Sla inhoud over

Goederen jeugdigen

Wanneer een jeugdige in een justitiële jeugdinrichting (JJI) wordt geplaatst, dan wil de jeugdige zo veel mogelijk over dezelfde goederen kunnen beschikken als thuis. Binnen een inrichting gelden echter andere regels over welke voorwerpen mogen worden ingevoerd en welke verboden zijn.

Een jeugdige heeft recht op verscheidene voorwerpen op kamer. Sommige voorwerpen zijn per definitie verboden, sommige goederen mogen alleen met toestemming worden ingevoerd. Er komt echter geregeld een klacht bij de Commissie van Toezicht binnen over het al dan niet mogen invoeren van goederen of de vermissing van of schade aan goederen. Omdat niet altijd duidelijk is hoe op deze klachten gereageerd moet worden en omdat ook de wet- en regelgeving ruimte overlaat voor meerdere interpretaties, wordt in dit dossier getracht meer duidelijkheid te verschaffen. 

In- en uitvoer van goederen
Een jeugdige kan goederen in de inrichting in- en uitvoeren. Tevens kan het in- en uitvoeren van goederen plaatsvinden via familie en vrienden die goederen meebrengen of mee terugnemen. Invoer vindt slechts plaats voor zover het meegebrachte goed is toegestaan. Er bestaat de mogelijkheid dat de directeur besluit om de uitvoer van goederen tijdens detentie te verbieden. In de praktijk komt deze beslissing in de huisregels voor, hoewel het uitvoeren van kleding (in verband met de wisseling van seizoenen) en in de inrichting gemaakte creatieve werkstukken meestal wel wordt toegestaan. Mocht het gebeuren dat bepaalde voorwerpen van de jeugdige uit zijn fouillering worden uitgevoerd, dan moet daar een gespecificeerde registratie van worden gemaakt. Wordt dit niet geregistreerd, dan is de directeur aansprakelijk voor eventuele vermissingen.[1] Ook kunnen in de huisregels voorwaarden worden gesteld aan het invoeren van goederen.

Wetswijzigingen met gevolgen voor de huisregels en het invoeren van goederen.
Bij Wet van 22 mei 2019 (Stb. 2019, nr. 200) is het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES gewijzigd in verband met het strafbaar stellen van het in justitiële inrichtingen binnenbrengen van verboden goederen. In de memorie van toelichting bij deze wet is kenbaar gemaakt dat de modellen huisregels van de justitiële inrichtingen worden gewijzigd en dat daarin standaardlijsten van voorwerpen worden opgenomen die in inrichtingen verboden zijn en derhalve niet mogen worden binnengebracht. Deze wet is op 1 november 2019 inwerking getreden.

Op 3 oktober 2019 heeft de Staatscourant door middel van de ministeriële regeling “Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 september 2019, nr. 2652725, houdende wijziging van de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen, de Regeling model huisregels EBI, de Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen en het Huishoudelijk reglement penitentiaire inrichtingen BES in verband met de strafbaarstelling van het in inrichtingen binnenbrengen van verboden goederen” het aangepaste model huisregels gepubliceerd. Deze regeling is op 4 oktober 2019 in werking getreden. 

De lijst met verboden voorwerpen is gepubliceerd op de internetsite van DJI, zodat ook voor bezoekers kenbaar is welke voorwerpen niet mogen worden binnengebracht in de instelling. Tevens zullen bezoekers bij de ingang van instellingen, voordat zij de instelling betreden, worden gewezen op de lijst met verboden voorwerpen.

Personen die verboden voorwerpen als drugs, wapens, geld, explosieven, alcohol, informatiedragers en communicatiemiddelende een inrichting binnenbrengen kunnen worden gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.

Voorwerpen op kamer en in de inrichting
In de huisregels kan worden bepaald dat het bezit van bepaalde voorwerpen binnen de inrichting of binnen een bepaalde afdeling daarvan verboden is. De noodzaak hiervan ligt in de handhaving van de orde dan wel de veiligheid in de inrichting of de beperking van de aansprakelijkheid van de directeur voor de voorwerpen. Onder de orde wordt ook de handhaving van de goede zeden verstaan, zodat het mogelijk is beperkingen op te leggen aan het bezit en de verspreiding van vergaande uitingen van pornografie.

Artikel 50 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Bjj) beschrijft de mogelijkheid voor de jeugdige om de hem toebehorende voorwerpen in zijn kamer te plaatsen of bij zich te hebben. Voorwerpen in de zin van dit artikel zijn alle voor de menselijke beheersing vatbare objecten.[2] Hieronder vallen dus niet alleen radio's, televisies en laptops, maar ook huisdieren, boeken, kranten en tijdschriften. Brieven en poststukken vallen onder de speciale regeling van artikel 41 Bjj, kleding en schoeisel onder de speciale regeling van artikel 49 Bjj. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten goederen zoals deze worden onderscheiden bij een JJI, te weten: a. de algeheel verboden voorwerpen, b. de toegestane voorwerpen en c. overige voorwerpen.

De jeugdigen zijn redelijk vrij hun kamers naar eigen inzicht in te richten. In de praktijk kan dat problemen opleveren. Zeker bij een langdurig verblijf kunnen de kamers zo vol raken dat inspectie hiervan teveel tijd en inzet van het personeel vergt. Ook doen zich regelmatig geschillen voor met betrekking tot de aansprakelijkheid voor schade die aan bezittingen van jeugdigen wordt toegebracht. 

a. Algeheel verboden voorwerpen
In de Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen (afkorting: Rmhjj) staat een algemene opsomming van goederen die bij voorbaat niet onder eigen beheer mogen worden gehouden. Hoewel dit een model is waarvan de directie mag afwijken, heeft het model een dwingend karakter. De niet in de inrichting toegestane voorwerpen kunnen ook deel uitmaken van de van rijkswege verzorgde inventaris van de verblijfsruimte. Volgens artikel 10 van de Regeling eisen kamer justitiële jeugdinrichtingen is de verblijfsruimte standaard ingericht met een spiegel, een hang-legkast, een schrijfwerktafel, een stoel, een aan de wand bevestigd prikbord, een bed, twee contactdozen.

Op grond van artikel 4.2 van de Rmhjj kan de directeur geen toestemming geven om de volgende voorwerpen in de verblijfsruimte te houden: zie de lijst van goederen die verboden zijn. De directeur is bevoegd ontheffing te verlenen voor een jeugdige dan wel voor een groep van jeugdigen.

Het is geen recht, maar een gunst als je iets mag hebben en bij je mag houden. De directeur kan voorwaarden stellen aan het gebruik van voorwerpen die je in je bezit mag hebben. Het is verboden persoonlijke bezittingen met anderen te ruilen, aan anderen uit te lenen of op een andere manier van eigenaar te laten wisselen.

De directeur kan bepalen dat de jeugdige bepaalde goederen niet langer bij zich mag houden als: 
- hij zich niet houdt aan de voor het bezit gestelde voorwaarden;
het voor de handhaving van de orde en de veiligheid in de inrichting en/of voor de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling noodzakelijk is.

Er moet er rekening mee worden houden dat goederen die om deze redenen door de directeur zijn afgenomen ook niet mee mogen worden genomen bij overplaatsing naar een andere afdeling of inrichting. De jeugdige is persoonlijk aansprakelijk voor de voorwerpen die hij bij zich draagt of in zijn kamer heeft. De aansprakelijkheid van de directeur is nooit meer dan vijfhonderd euro.

Goederen die de jeugdige niet in zijn bezit mag hebben, worden op zijn naam geregistreerd en bewaard (onder afgifte van een bewijs van ontvangst), naar de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders gestuurd of, als de jeugdige daar toestemming voor heeft gegeven, vernietigd. De kosten van het bewaren, versturen of vernietigen kunnen aan de jeugdige in rekening worden gebracht. De directeur kan bezittingen van de jeugdige aan een opsporingsambtenaar geven als dit nodig is voor de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.

Het kan nodig zijn dat er een nader onderzoek nodig is om vast te kunnen stellen of een voorwerp mag worden toegelaten of dat het bezit hiervan moet worden verboden. Artikel 50, vierde lid Bjj biedt hiervoor een wettelijke grondslag. In de slotzin van dit artikel zijn de mogelijkheden genoemd die de directeur heeft ten aanzien van voorwerpen die hij uit de inrichting wil weren. Bij overhandiging aan een opsporingsambtenaar valt met name te denken aan bij de wet verboden zaken, zoals harddrugs en verboden wapens. 

In de praktijk zal met name de overzichtelijkheid van de kamer en overige verblijfsruimten een grond opleveren voor plaatsing van voorwerpen op de “verboden lijst” van artikel 50, eerste lid Bjj dan wel voor weigering van toelating ingevolge het tweede lid. Ook past in de ordehandhaving het beperken van de hoeveelheid voorwerpen. Al te talrijke of omvangrijke bezittingen leiden ook tot transportproblemen. Daarnaast kan de beheersbaarheid van de inrichting verstoord worden door bijzonder kostbare zaken toe te staan. Deze kunnen ongewenste reacties van andere ingesloten jeugdigen uitlokken. De aansprakelijkstelling van de directeur voor schade die door zijn medewerkers aan dergelijke zaken wordt toegebracht, bij voorbeeld bij een kamerdoorzoeking, zal ook een legitieme grond opleveren voor het weren van al te kostbare geluidsapparatuur, kleding, horloges, sieraden e.d. Een andere categorie betreft voorwerpen die vanwege risico's voor de gezondheid kunnen worden verboden. Het kan gaan om huisdieren, planten e.d., maar onder de orde wordt ook de gezondheid van de personen die in de inrichting verblijven of werkzaam zijn verstaan.

Aangezien het hier gaat om algeheel verboden voorwerpen waarbij het verbod is vastgelegd in een algemene regel, staat geen beklag open tegen de toepassing van deze regelgeving (en de daaruit voorvloeiende weigeringen). Wel heeft de directeur de bevoegdheid de huisregels nader in te vullen. Er kunnen dan ook meer voorwerpen worden aangewezen die onder het algehele verbod vallen. Door een voorwerp op die wijze onder het algehele verbod te brengen, onttrekt de toestemming van het gebruik van een voorwerp zich aan de toetsing van de beklagrechter.[3] 

Voorbeeld
Playstation 3 valt onder de niet toegelaten voorwerpen, nu daarmee in theorie oncontroleerbaar intern contact of contact met buitenwereld mogelijk is. Voortdurende controle of van dergelijk contact sprake is, kan niet van inrichting worden gevergd. De RSJ heeft het beroep ongegrond verklaard.[4]

b. Toegestane voorwerpen
Op grond van artikel 50 Bjj, tweede lid kan de directeur toestaan dat een jeugdige voorwerpen die niet bij de huisregels zijn verboden, in zijn kamer plaatst of bij zich houdt. Voordat een dergelijk bezit wordt toegestaan gaat de directeur na of toelating van de gewenste voorwerpen zich verdraagt met de belangen van de orde en de veiligheid, de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige, de uitvoering van het verblijfs- of behandelplan, alsmede met de risico's die toelating kan opleveren voor zijn aansprakelijkheid voor de schade. Pas indien het bezit van voorwerpen zich verdraagt met voornoemde belangen kan de directeur toestemming geven voor toelating in de inrichting.

Het eerder genoemde model huisregels benoemt tevens goederen die in beginsel worden toegestaan, namelijk: kleding, schoeisel en andere met name persoonlijke zaken. Op de hier bedoelde toestemming kan de directeur een uitzondering maken die gebaseerd wordt op nader in de huisregels vermelde gronden. Volgt er toestemming, dan zal regelmatig aan de invoer van voorwerpen in de inrichting nadere eisen worden gesteld. Te denken daarbij valt bijvoorbeeld aan verzegeling en levering door bepaalde bedrijven. Volgt er echter een weigering, dan staat beklag hiertegen wel open. 

Voorbeeld
De inbeslagname t-shirt met opdruk ‘Satudarah support club’ is niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het niet wenselijk is om klager in een pedagogisch leefklimaat een t-shirt te laten dragen met daarop een opdruk van een organisatie die maatschappelijk in negatieve zin ter discussie staat. Belangenafweging heeft door directeur in voldoende mate plaatsgevonden. Aan de beslissing liggen tevens behandelinhoudelijke overwegingen ten grondslag. Beroep directeur gegrond, beklag alsnog ongegrond.[5]

c. Onder voorwaarden toegestane voorwerpen
Als de voorwerpen niet bij de verboden, noch bij toegestane voorwerpen worden genoemd, dan kan een jeugdige aan de directeur een verzoek doen om het voorwerp alsnog in te voeren. Uiteraard wordt van de directeur verwacht dat hij bij deze beslissing een zorgvuldige afweging maakt. Ook hier staat bij weigering de mogelijkheid tot beklag open.[6]

Het is verboden persoonlijke bezittingen met anderen te ruilen, aan anderen uit te lenen of op een andere manier van eigenaar te laten wisselen. Verder kan de directeur bepalen dat de jeugdige bepaalde goederen niet langer bij zich mag houden als de jeugdige zich niet houdt aan de voor het bezit gestelde voorwaarden of als het voor de handhaving van de orde en de veiligheid in de inrichting en/of voor de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling noodzakelijk is.

Goederen die om deze redenen door de directeur zijn afgenomen, mogen ook niet mee worden meegenomen als de jeugdige wordt overgeplaatst naar een andere afdeling of inrichting. De jeugdige is persoonlijk aansprakelijk voor de voorwerpen die hij bij zich draagt of die hij in zijn kamer heeft. De aansprakelijkheid van de directeur is nooit meer dan vijfhonderd euro.

Op grond van artikel 50 Bjj, derde lid kunnen voorwaarden aan toelating worden gesteld omtrent de wijze van gebruik van voorwerpen. Te denken valt aan het voorkomen van geluidsoverlast of van overbelasting van het elektriciteitsnet. De regels kunnen ook het gebruik van voorwerpen uitsluiten, indien zich bepaalde omstandigheden voordoen. 

In het verleden was er geen duidelijkheid of het hebben van computerapparatuur binnen de kamer van de jeugdige was toegestaan. Sinds de aanpassing van het model huisregels per 4 oktober 2019 is hierin opgenomen dat informatiedragers en communicatiemiddelen verboden zijn binnen de inrichting. Hieronder valt ook een laptop of computer. De directeur is bevoegd ontheffing te verlenen voor een jeugdige dan wel voor een groep van jeugdigen voor bijvoorbeeld het volgen van bepaald onderwijs.[7] Deze beslissing wordt per individueel geval genomen.

Toestemming voorwerp, gunst of verworven recht?
Als de directeur de jeugdige toestemming geeft de door hem gewenste voorwerpen in te voeren, dan dient de jeugdige zich te realiseren dat deze toestemming het karakter heeft van een gunst en niet van een absoluut verworven recht. Dit houdt onder meer in dat, als de jeugdige wordt overgeplaatst naar een andere afdeling of naar een andere inrichting, deze voorwerpen niet standaard kunnen worden meegenomen. Dit betekent dat het recht bij overplaatsing naar een andere inrichting vervalt en dat de jeugdige daar opnieuw zijn verzoek om toestemming moet indienen bij de directeur van die andere afdeling of inrichting.

Als binnen de inrichting zelf de toestemming eenmaal is gegeven, geldt dat hierop niet anders dan op een van de gronden van artikel 50, tweede lid, Bjj geheel of gedeeltelijk mag worden teruggekomen. Het kan dus voorkomen dat een jeugdige een bepaald voorwerp, dat hij reeds in zijn bezit had, alsnog om bepaalde redenen niet langer onder zich mag houden, of misschien slechts onder bepaalde voorwaarden.

Vooral voor jeugdigen is het terugkomen op een eerder gegeven beslissing een reden om te klagen. De beklagcommissie zal dan toetsen of de beslissing van de directeur op de juiste gronden en naar redelijkheid en billijkheid is genomen. 

Contant geld
Op grond van artikel 51 Bjj is het bezit van contant geld door een jeugdige in de inrichting of een afdeling verboden, tenzij het in de huisregels anders is bepaald. In de regeling zakgeld jeugdigen is bepaald dat aan jeugdigen die in een inrichting verblijven zakgeld wordt verstrekt, namelijk € 1,26 euro per dag. Het zakgeld wordt jaarlijks per 1 januari aangepast aan het bedrag aan zakgeld dat is opgenomen in de normprijzen, die de Dienst Justitiële Inrichtingen jaarlijks vaststelt voor de justitiële jeugdinrichtingen. Het zakgeld wordt door de directeur tenminste eenmaal per maand aan de jeugdige verstrekt door overmaking op zijn rekening-courant (een soort bankrekening) bij de inrichting. 

De directeur kan bepalen dat een deel van het aan de jeugdige toegekende zakgeld onder zijn bewaring blijft zodat de jeugdige dit tijdens zijn verblijf in de inrichting kan gebruiken, of om uit te keren aan het einde van het verblijf van de jeugdige in de inrichting. Uitkering van een bedrag aan het einde van het verblijf wordt gedaan aan de jeugdige of diens wettelijke vertegenwoordiger. Indien de jeugdige naar een andere inrichting wordt overgeplaatst, dan wordt het bewaarde zakgeld overgemaakt aan die inrichting. Het zakgeld kan - tot ten hoogste het zakgeld van zeven dagen - worden aangewend tot vergoeding van schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad van de jeugdige.

In de huisregels kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bezit van contant geld en het gebruik van de rekening-courant. Deze regels kunnen een beperking inhouden van het bedrag waarover de jeugdige ten hoogste in contanten of door middel van zijn rekening-courant mag beschikken. De mogelijkheid tot het verstrekken van zakgeld aan de jeugdige is overgenomen uit artikel 69 Wet op de jeugdhulpverlening (oud). De hoofdregel ten aanzien van het bezit van contant geld is dat dit bezit in de inrichtingen is verboden. Het bezit van contant geld impliceert het gevaar van gokken en eventueel daarmee gepaard gaande bedreigingen. De verstrekking van zakgeld en de betaling van aankopen vinden vrijwel altijd plaats via een rekening-courant tussen de inrichting en de jeugdige. Dit is slechts anders indien de jeugdige aan het einde van de vrijheidsbeneming deelneemt aan bijvoorbeeld een project als begeleid kamer wonen.[8]

Als bij de jeugdige of in een voor hem bestemde brief vreemde valuta worden aangetroffen, worden deze valuta voor de jeugdige in de kas bewaard tot zijn vertrek. Indien het gaat om euro’s, dan worden deze geboekt op de rekening-courant, voor zover daarbij het maximaal toegestane saldo van € 500,– niet wordt overschreden. Als het maximaal toegestane saldo is bereikt, worden de overige euro’s voor de jeugdige in de kas bewaard tot zijn vertrek.

Op het moment van het ontslag wordt maximaal € 500,– contant meegegeven. Het geld dat zich op dat moment in de kas bevindt kan ook worden gestort op een op naam van de jeugdige staand bankrekeningnummer. Dit kan echter per inrichting verschillen. 

Wanneer geld wordt overgeschreven naar de rekening-courant, dan moet de afzender bij de overboeking de achternaam, de voorletters en het registratienummer van de jeugdige vermelden. Zonder aanwezigheid van die gegevens wordt de storting niet verwerkt en wordt het geld teruggestort naar de afzender. 

Financiële transacties kunnen aanleiding geven tot nader onderzoek. Het betalen van een geldboete is een financiële transactie. Indien de jeugdige geld uit het buitenland ontvangt, is dit een financiële transactie. Wanneer de jeugdige gebruik maakt van een acceptgirokaart om geld over te maken, worden de kosten daarvan aan hem doorberekend. Indien de financiële administratie een internationale postwissel of bankcheque voor de jeugdige moet inwisselen, is zijn handtekening vereist. De verwerking neemt ongeveer drie weken in beslag. Het is niet toegestaan geld over te maken naar een andere jeugdige.

Voorbeeld:
Juiste belangenafweging bij de weigering door de directeur een bedrag van klagers rekening-courant over te boeken naar een rekening van een derde buiten de inrichting. Relatie tussen klager en de betreffende derde is onduidelijk en groepsgenoot die wel relatie met die persoon had was betrokken bij opmerkelijke geldstromen. Beroep hoofd inrichting gegrond, beklag alsnog ongegrond.[9]

Post en correspondentie 
Op grond van artikel 41 Bjj heeft een jeugdige het recht om post te ontvangen en te verzenden. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij de directeur anders bepaalt, voor rekening van de jeugdige.

Paragraaf 7.5 van de Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen (Rmhjji) bepaalt dat de directeur bevoegd is enveloppen of andere poststukken afkomstig of bestemd voor de jeugdige te openen om te kijken of er voorwerpen worden meegestuurd. Medewerkers van de inrichting mogen ook de inhoud van een brief of een ander poststuk controleren om de volgende redenen: de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting; de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten; de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven; de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige; de uitvoering van het perspectiefplan. Dit toezicht kan ertoe leiden dat de directeur besluit een (gedeelte van) een brief of een ander poststuk te laten kopiëren voordat het verstuurd wordt of uitgereikt aan de jeugdige. 

De directeur kan weigeren bepaalde brieven of andere poststukken die de jeugdige wil versturen te verzenden. De directeur kan ook weigeren bepaalde brieven of andere poststukken die voor jou bestemd zijn aan jou uit te reiken. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor het weigeren van bezoek zoals beschreven in paragraaf 7.1 Rmhjj. Niet uitgereikte brieven of poststukken worden: of in de inrichting bewaard en aan de jeugdige teruggegeven als hij in vrijheid wordt gesteld; of op kosten van de jeugdige naar de afzender of naar een door de jeugdige opgegeven adres gestuurd; of met toestemming van de jeugdige vernietigd; of aan een opsporingsambtenaar overhandigd, als dit nodig is ter voorkoming of opsporing van strafbare feiten.

Paragraaf 7.6 Rmhjji bepaalt dat voor de verzending en ontvangst van post van geprivilegieerde contacten andere regels gelden. Geprivilegieerde contacten worden beschreven in artikel 42 Bjj en zijn onder andere de leden van de commissie van toezicht en beklagcommissie, de advocaat van de jeugdige en de Nationale Ombudsman. Indien een brief bestemd is voor een geprivilegieerd contact moet de jeugdige dit duidelijk op de envelop vermelden. De envelop moet open worden aangeboden, in ieder geval voorzien van de naam en de groepsnaam van de jeugdige. Daarnaast dient de envelop voldoende gefrankeerd te zijn. 

Er mag geen controle worden uitgeoefend op de inhoud van een brief of een ander poststuk van de jeugdige aan een geprivilegieerde persoon of voor de jeugdige van een geprivilegieerde persoon. Wel kan de brief in aanwezigheid van de jeugdige worden geopend om te kijken of er geen voorwerpen worden meegezonden.

Controle van geprivilegieerde post bij kamerinspectie
Veel jeugdigen bewaren in hun kamer enveloppen of andere poststukken afkomstig van personen of instanties zoals de advocaat of de rechtbank. Geregeld vinden kamerinspecties plaats waarbij onder andere wordt gezocht naar contrabande. Uitgangspunt is dat enveloppen, verzonden aan of afkomstig van personen of instanties als bedoeld in artikel 42, eerste en tweede lid, van de Bjj (de zogenaamde geprivilegieerden), slechts in het bijzijn van de jeugdige mogen worden geopend en gecontroleerd met het oog op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen, zie ook de Regeling geprivilegieerde post jeugdigen jeugdinrichtingen. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 41 Bjj blijkt dat dit gebeurt om te waarborgen dat deze controle zich niet uitstrekt tot de geschreven inhoud van de poststukken. 

De vraag of de bescherming ook geldt in het geval dat de geopende envelop zich op de kamer van de jeugdige bevindt, dient bevestigend te worden beantwoord.[10] Niet valt in te zien waarom de waarborg voor de bescherming van de inhoud van geprivilegieerde post die zich in een envelop bevindt, vervalt zodra de post na binnenkomst door de jeugdige naar zijn kamer is gebracht. Hierbij wordt gewezen op het zwaarwegende belang van bescherming van de vrije en onbelemmerde communicatie tussen de advocaat en zijn cliënt. Deze zwaarwegendheid komt tot uitdrukking in de artikelen 41, tweede lid en 44, vierde lid, van de Bjj. Tevens is bij wet vastgelegd dat telefoongesprekken tussen jeugdigen en hun advocaat niet mogen worden opgenomen. 

Uit deze bepalingen komt duidelijk naar voren dat de communicatie tussen advocaat en jeugdige vertrouwelijk, beschermd en niet inzichtelijk voor derden behoort te zijn en te blijven. Dit is niet alleen van belang voor de individuele jeugdige die zich veilig moet kunnen voelen in het voeren van correspondentie en het onderhouden van contacten met zijn vertrouwenspersoon. Het is tevens van belang dat jeugdigen weten dat zij zich onbelemmerd kunnen wenden tot geprivilegieerde hulpverleners, omdat de vertrouwelijkheid van correspondentie en gesprekken goed is gewaarborgd. Binnen deze ratio past een analoge toepassing van de 41 en 42 van de Bjj ten aanzien van post die zich in een envelop in de kamer van de jeugdige bevindt. Indien dus in de kamer van een jeugdige een dergelijke envelop wordt aangetroffen, mag deze slechts in aanwezigheid van de jeugdige doorzocht worden ter controle op contrabande. 

Preciosa
Identiteitsbewijzen, horloges, sieraden, juwelen en andere waardevolle zaken - zogeheten preciosa - worden op een aparte beveiligde plaats in de inrichting bewaard. In verband met het risico op beschadiging of zoekraken, wordt aanbevolen om de invoer van dit soort goederen te beperken. Voor de opslag van duurdere voorwerpen en kostbaarheden, denk bijvoorbeeld aan juwelen, geldt een speciale procedure. 

Bij binnenkomst in de JJI worden deze preciosa, voor zover de jeugdige ze niet onder zich wil of mag houden, opgeslagen in genummerde en doorzichtige enveloppen. Hierop wordt de preciosa precies beschreven en wordt door zowel de jeugdige als de bewaarder een handtekening gezet, als controle voor afsluiting. In het geval de inrichting niet voldoet aan deze procedure, komt een vermissing van de goederen voor rekening van de inrichting.[11]

Registratie van goederen
De directeur is bevoegd voorwerpen die verboden zijn dan wel ten aanzien waarvan geen toestemming is verleend in beslag te nemen. Hij draagt zorg dat deze voorwerpen hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve van de jeugdige op diens kosten worden bewaard, hetzij met toestemming van de jeugdige worden vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming of de opsporing van strafbare feiten.[12] 

Op grond van jurisprudentie in schadezaken ten aanzien van goederen van jeugdigen wordt geadviseerd van de voorwerpen die door een jeugdige in de inrichting worden in- en uitgevoerd een registratie bij te houden. Dit gebeurt dit met behulp van inventarislijsten waarop tevens mutaties worden bijgehouden. Het nauwkeurig bijhouden van deze administratie kan bij verzoeken tot schadevergoeding van veel nut zijn en onnodige onkosten in verband met het uitkeren van schadevergoedingen voorkomen.

Voorbeeld:
Niet onaannemelijk dat klager de door hem genoemde kledingstukken voor zijn overplaatsing in zijn bezit heeft gehad en dat deze zich na zijn overplaatsing niet bij zijn spullen bevonden. Er is geen inventarislijst overgelegd van de goederen die klager tijdens zijn verblijf in zijn bezit had, en evenmin een inventarislijst van de bezittingen die bij de overplaatsing met klager zijn meegegeven en/of nagezonden. Beroep gegrond en tegemoetkoming € 10,=.[13]

Opslag van goederen
De directeur is niet verplicht voorwerpen van jeugdigen in de inrichting te bewaren. Voorwerpen die de jeugdigen niet in hun kamer mogen houden, kunnen buiten de inrichting op kosten van de betrokken jeugdige worden opgeslagen of naar een door hem opgegeven adres worden verzonden.

Het komt voor dat jeugdigen aanzienlijke hoeveelheden voorwerpen buiten hun kamer in de inrichting laten opslaan. Het transport bij overplaatsing en de opslag ervan zorgt dan ook voor extra druk op de  vervoers- en opslagcapaciteit. Daarbij is de kans op beschadigen en zoekraken van goederen niet ondenkbaar. Aangeraden wordt dan ook om te kijken of het aantal goederen van jeugdigen in de inrichting buiten kamer kan worden verminderd. Hierover dienen dan ook duidelijke bepalingen in de huisregels te worden opgenomen. Tevens kunnen in de huisregels bepalingen worden opgenomen over de frequentie waarmee jeugdigen voorwerpen in en uit de bewaring kunnen (laten) halen.[14]

Kamerinspectie en afwezigheid jeugdige
Het komt regelmatig voor dat voorwerpen van jeugdigen vermist of beschadigd raken na of tijdens een kamerinspectie. Ook andere gebeurtenissen, waarin voorwerpen beschadigd en/of kwijt raken tijdens de afwezigheid van de jeugdige, zijn denkbaar. Er heerst dan ook veel onduidelijkheid over wie hiervoor verantwoordelijk is.

Beschadiging en vermissing bij kamerinspectie
De directeur is op grond van artikel 39, eerst lid van de Bjj bevoegd in het kader van het algemeen toezicht de kamer van een jeugdige te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die niet in zijn bezit mogen zijn. Daarbij is het niet mogelijk  vóór het uitvoeren van een kamerinspectie aan te  geven in welke staat de goederen op de kamer zich verkeren.  Bij gebleken beschadigingen is het dan ook de taak van de jeugdige om aannemelijk te maken dat de schade door toedoen van het personeel is ontstaan. Het is echter wel de directeur die op dat moment de verantwoordelijkheid draagt over de goederen van een jeugdige. Zo is het hoofdregel dat de deuren van een kamerruimte worden gesloten tijdens de afwezigheid van de jeugdige (bijvoorbeeld na de inspectie). Als dit niet gebeurt, dan is de directeur in principe verantwoordelijk voor eventuele vermissingen en/of beschadigingen.

Voorbeeld
1. Bij een kamercontrole moeten alle daarin aanwezige voorwerpen worden onderzocht. Tijdens een reguliere kamercontrole was geconstateerd dat klager een ketting op zijn kamer bewaarde. De ketting was niet herkenbaar als een voorwerp van waarde. De groepsleiding dacht dat het een zelfgemaakt voorwerp betrof en meende dat er drugs in verborgen waren. Na afloop van de controle is gebleken dat het een religieus voorwerp betrof. Het was de eerste keer dat er een “koranketting” was aangetroffen. Klager had de ketting nooit zichtbaar gedragen en de groepsleiding wist niet dat hij deze had. 

De beroepscommissie heeft geoordeeld dat de inrichting niet met voldoende zorg is omgegaan met klagers ketting. Niet is gebleken dat is nagegaan of het een bij klagers binnenkomst onderzochte en geregistreerde ketting betrof. Verder hadden de met de controle belaste personeelsleden zich (beter) moeten realiseren dat het openscheuren van de ketting onherstelbare schade zou veroorzaken. Daarbij is in huisregels de aansprakelijkheid van de inrichting voor schade aan voorwerpen van jeugdige ten onrechte uitgesloten. Er is dan ook sprake van onzorgvuldig handelen van personeel tijdens de kamerinspectie waardoor de directeur aansprakelijk is voor schade aan koranketting van jeugdige. Het beroep is alsnog gegrond verklaard zonder tegemoetkoming.[15] 

Indien geen sprake is van schending van de zorgplicht, dan draagt de jeugdige eigen verantwoordelijkheid, zoals blijkt uit voorbeeld 2. 

2.Het is gebruikelijk dat de celdeuren worden opengemaakt tijdens de terugkeer van ingeslotenen op een afdeling. Het is op dat moment het personeel dat toezicht dient te houden. Dit toezicht is onderdeel van de zorgplicht die een directeur draagt. Als niet vast kan komen te staan dat in deze zorgplicht te kort wordt geschoten, is een vermissing of beschadiging niet langer toe te rekenen aan de inrichting.[16] 

Aansprakelijkheid van de directeur bij vermissing of schade
Het uitgangspunt bij vermissing van of schade aan goederen is dat de jeugdige zelf aansprakelijk is voor voorwerpen die hij bij of met zich meedraagt. Hetzelfde geldt voor voorwerpen die in de verblijfruimtes zijn geplaatst. De aansprakelijkheid van de directeur voor eigendommen van de jeugdige wordt door artikel 82 van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Rjj) beperkt: ‘Buiten geval van opzet of bewuste roekeloosheid is de aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een jeugdige ingevolge artikel 50, tweede lid, van de wet onder zich heeft, beperkt tot 500 euro per voorwerp, inclusief eventuele gevolgschade.

Hiermee wordt de directeur in beginsel uitgesloten van verdere verantwoordelijkheid en behoudt de jeugdige zijn verantwoordelijkheid voor zijn eigen bezittingen, zoals ook in het normale leven het geval is. Dit neemt natuurlijk niet weg dat de detentiesituatie grote verschillen kent ten opzichte van de vrije samenleving: aan de invoer van voorwerpen komen bijvoorbeeld diverse handen te pas. Tijdens detentie kunnen kamerinspecties worden gehouden, waarbij alle zich daar bevindende voorwerpen grondig worden door- en onderzocht buiten de aanwezigheid van de jeugdige zelf. Ook worden bij de overplaatsing van jeugdigen hun bezittingen, voor zover zij deze niet meedragen, separaat getransporteerd.

Voorbeeld
Beklag ten aanzien van vermissing van kleding en schoeisel is zo tijdig als mogelijk ingesteld. Aannemelijk is geworden dat aansprakelijkheid voor vermissing in eerste instantie is erkend door de directeur. Directeur is aansprakelijk voor vermissing. De Rjj beperkt de aansprakelijkheid tot € 500,= per voorwerp. In casu zijn meerdere voorwerpen vermist. Beroep directeur ongegrond.[17]

Bewaartermijn
In de circulaire voorwerpen van ingeslotenen wordt geadviseerd in de huisregels bepalingen op te nemen over de bewaartermijn van de goederen die in de inrichting achterblijven na ontslag, spoedeisende overplaatsing, na onttrekking aan de detentie of na overlijden van een ingeslotene. Deze termijn is in zijn algemeenheid bepaald op (ten minste) zes maanden.

Transport van goederen
Dagelijks worden goederen van jeugdigen getransporteerd door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O). Dit gebeurt op basis van de Regeling vervoer van justitiabelen en de ‘circulaire vrachtvervoer en aansprakelijkheid bij schade’. Artikel 10 van de Regeling vervoer van justitiabelen bepaalt dat tijdens het transport vanuit een inrichting uitsluitend bagage wordt meegenomen die door de directeur of het hoofd van de inrichting wordt meegegeven en is verpakt in een gesloten bagagedoos of preciosazak. Per persoon wordt niet meer dan één bagagedoos en/of preciosazak meegenomen. Dieren worden niet meegenomen.

Op grond van artikel 13 van de Regeling vervoer van justitiabelen blijft de bagagedoos of preciosazak gedurende het transport in beheer van de transportgeleider. Een bagagedoos of preciosazak wordt niet geopend. Zonder uitdrukkelijke toestemming van de transportuitvoerder, worden van derden geen goederen aangenomen of meegenomen.

De vrachtdienst van de DV&O verzorgt het vervoer van goederen van jeugdigen die niet in één bagagedoos verpakt kunnen worden.[18] Dit vervoer vindt plaats op aanvraag van de inrichting. Het deugdelijk verpakken van de door de vrachtdienst van de DV&O te vervoeren vracht en het invullen van de vrachtbrief valt onder de verantwoordelijkheid van de verzendende inrichting. De vrachtdienst stelt hiervoor op verzoek de benodigde vrachtdozen en brieven beschikbaar aan de inrichtingen. De chauffeur van de vrachtdienst tekent alleen voor het aantal dozen dat hij in ontvangst neemt, niet voor de inhoud daarvan. Open dozen of dozen die zijn dichtgevouwen maar niet zijn dichtgeplakt worden geweigerd. Zoals is opgenomen inde circulaire voorwerpen van ingeslotenen blijft een kopie van de vrachtbrief, met de naam en paraaf van de chauffeur erop, achter bij de verzendende inrichting. Hiermee heeft deverzendende inrichting dus een bewijs van afgifte.

Bij aflevering van de vracht bij de ontvangende inrichting tekent de ontvanger met vermelding van diens naam voor ontvangst op de vrachtbrief. Een kopie van deze brief gaat mee met de chauffeur. Indien zich tijdens het vervoer omstandigheden hebben voorgedaan die schade hebben dan wel kunnen hebben veroorzaakt aan de vracht, maakt de chauffeur hiervan een aantekening op de vrachtbrief en meldt dit bij de ontvangende inrichting en het hoofd van de vrachtdienst. Indien bij aflevering blijkt dat de zending niet compleet is, gaat het aanwezige deel mee terug met de chauffeur. De vrachtdienst zoekt vervolgens uit waar het ontbrekende deel van de zending is en voegt dit weer samen. De complete zending wordt vervolgens bij de ontvangende inrichting afgeleverd. Deelleveranties zijn niet toegestaan. Dit ter voorkoming van misverstanden over wat wel en wat niet is afgeleverd.

Aansprakelijkheid bij schade en afhandeling
In het geval dat tijdens of rondom het transport van eigendommen van ingeslotenen schade aan deze eigendommen ontstaat of eigendommen worden vermist, geldt dat de verzendende inrichting in beginsel hiervoor aansprakelijk is. Pas als de ontvangende inrichting voor ontvangst van de eigendommen heeft getekend, gaat deze aansprakelijkheid over op de ontvangende inrichting.


Klachten dienen dus afhankelijk van of er wel of niet is getekend voor ontvangst, bij de verzendende dan wel de ontvangende inrichting te worden gedeponeerd. Blijkt dat de DV&O/vrachtdienst aansprakelijk is voor de geconstateerde schade, dan zal op grond van voornoemde procedure aansprakelijke inrichting een eventuele claim eerst zelf afhandelen en de overeengekomen schadevergoeding aan de klager betalen. Vervolgens verhaalt de betreffende inrichting de uitgekeerde schadevergoeding op de DV&O/vrachtdienst. De klager zal derhalve niet zelf contact hebben met de DV&O.

Voorbeeld:
1. Het feit dat goederen aan DV&O zijn overgedragen, betekent niet dat daarmee de verantwoording van de directeur ophoudt. Nu ook de directeur op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de jassen door toedoen van klager in het ongerede zouden zijn geraakt, kan de vermissing ervan niet aan klager worden tegengeworpen.[19]

2. Met betrekking tot de aansprakelijkheid van inrichtingen van het gevangeniswezen voor het vervoer van goederen van jeugdigen geldt als uitgangspunt dat de verzendende inrichting aansprakelijk is voor de vracht. Na tekenen voor ontvangst door de ontvangende inrichting gaat de verantwoordelijkheid over op deze inrichting.[20]

Beklag tegen een beslissing van de directeur
Vanwege het individuele karakter van het beklagrecht, zijn uitsluitend (directie)beslissingen voor beklag vatbaar  die jegens de jeugdige persoonlijk zijn genomen en is dus geen beklag mogelijk tegen algemeen geldende regels. Uiteindelijk kunnen zich ten aanzien van de beklagwaardigheid drie verschillende voordoen:

a
. het voorwerp staat op de lijst van verboden voorwerpen.
Een klacht van de jeugdige over de weigering van de directie tot invoer van dat verboden voorwerp, zal niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Het betreft immers een klacht over een algemene op de wet gebaseerde regeling.[21]

b.
het voorwerp staat op de lijst van toegestane voorwerpen.
Indien het voorwerp op deze lijst staat, zal een klacht van een jeugdige over de weigering van de directie tot invoer van dat in beginsel toegestane voorwerp ontvankelijk moeten worden verklaard. De beklagrechter dient te beslissen over de redelijkheid en billijkheid van de directiebeslissingen.

c.
het voorwerp staat op geen van beide lijsten.
In dit geval zal een klacht van een jeugdige over de weigering van de directie tot invoer van het op geen van de lijsten genoemde voorwerp moeten worden getoetst aan de redelijkheid en billijkheid. Het is immers aan de directeur om, indien een voorwerp niet op de lijst staat van verboden, noch op die van toegestane voorwerpen, in alle gevallen een afweging te maken, zodat de redelijkheid en billijkheid daarvan door een beklagcommissie kan worden getoetst; een botte weigering zal tot gegrond verklaring van de klacht leiden.[22]

Verder moet duidelijk voor ogen worden gehouden dat, wanneer een beklagcommissie een geldbedrag uitkeert vanwege schade of vermissing van goederen, het niet gaat om een schadevergoeding. De beklagcommissie geeft enkel een vergoeding voor het geleden ongemak; een zogeheten tegemoetkoming. In geval er sprake is van schade en indien deze schade eenvoudig is te begroten, kan aanleiding bestaan schadevergoedingsaspecten te betrekken bij de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming. Voor een eventuele schadevergoeding kan de jeugdige een verzoek doen aan de directeur van de inrichting of zich richten tot de civiele rechter.[23]
______________________________

[1] RSJ 2 april 2013, 13/0430/JA.
[2] Artikel 2 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
[3] Cleiren & Nijboer, Tekst en commentaar Strafrecht, 9e druk, p. 2190-2191.
[4] RSJ 16 maart 2013, 13/3209/JA.
[5] RSJ 9 maart 2016, 15/3732/JA.
[6] Cleiren & Nijboer, Tekst en commentaar Strafrecht, 9e druk, p. 2190-2192.
[7] RSJ 9 december 2013, 13/3513/GA.
[8] Memorie van Toelichting op art. 51 Bjj.
[9] RSJ 3 augustus 2015, 15/1117/JA.
[10] RSJ 29 januari 2014, 13/1993/GA en RSJ 14 maart 2014, 13/3740/GA.
[11] C. Kelk, Nederlands Detentierecht, Kluwer: Deventer 2008, p. 234.
[12] art. 50 lid 5 Bjj.
[13] RSJ 27 november 2012, 12/2560/JA
[14] circulaire voorwerpen van ingeslotenen van 9 december 2013, kenmerk 460022
[15] RSJ 9 maart 2005, 04/3108/JA.
[16] RSJ 25 mei 2010, 10/0626/GA.
[17] RSJ 8 juni 2011, 11/0811/JA
[18] art. 14 Regeling vervoer van justitiabelen
[19] RSJ 1 oktober 2012, 12/2160/JA.
[20] 2 maart 2016, KC 2016/013
[21] RSJ 14 december 2015, 15/2930/GA.
[22] RSJ 18 april 2016, 15/3042/GA.
[23] RSJ 2 april 2013, 13/0430/JA.