvangen), niet mogelijk is. Wel kunnen aan gedetineerden in bijzondere situaties vergaande beperkingen worden opgelegd. Het gaat dan om gedetineerden die zich in de afzonderingscel bevinden ingevolge artikel 24, tweede lid, dan wel ten aanzien van wie een disciplinaire straf in de strafcel ten uitvoer wordt gelegd (zie artikel 55, eerste lid).[1]
 
Op grond van artikel 51, eerste lid onder b, jo. artikel 50, eerste lid, van de Pbw kan de directeur wegens het begaan van feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming een disciplinaire straf opleggen inhoudende ontzegging van bezoek voor ten hoogste vier weken, indien het feit plaatsvond in verband met bezoek van die persoon of personen.
 
Uit de Memorie van toelichting op dit artikel volgt dat de directeur niet slechts bij wijze van straf een gedetineerde een bepaald contact met buiten kan ontzeggen. Een dergelijke beperking kan om andere dan punitieve redenen noodzakelijk zijn in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.[2]
 
Gelet op het voorgaande is de beklagrechter van oordeel dat de Pbw geen mogelijkheid biedt om een algehele uitsluiting van het bezoek op te leggen als disciplinaire straf.[3] De beklagrechter zal het beklag derhalve gegrond verklaren.
 
Ten aanzien van klacht 2:
Ontvankelijkheid
Klager heeft zijn beklag gedaan binnen de wettelijke termijn en gegrond op artikel 60 van de Pbw, zodat hij ontvankelijk is in zijn beklag.
 
Inhoudelijke behandeling
Klager beklaagt zich daarnaast over de omstandigheid dat hij op 19 augustus 2025 geen sport en recreatie heeft gehad omdat hij was ingesloten in afwachting van de afhandeling van het schriftelijk verslag.
 
Op grond van artikel 24, vierde lid, jo. artikel 23, eerste lid, onder a van de Pbw kan een ambtenaar of medewerker een gedetineerde voor een periode van ten hoogste vijftien uur in afzondering plaatsen (het zogenaamde bewaardersarrest) indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de afzondering op grond van het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming geboden is. De directeur wordt van deze plaatsing onverwijld op de hoogte gesteld.
 
Op basis van de stukken stelt de beklagrechter vast dat klager op 19 augustus omstreeks 12.55 uur bezoek zou hebben ontvangen van een bezoeker met een bezoekontzegging. Om 15.00 uur is klager ingesloten in afwachting van de afhandeling van zijn aangezegde en opgemaakte schriftelijk verslag. Diezelfde dag om 16.30 uur is aan klager een disciplinaire straf opgelegd. Deze disciplinaire straf is om 17.05 uur aan klager uitgereikt. Als gevolg van deze insluiting heeft klager een deel van zijn recreatie en de sportactiviteit gemist.
 
Naar het oordeel van de beklagrechter is niet gebleken dat het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in het geding was waardoor klager bij het aanzeggen van het schriftelijk verslag onverwijld in een afzonderingscel geplaatst zou moeten worden.[4] Klager had immers recreatie. De directeur had het verslag daar kunnen afhandelen. Nu klager op basis van het bewaardersarrest is ingesloten in een afzonderingscel, zonder dat hier kennelijk aanleiding voor was, zal het beklag gegrond worden verklaard.
 
Tegemoetkoming
Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, kent de beklagrechter aan klager een tegemoetkoming toe conform de standaardbedragen van de RSJ. De beklagrechter stelt de tegemoetkoming vast op €25,-.
 
BESLISSING
De beklagrechter verklaart:
-        het beklag ten aanzien van klacht 1 gegrond;
-        het beklag ten aanzien van klacht 2 gegrond;
-        kent aan klager een tegemoetkoming toe van €25,-.
 
Aldus gegeven op 10 december 2025 door mw. mr. E.P.N. Pieterse, beklagrechter, bijgestaan door mw. mr. W.G.H. Poort, secretaris.
 


[1] Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24 263, nr. 3, p. 58.
[2] Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24 263, nr. 3, p. 69.
[3] RSJ 8 juli 2008, 08/0883/GA, RSJ 9 augustus 2023, 22/30058/GA en RSJ 12 augustus 2025, 25/46037/GA.
[4] RSJ 8 augustus 2017, 17/1176/GA.