Sla inhoud over

Nieuwe uitspraken

  • KC 2022/013

    Geplaatst: 11/04/2022

    Klager heeft op 16 december 2021 een verzoek gedaan tot incidenteel verlof om afscheid bij het leven te nemen van zijn zieke opa. Op 29 december 2021 heeft de directie positief beslist. Diezelfde dag is de opa van klager overleden en kwam het bericht dat DV&O in verband met capaciteitsgebrek weigerde om uitvoering te geven aan de beslissing van de directeur. Klager heeft ook de uitvaart van 30 december 2021 niet kunnen bijwonen en is daarna niet in de gelegenheid gesteld om te kunnen rouwen met zijn familie. Bij zijn aanvraag heeft klager documenten overlegd waaruit volgt dat zijn opa nog maar enkele weken te leven had. De beklagrechter is van oordeel dat nu uit deze stukken voldoende duidelijk blijkt dat haast geboden was bij het verzoek, de aanvraag sneller had moeten worden afgehandeld. Bovendien is de beklagrechter van oordeel dat de directie voorafgaand aan de toewijzing bij DV&O had moeten inventariseren of zij zorg konden dragen voor het vervoer. Ook is de beklagrechter van oordeel dat de directie had moeten beoordelen of het wel mogelijk was om klager een rouwbezoek te laten afleggen. De beklagrechter verklaart het beklag gegrond en kent een tegemoetkoming toe van € 50,-.

    Lees verder

  • KC 2022/011

    Geplaatst: 31/03/2022

    Klager klaagt erover dat hij geen opleiding kan volgen aan de Open Universiteit, terwijl dat wel is toegezegd. De directie stelt dat is gekeken naar de mogelijkheid daarvan, maar dat geen toezeggingen zijn gedaan. De beklagcommissie stelt voorop dat van groot belang is dat gedetineerden zich kunnen blijven ontwikkelen tijdens detentie. Met betrekking tot de klacht is de beklagcommissie van oordeel dat de directie haar zorgplicht jegens klager niet heeft geschonden. Gebleken is dat meerdere gesprekken zijn gevoerd met het re-integratiecentrum, het afdelingshoofd en de afdeling veiligheid, waarbij de mogelijkheden zijn onderzocht om klager deel te laten nemen aan het digitale onderwijs aan de Open Universiteit. Het beklag wordt ongegrond verklaard.

    Lees verder

  • KC 2022/014

    Geplaatst: 30/03/2022

    Klager is op 6 december 2021 overgeplaatst vanuit JC Zaanstad naar PI Nieuwegein. In JC Zaanstad zat klager sinds 3 jaar in een EPC. Klager stelde dat hij al deze tijd een contra-indicatie had voor de plaatsing in een MPC. Hij heeft bij binnenkomst een gesprek met de psycholoog aangevraagd. Op 21 december 2021 is besloten dat klager in PI Nieuwegein geen contra-indicatie meer had en op 31 december 2021 is hij in een MPC geplaatst. Klager stond toen nog op de wachtlijst voor de psycholoog. In januari 2022 heeft een psycholoog vanuit JC Zaanstad klager bezocht en geoordeeld dat hij wel recht had op een contra-indicatie, waarna klager omstreeks 23 januari 2022 weer in een EPC is geplaatst. Er waren naar het oordeel van de beklagrechter ten tijde van de beslissing van de directeur voldoende omstandigheden bekend op grond waarvan de directeur eerst onderzoek had moeten verrichten naar de contra-indicatie in de eerdere inrichting en/of een psycholoog had moeten raadplegen over klagers geschiktheid voor plaatsing in een MPC, alvorens klager te laten plaatsen in een MPC. De beklagrechter is van oordeel dat de directeur onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn zorgplicht. De beslissing om klager in een MPC te plaatsen dient dan ook als onredelijk en onbillijk te worden aangemerkt. De beklagrechter verklaart het beklag gegrond en kent een tegemoetkoming van € 30,00 toe.

    Lees verder

  • KC 2022/007

    Geplaatst: 09/03/2022

    Het verzoek van klager tot kortdurend re-integratieverlof is door de directie afgewezen. Klager stelt dat zijn verlofaanvraag is gebaseerd op één van de doelstellingen uit zijn D&R-plan, namelijk relatieherstel. Ook wijst hij erop dat uit de beschikking van de rechtbank Noord-Holland volgt dat hij een tijdelijke omgangsregeling heeft met zijn zoontje en dat dit contact buiten de PI moet plaatsvinden. Door de directie is het verzoek afgewezen omdat het verzoek niet voldoet aan de criteria waarvoor verzoek wordt verleend, onduidelijk is wat het verlof bijdraagt aan de re-integratie en omdat binnen de PI ook mogelijkheden zijn om aan de relatie van klager met zijn zoon te werken. Volgens de beklagcommissie komt uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de RSJ naar voren dat kortdurend re-integratieverlof slechts zou kunnen worden toegewezen als voldoende door klager is onderbouwd dat zijn persoonlijke aanwezigheid buiten de inrichting noodzakelijk is om zijn re-integratiedoel te doen slagen. De beklagcommissie is van oordeel dat in casu de aanwezigheid van de noodzakelijk eenvoudig is vast te stellen en wordt gegeven door de beschikking van de rechtbank Noord-Holland. De beklagcommissie verklaart het beklag gegrond en kent een tegemoetkoming toe van € 30,-.

    Lees verder