KC 2026/004

Klager stond op een container en een medegedetineerde duwde daar tegen aan. Hierdoor viel klager bijna van de container af. Klager zou volgens de directie vervolgens neus aan neus zijn gaan staan met de betrokken medegedetineerde. Ze zouden naar elkaar hebben geschreeuwd en meermaals hard tegen elkaars borstkas hebben geduwd. Volgens klager heeft hij de medegedetineerde enkel één duw gegeven. Klager heeft hiervoor een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in eigen cel opgelegd gekregen en is gedegradeerd naar het basisprogramma. De beklagrechter acht aannemelijk dat klager de medegedetineerde (in ieder geval) één duw heeft gegeven, nu klager dit ook heeft verklaard. De disciplinaire straf kon daarom worden opgelegd, deze klacht is ongegrond verklaard. Vervolgens is de vraag of er sprake is van fysieke agressief gedrag waardoor klager direct gedegradeerd kon worden. De beklagrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en geeft klager hierin het voordeel van de twijfel. De camerabeelden ontbreken en klager heeft consequent aangegeven dat er slechts een enkele ‘droge’ duw is gegeven. Deze klacht is gegrond verklaard en er is een tegemoetkoming van € 45,00 toegekend.

UITWERKING MONDELINGE UITSPRAAK DE BEKLAGCOMMISSIE VAN DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ
PENITENTIAIRE INRICHTING NIEUWEGEIN
 
1.     De procedure
De alleensprekende beklagrechter heeft kennisgenomen van de klachten van:
 
[…], verder te noemen klager en op dit moment verblijvende in PI Nieuwegein.
 
Klager wordt bijgestaan door mr. T.S. van der Horst.
 
De klachten zijn gericht tegen:
-        de degradatiebeslissing d.d. 27 oktober 2025;
-        de disciplinaire straf d.d. 27 oktober 2025.
 
De directeur heeft schriftelijk gereageerd. Klager en zijn raadsman hebben een kopie daarvan ontvangen. De klachten zijn behandeld op de beklagzitting van 18 februari 2026, in PI Nieuwegein, waarbij aanwezig waren:
-        klager;
-        zijn raadsman;
-        juridisch medewerkster PI Nieuwegein; mw. […]
 
De beklagrechter heeft kennisgenomen van de in bijlage 1 genoemde informatie.
 
Klagers raadsman heeft per mail van 28 oktober 2025 verzocht om de camerabeelden veilig te stellen. Op 31 oktober 2025 is daarom namens de secretaris bij de inrichting direct verzocht om de camerabeelden veilig te stellen. Pas op 18 februari 2026 heeft de juridisch medewerkster van PI Nieuwegein over de (on)beschikbaarheid van de camerabeelden per mail het volgende laten weten: ‘De directie wil aangeven dat de camerabeelden van het incident niet beschikbaar zijn. Het is onduidelijk of deze beelden aanwezig zijn of mogelijk onterecht niet zijn opgeslagen. Daarnaast wil ik benadrukken dat  er in de straf of het schriftelijk verslag (SV) niet is opgenomen dat het bekijken van de beelden noodzakelijk was voor het vaststellen van de gedragingen van klager en de medegedetineerde. De rapporteur was zelf aanwezig bij het incident en heeft (samen met een andere gedetineerde) ingegrepen door de betrokkenen uit elkaar te halen. Dit geeft aan dat de situatie door het personeel ter plekke is geconstateerd. Het schriftelijk verslag bevat een gedetailleerde en feitelijke beschrijving van de gebeurtenissen en gedragingen van beiden gedetineerden gebaseerd op de waarnemingen van de rapporteur. Gezien de aanwezigheid van het personeel en de gedetailleerde verslaglegging van het incident, is het raadplegen van de camerabeelden in dit geval naar mijn mening niet noodzakelijk.’
 
 
2.     De standpunten in de beklagprocedure
Het standpunt van klager
Voor het standpunt van klager wordt verwezen naar de klacht. Klager heeft hier ter zitting, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan toegevoegd: ‘Omdat de stoelen en banken bezet waren ben ik op de rand van de container gaan zitten. Ik ben helemaal niet gewaarschuwd om ervan af te gaan. Als dat wel het geval was, had ik geluisterd. Ik had veel te veel te verliezen. Toen ik op de container ging staan begon de medegedetineerde de container te schudden. Iedereen was uitgelaten omdat er net was gescoord, zo werden er shirts uitgetrokken. Ik ben vervolgens van de container afgestapt en vroeg aan de medegedetineerde waarom hij de container schudde. Er was geen reden voor de medegedetineerde om de container te schudden, ik had lelijk kunnen vallen. Ik heb het niet als grap ervaren, ik ken hem niet. Hij stapte vervolgens agressief op mij af. Daarom heb ik hem van mij afgeduwd. Hij zei dingen in het Pools, dat versta ik niet. Om mezelf te beschermen heb ik hem één duwtje gegeven. We hebben helemaal niet borst tegen borst of neus tegen neus gestaan. Hij kwam te dichtbij me, daarom heb ik hem één duw gegeven. De medegedetineerde heeft mij niet teruggeduwd, iedereen sprong tussen ons in. Toen heeft het personeel op het alarm gedrukt. Mijn intentie was niet om te vechten, dan had ik wel een klap uitgedeeld. Ik wilde mijn lidmaatschap van de Gedeco en mijn baan als reiniger niet riskeren voor een voetbalwedstrijd. Er hangen in die ruimte meerdere camera’s. Ik heb om de camerabeelden gevraagd, maar die zijn er nu niet meer. De directeur zei destijds dat omdat ik op de container ben gaan staan de situatie is ontstaan. Dat vind ik heel krom. Ik ben bovendien nog nooit betrokken geweest bij een dergelijk agressief incident.’
 
Klagers raadsman heeft hier ter zitting, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan toegevoegd: ‘Ik vind het jammer dat de camerabeelden er niet zijn. Het is vaste rechtspraak van de beroepscommissie van de RSJ dat camerabeelden bewaard moeten worden, vooral als die relevant zijn of aanleiding vormden voor de beslissing. In RSJ 17 november 2025, 24/43469/GA, heeft de beroepscommissie van de RSJ geoordeeld dat als de beelden beschikbaar zijn maar niet bekeken mogen worden, daar in het voordeel van klager rekening mee gehouden moet worden. Ik vind het logisch dat als iemand agressief op je afloopt je diegene een duw geeft. Het is onredelijk om klager een disciplinaire straf op te leggen, te degraderen en te ontslaan als reiniger. De camerabeelden zouden duidelijkheid kunnen scheppen over wie wat heeft gedaan. De conclusie moet zijn dat klager het voordeel van de twijfel moet krijgen. In het schriftelijk verslag wordt aangegeven dat het niet opvolgen van een instructie ook reden is voor het schriftelijk verslag, maar daar is eerder geen rapport voor aangezegd. Ik vind het een beetje onlogisch om dat later als reden aan de disciplinaire straf ten grondslag te leggen.’
 
Het standpunt van de directeur
Voor het standpunt van de directie wordt verwezen naar het verweerschrift. De juridisch medewerkster van PI Nieuwegein heeft hier ter zitting, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan toegevoegd: ‘De camerabeelden zijn niet noodzakelijk. Deze zijn ook niet bekeken voorafgaand aan het opleggen van de disciplinaire straf. Ik vind ook niet dat er twijfel bestaat over de inhoud van het schriftelijk verslag. Het incident wordt in het schriftelijk verslag feitelijk en gedetailleerd beschreven. Het schriftelijk verslag is bovendien opgesteld door iemand die erbij was. De disciplinaire straf is niet enkel opgelegd wegens fysieke agressie maar ook wegens het weigeren om de instructie van het personeel om van container af te gaan op te volgen.’
 
3.     De beoordeling
Wat is het juridisch kader?
Op grond van de artikelen 50, eerste lid, en 51, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw) kan de directeur een disciplinaire straf opleggen wegens het begaan van feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting, dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.
 
In paragraaf 2.3.1 van de huisregels van PI Nieuwegein (versie 9 december 2024) is het volgende opgenomen: ‘U dient zich altijd fatsoenlijk te gedragen tegenover medegedetineerden. Fysiek en verbaal geweld, in welke vorm dan ook, zijn uitdrukkelijk verboden. Dit geldt onder meer voor schelden, bedreigen, (seksuele) intimidatie en spugen. Het naleven van deze gedragsregels is essentieel voor het behoud van een veilige en respectvolle omgeving binnen de inrichting.’
 
In artikel 1d, vijfde lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog) is bepaald dat altijd een besluit tot degradatie volgt, indien een gedetineerde ‘ontoelaatbaar’ gedrag, zoals beschreven in bijlage 1 en bijlage 2 van de Rspog, laat zien. Volgens de nota van toelichting gaat het hier om gedragingen die als dermate ingrijpend op de orde en veiligheid binnen een inrichting kunnen worden aangemerkt dat deze op zichzelf beschouwd een degradatie c.q. het uitblijven van een promotie rechtvaardigen zonder daarbij rekening te houden met het structurele gedrag in detentie. Indien een gedetineerde één van deze gedragingen laat zien, is volgens de nota van toelichting een afweging van deze gedraging ten opzichte van het algehele gedrag niet meer noodzakelijk. Een belangenafweging hoeft dan dus niet te worden gemaakt.
 
Wat is er gebeurd?
Uit het schriftelijk verslag volgt dat klager op 26 oktober 2025 met medegedetineerden voetbal aan het kijken was. Klager zou meerdere waarschuwingen hebben gekregen van het personeel dat hij niet op de container mocht staan. Volgens klager zat hij echter met toestemming van het personeel op de container. Toen klager (voor de tweede keer) op de container ging staan, duwde een medegedetineerde tegen de container aan. Hierdoor viel klager bijna van de container af. Het personeel stelt in het schriftelijk verslag dat dit vermoedelijk als grap bedoeld was. Klager zou vervolgens neus aan neus zijn gaan staan met de betrokken medegedetineerde. Klager en de medegedetineerde zouden bovendien naar elkaar hebben geschreeuwd en meermaals hard tegen elkaars borstkas hebben geduwd. Volgens klager heeft hij de medegedetineerde enkel één duw gegeven.
 
Als gevolg van voornoemd incident heeft klager een disciplinaire straf opgelegd gekregen van vijf dagen opsluiting in eigen cel zonder televisie. Ook is klager gedegradeerd naar het basisprogramma, is hij zijn baan als reiniger kwijtgeraakt en kan hij geen rol meer vervullen in de Gedeco. De directie stelt echter dat dit laatste niet het gevolg was van onderhavig incident, maar van een positieve uitslag van een urinecontrole.
 
Heeft de directie de beslissing mogen nemen?
Disciplinaire straf
De beklagrechter stelt voorop dat zij betreurt dat de camerabeelden niet meer beschikbaar zijn, vooral nu door de secretaris direct na ontvangst van de klacht nadrukkelijk is verzocht om deze veilig te stellen. De beklagrechter had ter beoordeling van de redelijkheid en billijkheid van zowel de disciplinaire straf als de degradatiebeslissing graag de camerabeelden bekeken, mede om antwoord te kunnen geven op de vragen of er sprake was van zelfverdediging en of er sprake was van één duw of dat klager en de medegedetineerde neus aan neus zijn gaan staan en meermaals hard tegen elkaars borstkas hebben geduwd. Nu de beklagrechter de camerabeelden niet heeft kunnen bekijken zal zij haar oordeel baseren op de inhoud van het schriftelijk verslag en hetgeen door klager in zijn klaagschrift en ter zitting naar voren is gebracht, waarbij in aanmerking wordt genomen dat klager (onderdelen van) het schriftelijk verslag betwist.
 
Klager heeft een disciplinaire straf opgelegd gekregen van vijf dagen opsluiting in eigen cel zonder televisie, vanwege het weigeren van het opvolgen van een instructie van het personeel en agressief gedrag jegens een medegedetineerde. De beklagrechter acht aannemelijk dat klager de medegedetineerde (in ieder geval) één duw heeft gegeven, nu klager dit zelf ook heeft verklaard. In de Huisregels van PI Nieuwegein is in paragraaf 2.3.1 ‘Contact met medegedetineerden’ bepaald dat fysiek en verbaal geweld in elke vorm uitdrukkelijk verboden is. Nu vaststaat dat klager de medegedetineerde een duw heeft gegeven, is het gedrag van klager naar het oordeel van de beklagrechter in strijd met de huisregels van PI Nieuwegein en bovendien onverenigbaar met de orde en veiligheid in de inrichting zoals bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Pbw.
 
Klager is verder van mening dat de disciplinaire straf disproportioneel was. De beroepscommissie van de RSJ is van oordeel dat het bepalen van de hoogte van een disciplinaire straf tot de discretionaire bevoegdheid van de directeur behoort.[1] De beklagrechter dient de hoogte van een disciplinaire straf dan ook marginaal te toetsen. Alleen daar waar sprake is van kennelijke onredelijke bestraffing dient de beklagrechter in te grijpen. Gelet op hetgeen in het klaagschrift en ter zitting naar voren is gebracht heeft de directeur naar het oordeel van de beklagrechter in redelijkheid kunnen beslissen tot de opgelegde disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in eigen cel zonder televisie. De beklagrechter acht de duur van de disciplinaire straf niet kennelijk onredelijk.
 
De beklagrechter zal deze klacht gelet op het voorgaande ongegrond verklaren.
 
Degradatie 
Uit bijlage 1 van de Rspog volgt dat fysiek agressief gedrag tegenover een medegedetineerde wordt aangemerkt als ontoelaatbaar gedrag. Indien een gedetineerde ontoelaatbaar gedrag vertoont, volgt altijd een besluit tot directe degradatie, conform artikel 1d, vijfde lid, van de Rspog. Het geven van een (enkele) duw aan een medegedetineerde wordt volgens de beroepscommissie van de RSJ echter niet zonder meer als fysieke agressie beschouwd. Dat geldt ook indien sprake is van zelfverdediging.[2] Door de inrichting is gesteld dat over en weer meerdere (harde) duwen zijn gegeven. Klager heeft daarentegen ter zitting consequent aangegeven dat slechts een enkele ‘droge’ duw is gegeven aan een medegedetineerde die dreigend op hem af kwam en hem had laten schrikken door de duw tegen de container waarop hij stond (in welk geval de duw wellicht als zelfverdediging zou kunnen worden beschouwd). De beklagrechter ziet zich gelet op deze tegengestelde lezingen voor de moeilijke vraag gesteld of in dit specifieke geval sprake was van fysiek agressief gedrag als bedoeld in bijlage 1 van de Rspog. Juist in zo’n geval wringt zich dat de camerabeelden ontbreken, terwijl de reden daarvoor onduidelijk is gebleven. Tegen deze achtergrond wordt aan de klager het voordeel van de twijfel gegeven, omdat de beklagrechter niet goed kan vaststellen dat sprake was van fysiek agressief gedrag dat gekwalificeerd kan worden als ontoelaatbaar gedrag als bedoeld in artikel 1d, vijfde lid, van de Rspog.
 
Gelet op het voorgaande komt de beklagrechter tot het oordeel dat deze ene duw in dit specifieke geval niet als dermate ingrijpend op de orde en veiligheid binnen een inrichting kan worden aangemerkt dat dit gedrag op zichzelf beschouwd is aan te merken als ontoelaatbaar gedrag en directe degradatie rechtvaardigt, zonder daarbij rekening te houden met het structurele gedrag van klager in detentie. Nu naar het oordeel van de beklagrechter op basis van de aan de beklagcommissie overhandigde stukken niet kan worden vastgesteld dat sprake was van ontoelaatbaar gedrag, maar wellicht wel van ongewenst gedrag, had een belangenafweging moeten worden gemaakt. De beklagrechter is van oordeel dat de degradatiebeslissing gelet op het voorgaande onredelijk en onbillijk is. De beklagrechter zal de klacht daarom gegrond verklaren en aan klager een tegemoetkoming van €45,- toekennen conform de standaardbedragen van de RSJ.
 
Conclusie
De beklagrechter acht (in ieder geval) aannemelijk dat klager één duw heeft gegeven aan een medegedetineerde. Een duw is naar het oordeel van de beklagrechter een feit dat onverenigbaar is met de orde en veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Pbw. Daarom heeft de directeur naar het oordeel van de beklagrechter in redelijkheid de disciplinaire straf op kunnen leggen. Op basis van de aan de beklagcommissie ter beschikking gestelde stukken en in het licht van de consequente betwisting van de klager van het gestelde in het schriftelijk verslag, kan echter niet zonder meer worden vastgesteld dat de gedraging van de verdachte in dit specifieke geval kon worden aangemerkt als dermate ingrijpend op de orde en veiligheid binnen een inrichting dat dit gedrag op zichzelf beschouwd is aan te merken als ontoelaatbaar gedrag en directe degradatie rechtvaardigt, zonder daarbij rekening te houden met het structurele gedrag van klager in detentie. Daarom is de beklagrechter van oordeel dat de degradatiebeslissing, in tegenstelling tot de disciplinaire straf, wel onredelijk en onbillijk is.
 
4. De uitspraak
De beklagrechter verklaart:
-        de klacht ten aanzien van de degradatie gegrond en kent een tegemoetkoming toe van €45,-;
-        de klacht ten aanzien van de disciplinaire straf ongegrond.
 
Deze uitspraak is gedaan op 18 februari 2026 door mw. mr. T.M. de Groot, beklagrechter, bijgestaan door mw. mr. S.C. van der Ree, secretaris, en ondertekend op 2 maart 2026.
 


[1] RSJ 10 juni 2016, 16/0655/GA.
[2] RSJ 12 april 2023, 22/27956/GA.


Er is door de directie beroep ingesteld bij de RSJ onder kenmerk 26/55263/GA.