Sla inhoud over

Telefoon gedetineerden

Recht op telefoneren
Een belangrijk medium voor het leggen van contact met de buitenwereld voor gedetineerden vormt de telefoon. In iedere inrichting is een telefoon aanwezig. Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Pbw heeft de gedetineerde het recht ten minste eenmaal per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen met behulp van een daartoe aangewezen toestel gedurende tien minuten een of meer telefoongesprekken te voeren met personen buiten de inrichting. Op grond van artikel 39, vierde lid, van de Pbw wordt de gedetineerde in staat gesteld met de in artikel 37, eerste lid, genoemde personen en instanties telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaat.

Kosten
In beginsel komen de kosten van de gesprekken voor rekening van de gedetineerde, tenzij de directeur anders bepaalt.[2] In de meeste gevallen werken de telefoons op telefoonkaarten die gedetineerden kunnen aanschaffen bij de inrichtingswinkel.
Tevens is het voor gedetineerden mogelijk om “collect call” te bellen door middel van de zogeheten “terugbeldienst”. Hierdoor neemt degene die de gedetineerde belt de telefoonkosten op zich.

Privacy
De Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) heeft in haar uitspraak met kenmerk 15/3445/GA bepaalt dat een directeur er voor dient te zorgen dat een gedetineerde van het recht om te telefoneren - vastgelegd in artikel 39 lid 1 van de Pbw - gebruik kan maken op een wijze waarbij zijn/haar recht op privacy zoveel als redelijkerwijs mogelijk is gewaarborgd wordt.

Op 17 augustus 2016 oordeelde de RSJ met kenmerk 15/3051/GA derhalve als volgt: “Uit eigen bevindingen van de beroepscommissie is gebleken dat de telefooncel die klager gebruikt ook na het treffen van bouwkundige maatregelen gehorig is en dat anderen, die zich in de belendende telefooncel bevinden, het gesprek goed kunnen volgen. Onweersproken staat vast dat het niet mogelijk is gebleken om een regeling te treffen waarbij beide telefooncellen niet gelijktijdig worden gebruikt. Gelet hierop is de beroepscommissie van oordeel dat de privacy tijdens het telefoneren onvoldoende is gewaarborgd. Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard. De beroepscommissie acht termen aanwezig voor het toekennen van een tegemoetkoming en zal deze vaststellen op € 25,=. Ten overvloede merkt de beroepscommissie op dat zij kennis heeft genomen van de toezegging van de directeur dat naar een oplossing wordt gezocht om de privacy tijdens het telefoneren te waarborgen.”

De beroepscommissie van de RSJ oordeelde tevens in haar uitspraak van 9 maart 2016 met kenmerk 15/3445/GA dat de privacy van gedetineerden onvoldoende was gewaarborgd: “Privacy tijdens telefoneren is onvoldoende gewaarborgd op afdeling F1, met name door de positionering van de telefoonvoorzieningen ten opzichte van het kantoor en de recreatietafel. Beroep gegrond, tegemoetkoming €10,=.“

Telefonisch contact met geprivilegieerde personen en instanties
Er zijn verschillende geprivilegieerde personen en instanties, deze worden opgesomd in artikel 37 lid 1 Pbw. Indien een gedetineerde telefonisch contact wil met een geprivilegieerde persoon of instantie zoals een advocaat of de Commissie van Toezicht, dan dient hij vanuit de inrichting hiervoor de mogelijkheid te krijgen, mits hiertoe de noodzaak en gelegenheid bestaat. Toezicht op telefoongesprekken met geprivilegieerden is enkel ter vaststelling van de identiteit van de betrokken geprivilegieerde persoon of instantie toegestaan. Wanneer bij het houden van toezicht blijkt dat gesprekken met geprivilegieerden zijn opgenomen, moeten deze terstond worden gewist (artikel 23a lid 3 Pm).

Recht op ongestoord contact met advocaat
In artikel 39, vierde lid, van de Pbw, is bepaalt dat een gedetineerde recht heeft op ongestoord telefonisch contact met zijn advocaat. Er wordt in geval van een geprivilegieerd contact, zoals een advocaat, geen ander toezicht op de gesprekken uitgeoefend dan noodzakelijk is om de identiteit van de persoon met wie de gedetineerde een gesprek voert of wenst te voeren vast te stellen.

De beroepscommissie van de RSJ oordeelde in haar uitspraak van 20 september 2016 met kenmerk 16/1698/GA als volgt: “Klager heeft op 15 februari verzocht zijn advocaat te mogen bellen en het afdelingspersoneel heeft hem te kennen gegeven, aldus de directeur, dat dit mogelijk was op kantoor. Er bestond geen noodzaak om de identiteit van de persoon met wie klager wilde bellen vast te stellen, maar toezicht was nodig omdat het gesprek alleen kon plaatsvinden in het kantoor waar zich allerlei spullen bevonden. Het bellen vond plaats op een kantoor dat bestaat uit twee openstaande delen: klager heeft in de ene ruimte zitten bellen, waarbij toezicht is gehouden door het afdelingspersoneel. Naar het oordeel van de beroepscommissie kan op grond van deze feiten en omstandigheden niet vastgesteld worden dat klager in vertrouwen met zijn raadsman heeft kunnen telefoneren, nu het afdelingspersoneel in de buurt stond om toezicht te houden. Dat uit onderzoek, waarover de directeur overigens geen nadere mededeling doet, niet is gebleken dat het personeel klager heeft afgeluisterd, maakt dit niet anders. Dat geen andere plek gerealiseerd kon worden om aan de eisen van artikel 39, vierde lid, van de Pbw tegemoet te komen, is niet gebleken. Met klager is de beroepscommissie dan ook van oordeel dat is gehandeld in strijd met eerder vermeld artikel van de Pbw, hetgeen tot gevolg heeft dat het beroep gegrond zal worden verklaard en de beslissing van de beklagrechter zal worden vernietigd. De beroepscommissie acht termen aanwezig voor het toekennen van een tegemoetkoming van na te noemen hoogte."

Indien een geprivilegieerd contact, zoals een advocaat, de inrichting heeft gebeld en door een gedetineerde teruggebeld wil worden, dan wordt dit aan de gedetineerde doorgegeven. Het geprivilegieerd contact dient de urgentie van het terugbellen aan de inrichting aan te geven.
Indien het op een bepaald tijdstip niet mogelijk is om te bellen of terug te bellen op diens verzoek met een geprivilegieerd contact, maar dit wel noodzakelijk is dient de gedetineerde dit met redenen uit te kunnen leggen aan het personeel. Het afdelingshoofd bepaalt dan of een uitzondering, op de vastgestelde tijden waarbinnen telefoneren mogelijk is, kan worden gemaakt.

Toezicht op telefoongesprekken
Op de telefoongesprekken die gedetineerden voeren kan toezicht worden uitgeoefend. Dit toezicht kan bestaan uit het beluisteren of uitluisteren van een opgenomen telefoongesprek, mits dit noodzakelijk is ter vaststelling van de identiteit van de persoon met wie de gedetineerde in gesprek is of met het oog op een van de volgende limitatief genoemde belangen (artikel 36 lid 4 Pbw);
a) de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b) de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;
c) de voorkoming of opsporing van strafbare feiten;
d) de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven.

De noodzaak tot het treffen van een toezichtmaatregel moet blijken uit concrete aanwijzingen; het ontbreken hiervan kan de noodzaak tot het treffen van de toezichtmaatregel niet rechtvaardigen, aldus de RSJ.[3] Volgens de nota van toelichting horende bij het Besluit toezicht telefoongesprekken moet aan het toezicht een belangenafweging voorafgaan. Tevens moet de aard en de redenen van het toezicht aan de gedetineerde worden medegedeeld.[4]

Bewaartermijn opgenomen gesprekken
De opnames van telefoongesprekken mogen maximaal acht maanden worden bewaard. Na deze periode moet het gesprek worden gewist.[5] Het opnemen en langer bewaren dan deze termijn, is volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in strijd met artikel 8 EVRM waarbij het recht op privacy wordt gewaarborgd.[6]

Weigering en beëindiging gesprekken
De directeur is bevoegd het voeren van een telefoongesprek te weigeren. Het weigeren van bepaald(e) telefoongesprek(ken) betreft een beslissing welke voor maximaal twaalf maanden mag worden genomen. Algehele belverboden zijn niet toegestaan.[7] Voor een directe weigering voor een maximumtermijn van twaalf maanden kan alleen in de volgende limitatief genoemde gevallen sprake zijn:
a) een gedetineerde die verdacht wordt van een terroristisch misdrijf;
b) een gedetineerde die al dan niet onherroepelijk is veroordeeld voor het begaan van een terroristisch misdrijf;
c) een gedetineerde waarbij de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven een weigering voor een zo lang mogelijke termijn vergt. [8]

In bovengenoemde gevallen moet de directeur een eigen belangenafweging maken, onderbouwd met schriftelijke verslaglegging. In KC 2012/096 werden de gesprekken van een gedetineerde, in het kader van zijn plaatsing op de lijst van Gedetineerden met een vlucht of maatschappelijk risico opgenomen (Zie voor meer informatie het dossier GVM-lijst. Dit is een lijst waar gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico op worden geplaatst), beluisterd en toegezonden aan GRIP (Gedetineerden Recherche Informatie Punt). De klacht van de gedetineerde is gegrond verklaard wegens het ontbreken van een eigen belangenafweging van de directeur, onderbouwd met schriftelijk verslaglegging. Tevens beoordeelde de beklagcommissie in deze zaak dat de toetsing aan criteria op basis van voor de gedetineerde voldoende inzichtelijke criteria moet geschieden.

Een aangevangen telefoongesprek kan door de directeur ook worden beëindigd. De beëindiging moet noodzakelijk zijn met het oog op een van de eerder genoemde belangen.[9]

Standaard opnemen van telefoongesprekken
In de “Verordening tot wijziging van de Verordening op de nummerherkenning” is opgenomen dat justitiële inrichtingen bevoegd zijn om toezicht te houden op telefoongesprekken van gedetineerden (artikel 39 lid 2 Pbw en uitgewerkt in Besluit toezicht telefoongesprekken justitiële inrichtingen, zie Stb. 2010, 700). Het toezicht mag alleen worden uitgeoefend op een viertal gronden, waaronder handhaving van de orde en veiligheid in de inrichting en voorkoming of opsporing van strafbare feiten. Om toezicht uit te oefenen worden gesprekken opgenomen. Het toezicht bestaat uit het beluisteren van gesprekken (gelijktijdig; realtime) of uitluisteren van opgenomen gesprekken (op een later moment). In de praktijk worden gesprekken in ruimere mate opgenomen dan er werkelijk toezicht op wordt uitgeoefend.

Door de invoering van het Telio-systeem - in 2010- worden alle telefoongesprekken die gedetineerden voeren standaard opgenomen. De RSJ heeft in haar uitspraak van 29 oktober 2012 geoordeeld dat het standaard opnemen van gesprekken in strijd is met een hogere regelgeving. Meer in het bijzonder met (de strekking van) artikel 39, tweede lid, van de Pbw juncto artikel 36, vierde lid van de Pbw.[10] Volgens de beroepscommissie voorziet de Pbw niet in een wettelijk grondslag voor het standaard opnemen van alle telefoongesprekken van gedetineerden (artikel 23a lid 2 Pm). [11] Volgens de beroepscommissie van de RSJ moet de directeur, mede in het licht van artikel 8 EVRM wat het recht op privacy waarborgt, een belangenafweging maken en beoordelen of het standaard opnemen van de gesprekken noodzakelijk is gelet op de belangen genoemd in artikel 36, vierde lid van de Pbw. Verder heeft de beroepscommissie geoordeeld dat het niet de bedoeling is dat telefoongesprekken met geprivilegieerde personen worden opgenomen.

In juli 2013 is het systeem van nummerherkenning ingevoerd. Hierdoor is het opnemen van telefoongesprekken tussen gedetineerden en advocaten onmogelijk gemaakt. [12] Het systeem van nummerherkenning werkt als volgt. Als een gedetineerde belt, dan wordt de opname van het gesprek automatisch geblokkeerd als hij belt met een opgegeven nummer van een advocaat. Deze blokkade vindt plaats direct bij aanvang van het gesprek. Medewerkers van een justitiële inrichting kunnen een dergelijk gesprek dan niet meer gelijktijdig beluisteren en/of naderhand uitluisteren. Alleen in de logbestanden van het systeem blijven datum, tijd en duur van het gesprek beschikbaar, maar het geheimhoudernummer wordt in een anonieme vorm weergegeven (06xxxxx en 035xxxxx). Aan de hand van deze gegevens kan Telio de kosten van een gesprek in rekening brengen bij de gedetineerde.

De staatssecretaris over het opnemen van telefoongesprekken
Op 1 augustus 2013 heeft de staatssecretaris zijn reactie gegeven op vragen gesteld door de Tweede Kamer. In zijn reactie heeft de staatssecretaris het beleidskader voor het opnemen van telefoongesprekken in penitentiaire inrichtingen geschetst.

De staatsecretaris verwijst daarbij naar artikel 13 van de Pbw. In dat artikel worden penitentiaire inrichtingen onderscheiden naar mate van beveiliging. De minister bepaalt de criteria waaraan gedetineerden moeten voldoen om voor plaatsing in een inrichting of een afdeling binnen een inrichting in aanmerking te komen. Deze criteria zijn neergelegd in de (ministeriële) Regeling Selectie, Plaatsing en Overplaatsing Gedetineerden (hierna RSPOG). Volgens de memorie van toelichting op de RSPOG is het risicoprofiel opgebouwd uit twee elementen, namelijk het vluchtrisico en het maatschappelijke risico.

In de Lijst Gedetineerden met een vlucht-/maatschappelijk risico wordt onderscheid gemaakt tussen gedetineerden met het profiel ‘verhoogd’, ‘hoog’ of ‘extreem’. Gedetineerden met het profiel ‘hoog’ en ‘verhoogd’ vormen een dusdanig risico dat zij wel in een reguliere, goed beveiligde inrichting (met beveiligingsniveau 3) geplaatst kunnen worden, maar dat specifieke toezichtmaatregelen in beginsel toegepast dienen te worden. Eén van de toezichtmaatregelen bij gedetineerden die op de GVM-lijst staan en daarbij het profiel “hoog” hebben, kan zijn dat telefoongesprekken worden opgenomen, beluisterd en geregistreerd. Dit is een beslissing die door de directeur genomen dient te worden.
De staatssecretaris heeft naar aanleiding van vragen in de Tweede Kamer aangegeven dat door de plaatsing van gedetineerden die voorkomen op de GVM-lijst in penitentiaire inrichtingen met beveiligingsniveau 3 of hoger, dat het noodzakelijk wordt geacht dat er in deze inrichtingen standaard telefoongesprekken worden opgenomen. In overige penitentiaire inrichtingen wordt in principe niet meer standaard worden opgenomen. Dit kan alleen indien sprake is van een uitzondering, bijvoorbeeld naar aanleiding van een incident gedurende een bepaalde periode.[13]

RSJ met kenmerk 14/0794/GA
De beroepscommissie wijst erop dat de staatssecretaris vanwege de potentiële aanwezigheid van gedetineerden op de GVM-lijst een zeer groot aantal inrichtingen heeft aangewezen waarin alle gesprekken worden opgenomen. De beroepscommissie stelt voorop dat op grond van de voor een GVM-gedetineerde geldende voorschriften en afhankelijk van het hem toegekende risicoprofiel noodzakelijk en gerechtvaardigd kan zijn om alle door hem gevoerde telefoongesprekken op te nemen, omdat zij een veiligheidsrisico kunnen opleveren. De beroepscommissie merkt hierbij op dat hierin de directeur de eigen verantwoordelijkheid heeft te bepalen welke controle- en veiligheidsmaatregelen op deze GVM-gedetineerde van toepassing zijn. Dat kan aldus betekenen het opnemen en beluisteren van door hem gevoerde telefoongesprekken maar dat hoeft niet.
Naar het oordeel van de beroepscommissie voert het te ver om vanwege de (mogelijke) aanwezigheid van GVM-gedetineerden in een inrichting alle vanuit die inrichting gevoerde gesprekken op te nemen. Bij het maken van een dergelijke inbreuk dient immers maatwerk te worden geleverd. Het is aan de directeur binnen de door de staatssecretaris geformuleerde grenzen de uitoefening van de aan hem toegekende bevoegdheden voor de controle op telefoongesprekken op een wijze te gebruiken die voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat vereist (telkens) een belangenafweging waarbij om te beginnen van belang is of zich in een inrichting ten tijde van het opnemen van gesprekken ook daadwerkelijk een GVM-gedetineerde bevindt van wie de gesprekken dienen te worden opgenomen, en of het opnemen van gesprekken kan worden beperkt tot deze gedetineerde of zo nodig tot de afdeling waar deze verblijft.

De beroepscommissie is van oordeel dat het standaard opnemen van telefoongesprekken met uitzondering van de gesprekken met contacten waarvan het telefoonnummer op de witte lijst staat, zoals thans door de staatssecretaris is voorgeschreven, in strijd is met hogere wetgeving, meer in het bijzonder met (de strekking van) artikel 39, eerste lid en tweede lid, van de Pbw.

Telefoongesprek(ken) met een medegedetineerde
Gedetineerden mogen telefoongesprekken met medegedetineerde, die verblijven in een andere inrichting, voeren mits het gaat om een aantoonbare levenspartner of familie in de eerste of tweede graad niet verblijvend in een EBI. [14] Voor de beoordeling van wie wel en wie niet als partner is te beschouwen moet gekeken worden of er sprake is van een affectieve relatie, de duur van de gezamenlijke huishouding en huisvesting en de inschrijving bij de bevolkingsadministratie. [15] Gedetineerden kunnen in dat geval een belregeling aanvragen via de afdeling Detentie en Re-integratie.

-----------------------------------------------------------------------------------------
[1] Op grond van zeer bijzondere omstandigheden kan een gerechtvaardigd behoefte aan extra telefoonfaciliteiten (extra telefoonmogelijkheid) bestaan. Bijvoorbeeld: medische en/of psychosociale problemen.
[2] Bij gebrek aan financiële middelen mag het voor geen enkel gedetineerde een beletsel zijn om telefonisch contact met zijn raadsman te kunnen zoeken. In een dergelijk geval moet de directeur beslissen dat het gesprek niet voor rekening van de gedetineerde komt, aldus, C. Kelk, Nederlands detentierecht, p. 230.
[3] RSJ, 19 maart 2012, 11/4423/GA.
[4] Artikel 23a lid 4 Besluit toezicht telefoongesprekken justitiële inrichtingen. Zie ook de toelichting op het Besluit.
[5] Artikel 23a Besluit toezicht telefoongesprekken justitiële inrichtingen.
[6] EHRM Doerga vs Nederland, 28 april 2004.
[7] RSJ, 15 juli 2011, 11/1773/SGA.
[8] Artikel 6 Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen . Zie ook RSJ 11/3177/GA, 21 februari 2012.
[9] Artikel 36 lid 4 Pbw.
[10] RSJ,29 oktober 2012, 12/1813/GA en 12/1847/GA.
[11] Het EHRM heeft in de zaak Doerga tegen Nederland (28 april 2004, zaaknummer: 50210/99) bepaald dat tappen en andere vormen van interceptie van telefoongesprekken heldere en gedetailleerde regels vereisen. Hiermee wordt beoogd adequate rechtsbescherming te verlenen tegen willekeurige inmengingen. Het ontbreken van een wettelijke grondslag vormt een ernstige inbreuk op artikel 8 EVRM.
[12] Stcrt. 2013, 18910.
[13] Kamerstukken II, 2012/13, 29279, 169, p. 2 en 3.
[14] Hoofdstuk 3.9.1 Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen.
[15] C. Kelk, Nederlands detentierecht 2008, p. 227.