KC 2025/021
Klager maakt bezwaar tegen een opgelegde disciplinaire straf wegens het opdracht geven tot invoer van drugs via een medegedetineerde en tegen het opnemen en terugluisteren van zijn telefoongesprekken. De directie stelt dat gesprekken kunnen worden afgeluisterd gezien de orde en veiligheid binnen de inrichting en dat gesprekken binnen DCS standaard worden bewaard. Zij erkent dat er geen voorafgaande mededeling is gedaan. Met betrekking tot de disciplinaire straf oordeelt de commissie dat deze terecht is opgelegd, omdat uit het uitgeluisterde telefoongesprek volgt dat klager opdracht gaf tot invoer van drugs via een medegedetineerde. Dit telefoongesprek mag meewegen voor de straf, nu een vormverzuim niet tot bewijsuitsluiting hoeft te leiden. Wel is de straf onterecht met terugwerkende kracht opgelegd, waardoor het beklag formeel gegrond is. Over het opnemen en terugluisteren van de telefoongesprekken concludeert de beklagcommissie dat in de betreffende inrichting (beveiligingsniveau twee) geen wettelijke grondslag is voor het standaard opnemen van alle telefoongesprekken. Bovendien is klager niet geïnformeerd over het uitluisteren. De beklagcommissie is daarom van oordeel dat de directie niet aan de wettelijke vormvoorschriften voor het uitoefenen van toezicht op telefoongesprekken heeft voldaan. Dit onderdeel van het beklag wordt gegrond verklaard en er wordt een tegemoetkoming van €30 toegekend.
De beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij het Detentiecentrum Schiphol (DCS) heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:
[…], verder te noemen klager en niet langer gedetineerd.
Klager beklaagt zich over:
Klager wordt in deze procedure bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W. Roos. De directeur heeft schriftelijk gereageerd op de klacht. Klager heeft van deze reactie kennis kunnen nemen. De klacht is behandeld op een beklagzitting, in aanwezigheid van namens de directie, […] en […] (juridisch medewerker). Klager is correct opgeroepen, maar zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagcommissie kennisgenomen van de volgende informatie:
Het standpunt van klager
Het standpunt van de directie
In het kader van de orde en veiligheid kunnen gesprekken op grond van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) worden afgeluisterd. Dit valt samen met voortgezet crimineel handelen binnen detentie. Gesprekken worden binnen DCS standaard bewaard. Ook dit gesprek is bewaard dus kan nog steeds worden teruggeluisterd. Het personeel op de afdeling van klager heeft iets opgevangen waardoor het vermoeden ontstond dat sprake was van voortgezet crimineel handelen. Vervolgens zijn gesprekken teruggeluisterd waaruit bleek dat klager de opdracht heeft gegeven om drugs binnen te krijgen via de invoer van een medegedetineerde. De contrabande zijn vervolgens aangetroffen in de invoer van de desbetreffende medegedetineerde. De directie erkent dat er geen mededeling is opgemaakt waaruit de aard en de reden van het toezicht blijkt. De mededeling had uitgereikt moeten worden voordat er is uitgeluisterd, maar nadat de gesprekken zijn opgenomen.
De beoordeling
Klager beklaagt zich allereerst over de beslissing van de directeur van 11 maart 2025 om aan klager een disciplinaire straf op te leggen inhoudende zeven dagen opsluiting in een strafcel wegens het geven van de opdracht tot invoer van verdovende middelen via een medegedetineerde.
Op grond van artikel 50, eerste lid en artikel 51, eerste lid van de Pbw kan de directeur een disciplinaire straf opleggen wegens het begaan van feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting.
Uit het schriftelijk verslag volgt dat op 11 maart 2025 de telefoongesprekken van klager zijn teruggeluisterd vanwege het vermoeden dat sprake is van voortgezet crimineel handelen. Verder wordt in het schriftelijk verslag vermeld dat uit deze telefoongesprekken volgt dat klager de opdracht heeft gegeven om drugs binnen te krijgen via de invoer van een medegedetineerde. Op 11 maart 2025 is – zo volgt eveneens uit het schriftelijk verslag – invoer binnengekomen op naam van de desbetreffende medegedetineerde. Daarop is de invoer gecontroleerd en is in beide schoenen in totaal 10 gram hasj aangetroffen. In aanvulling daarop vermeldt de beslissing tot oplegging van de disciplinaire straf dat degene die de kleding (waaronder de schoenen) voor invoer heeft afgegeven, een bekende van klager is.
Gelet op hetgeen hierna in de uitspraak wordt overwogen met betrekking tot het standaard opnemen van de telefoongesprekken, ziet de beklagcommissie zich voor de vraag gesteld of de inhoud van de telefoongesprekken aan de beslissing van de directeur ten grondslag mag worden gelegd. De beklagcommissie stelt vast dat de geschonden voorschriften, zie verderop in de uitspraak, geen rechtsreeks verband houden met het opleggen van de disciplinaire straf en ook niet strekken ter waarborging van de betrouwbaarheid van de uit het telefoontoezicht ontleende feiten en omstandigheden.[1] In het penitentiair recht geldt een ‘min of meer vrij bewijsstelsel’.[2] Anders dan in het strafrecht behoeft een vormverzuim niet tot bewijsuitsluiting te leiden. Mede om die reden kan naar het oordeel van de beklagcommissie het uitgeluisterde telefoongesprek bij de beslissing worden betrokken.
De beklagcommissie heeft geen reden om aan de inhoud van hetgeen aan de beslissing ten grondslag is gelegd, zoals volgt uit het hiervoor aangehaalde schriftelijk verslag en de beslissing tot oplegging van de disciplinaire straf, te twijfelen. De beklagcommissie is dan ook van oordeel dat op basis van het schriftelijk verslag en de disciplinaire straf vast is komen te staan dat klager opdracht heeft gegeven tot de invoer van 10 gram hasj via een medegedetineerde. Meewerken aan het binnenbrengen van contrabande is in strijd met de orde en veiligheid in de inrichting. Gelet hierop is de beklagcommissie van oordeel dat de directie klager in redelijkheid heeft kunnen straffen voor de ingevoerde hasj. De beklagcommissie is daarnaast van oordeel dat de opgelegde disciplinaire straf – in vergelijking met wat in soortgelijke zaken wordt opgelegd – niet als onredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt.
Ten slotte merkt de beklagcommissie nog het volgende op. Uit de beschikking volgt dat de disciplinaire straf van 12 maart 2025 dateert en de disciplinaire straf inhoudende zeven dagen verblijf in een strafcel op 11 maart 2025 om 16:00 uur is ingegaan. Een en ander brengt mee dat de disciplinaire straf met terugwerkende kracht is opgelegd. Dat kan op grond van de Pbw niet. Het beklag zal daarom op formele grond gegrond worden verklaard. De beklagcommissie ziet evenwel op basis van dit formele gebrek geen aanleiding voor het toekennen van een tegemoetkoming aan klager, nu hij geen nadeel heeft ondervonden van het feit dat de disciplinaire straf met terugwerkende kracht aan hem is opgelegd.[3] Al met al verklaart de beklagcommissie het beklag formeel gegrond en materieel ongegrond.
Onderdeel b:
Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de directeur tot het opnemen en terugluisteren van klagers telefoongesprekken.
De beklagcommissie staat in eerste instantie voor de vraag of in de onderhavige zaak is voldaan aan de vereisten voor het standaard opnemen van de telefoongesprekken van klager.
Juridisch kader:
Dit toezicht kan omvatten het beluisteren van een telefoongesprek of het uitluisteren van een opgenomen telefoongesprek. Aan de betrokkene wordt mededeling gedaan van de aard en de reden van het toezicht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het opnemen van telefoongesprekken en het bewaren en verstrekken van opgenomen telefoongesprekken.
Artikel 23a van de Penitentiaire Maatregel (PM) bepaalt vervolgens dat telefoongesprekken die in verband met het hiervoor genoemde toezicht worden opgenomen, worden bewaard voor een periode van ten hoogste vier maanden. Op grond van het vierde lid wordt de gedetineerde van het opnemen van het telefoonverkeer op de hoogte gesteld. Uit de Nota van Toelichting bij het Besluit toezicht telefoongesprekken justitiële inrichtingen, waarbij artikel 23a van de PM is ingevoerd, volgt dat met deze bepaling wordt beoogd zeker te stellen dat het opnemen van telefoongesprekken voor de betrokkene kenbaar is.[4] Dat is dus iets anders dan het toezicht op de telefoongesprekken zelf, dat het uitluisteren of beluisteren betreft. Daarvan moet, zoals hiervoor opgemerkt, op grond van artikel 39, tweede lid van de Pbw mededeling worden gedaan. Het opnemen betreft (slechts) een technische voorwaarde om dat toezicht te kunnen uitoefenen. Het mededelen van het (standaard) opnemen van telefoongesprekken kan plaatsvinden over de band van de algemene informatieplicht die de directeur heeft op grond van artikel 56, eerste lid van de Pbw.
Uit de ‘Handreiking Toezicht op contacten met buiten van gedetineerden’ d.d. 5 december 2023 (de Handreiking) van DJI volgt dat per gedetineerde een schriftelijk uitgereikt besluit wordt vereist met een individuele belangenafweging bij het opnemen van een telefoongesprek, het beluisteren van een telefoongesprek terwijl het gevoerd wordt (real-time) en het achteraf beluisteren van een (opgenomen) telefoongesprek.. Als de directeur voorgenoemd toezicht voor verschillende gedetineerden wil inzetten, moet er per gedetineerde een besluit worden genomen, aldus de Handreiking. Dit betekent dat de directeur vooraf een mededeling aan de gedetineerde doet met de aard en de reden van het toezicht.
Verder volgt uit de Handreiking dat binnen DJI is besloten om in alle inrichtingen met een beveiligingsniveau van drie en hoger standaard telefoongesprekken van gedetineerden op te nemen. Het gaat hierbij om alle inrichtingen waar in beginsel hoogrisicogedetineerden kunnen worden geplaatst. Het doel hiervan is te waarborgen dat gedetineerden aan wie een telefoonmaatregel is opgelegd, geen gebruikmaken van inlogcodes van medegedetineerden om het toezicht te omzeilen. Deze gesprekken worden maximaal vier maanden bewaard.
Uit vaste rechtspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) volgt dat de Pbw in elk geval niet voorziet in een wettelijke grondslag voor het standaard opnemen van alle telefoongesprekken van gedetineerden.[5] Nu een wettelijke grondslag ontbreekt, dient de directeur een belangenafweging te maken, mede in het licht van de eisen die artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) hieraan stelt, of het standaard opnemen van alle telefoongesprekken in de betreffende inrichting noodzakelijk is in verband met het uitoefenen van het toezicht met het oog op de belangen als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Pbw. Of dit nodig is, kan naar het oordeel van de RSJ onder andere afhankelijk zijn van het beveiligingsniveau van de inrichting en het in de inrichting geldende regime. Indien de directeur, na afweging van alle belangen, de noodzaak hiertoe aanwezig acht, dient hij dit uitdrukkelijk, onder vermelding van de redenen, aan de gedetineerden kenbaar te maken.[6]
Uit artikel 3.9.1. van de huisregels van DCS volgt dat telefoongesprekken van gedetineerden met hun persoonlijke relaties te allen tijde worden opgenomen en dat hier toezicht op kan worden uitgeoefend. De opnamen van deze telefoongesprekken worden ten hoogste vier maanden bewaard. Na het verstrijken van deze periode worden de opnamen gewist. De directeur kan in het kader van het houden van toezicht bepalen dat de opnamen van de telefoongesprekken worden uitgeluisterd. Dit gebeurt alleen indien dit noodzakelijk is met het oog op de in artikel 39, tweede lid en artikel 36, vierde lid van de Pbw genoemde belangen.
Een en ander is aldus in lijn met de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vereiste bepaalde mate van kwaliteit ten aanzien van wetgeving die een dermate grote inbreuk maakt. Die kwaliteit krijgt gestalte in vereiste toegankelijkheid en voorzienbaarheid/kenbaarheid die ongebreidelde of willekeurige inmenging en toepassing tegengaat.[7]
Inhoudelijke beoordeling:
Op welke juridische grondslag is het beleid van DC Schiphol gebaseerd, waarbij alle telefoongesprekken standaard worden opgenomen om het toezicht daarop te kunnen uitvoeren?
De beklagcommissie is van oordeel dat uit de bovengenoemde regelgeving en de Handreiking niet expliciet volgt dat in DCS telefoongesprekken standaard opgenomen mogen worden. Nu de directie van DCS niet heeft toegelicht waarom het standaard opnemen van telefoongesprekken (in het onderhavige geval) wel noodzakelijk zou zijn, komt de beklagcommissie tot de conclusie dat het standaard opnemen van telefoongesprekken in DCS niet noodzakelijk is. Daarnaast merkt de beklagcommissie op dat aan de gedetineerde mededeling moet worden gedaan van het uitluisteren van de telefoongesprekken op grond van artikel 39, tweede lid van de Pbw. Uit deze mededeling moet het doel blijken waarmee de gesprekken worden uitgeluisterd en moet de belangenafweging volgen die heeft plaatsgevonden. De beklagcommissie stelt vast dat in dit geval geen mededeling van het uitluisteren van zijn telefoongesprekken is opgemaakt en aan klager is uitgereikt.
Gelet op het voorgaande is de beklagcommissie van oordeel dat de directie niet aan de wettelijke vormvoorschriften voor het uitoefenen van toezicht op telefoongesprekken heeft voldaan. Om die reden zal de beklagcommissie dit onderdeel van het beklag gegrond verklaren. De beklagrechter zal aan klager een tegemoetkoming toekennen van € 30,-, conform de Standaardbedragen tegemoetkomingen van de RSJ.
BESLISSING
Aldus gegeven op 11 november 2025 door mw. mr. L. Janse (voorzitter), dhr. drs. A.J. Smeets en dhr. G. van der Laan (leden), bijgestaan door de secretaris mw. mr. W.G.H. Poort.