Sla inhoud over

Arrestanten

Inleiding
In 2012 moest het begrotingstekort in Nederland fors worden teruggedrongen. Om dat te doen hebben de toenmalige regerings- en oppositiepartijen een Lenteakkoord gesloten. In dit akkoord was opgenomen dat er flink zou worden bezuinigd bij DJI. Deze afspraak is vervolgens met instemming van de Tweede Kamer in het Masterplan DJI 2013 – 2018 opgenomen.[1] Om de bezuinigingen mogelijk te maken is er bedacht om een sober ‘arrestantenregime’ in het leven te roepen. Het wordt een regime genoemd maar is eigenlijk een versobering van het basisprogramma dat in penitentiaire inrichtingen wordt aangeboden. Het sobere arrestantenprogramma houdt in dat er 28 uur aan activiteiten en geen arbeid tijdens de eerste acht weken van de detentie wordt aangeboden.[2]

In februari 2013 heeft de Raad voor Strafrechtstoepassing & Jeugdbescherming (RSJ) vanuit haar adviserende rol laten weten dat het voorstel van het arrestantenprogramma in strijd is met de wet.[3] Volgens de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft elke gedetineerde namelijk recht op arbeid. Dit recht zou kunnen worden beperkt, maar dat kan alleen als de Pbw wordt gewijzigd. De toenmalige Staatssecretaris Fred Teeven was het hier niet mee eens. Hij vond dat het arrestantenprogramma niet in strijd was met de wet en heeft ervoor gekozen de wet niet te wijzigen. Het ‘arrestantenregime’ is op 1 januari 2014 in werking getreden.[4]

Differentiatie en dagprogramma
Het ‘arrestantenregime’, of eigenlijk een arrestantenafdeling, is bestemd als een gevangenis met een regime van beperkte gemeenschap en is ondergebracht in een Normaal Beveiligde Inrichting (NBI). Zie voor meer informatie hierover het dossier overplaatsing. Dit betekent dat een arrestantenafdeling formeel precies hetzelfde is als een reguliere gevangenisafdeling. Het verschil zit in het dagprogramma dat wordt aangeboden. Op een reguliere gevangenisafdeling is er een basis- en plusprogramma. Het basisprogramma heeft ongeveer 42,5 uur aan activiteiten en het plusprogramma 48 uur.[5] Zie voor meer informatie het dossier promoveren en degraderen. Het dagprogramma op een arrestantenafdeling heeft slechts 28 uur aan activiteiten, dit komt met name omdat de arbeid van minimaal 20 uur per week niet aangeboden wordt. Er zijn zes penitentiaire inrichtingen die arrestantenafdelingen hebben. Dit zijn DC Rotterdam, DC Schiphol, PI Grave, PI Alphen aan den Rijn, locatie Eikenlaan, PI Lelystad en PI Nieuwegein, locatie Zeist.

Wie zijn arrestanten
Arrestanten zijn bij DJI iets anders dan arrestanten bij de politie. Bij de politie zijn arrestanten personen die zijn aangehouden (gearresteerd) en vastzitten in een politiecel. Arrestanten bij DJI zijn personen die eerder een straf, boete of maatregel opgelegd hebben gekregen en zich daaraan hebben onttrokken. In de Regeling selectie plaatsing en overplaatsing (Rspog) is limitatief opgesomd welke groep veroordeelden precies onder de term arrestanten valt bij DJI. Deze personen kunnen actief worden opgespoord door de politie of toevallig tegen de lamp lopen bij een controle. Arrestanten staan namelijk bij de politie op de signaleringlijst. De politie brengt ze over naar politiecellen waarna ze, afhankelijk van de regio waarin ze zijn aangehouden, worden overgebracht naar een arrestanteninrichting. Dit gebeurt door de politie zelf of door de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O). Volgens artikel 1 onder m van de Rspog zijn er vijf categorieën arrestanten:

  1. een al dan niet onherroepelijk veroordeelde die is aangehouden nadat hij zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf of de voorlopige hechtenis;
  2. een veroordeelde die is aangehouden nadat ten aanzien van hem de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf is gelast;
  3. een persoon die is aangehouden nadat hij zich heeft onttrokken aan de vervangende hechtenis als bedoeld in artikel 24c juncto artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, aan de gijzeling als bedoeld in artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften of aan de lijfsdwang als bedoeld in artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering[6] juncto artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht;
  4. een tot vrijheidsstraf veroordeelde die niet gedetineerd is op het moment waarop de rechterlijke uitspraak onherroepelijk wordt en die geen gehoor heeft gegeven aan een oproep tot het ondergaan van zijn vrijheidsstraf;
  5. een veroordeelde die is aangehouden nadat zijn voorwaardelijke invrijheidstelling is herroepen.


Hieronder wordt uitgebreid uitgelegd wat deze categorieën betekenen.

1. Onttrekking vanuit de gevangenis
De eerste categorie arrestanten zijn personen die zich tijdens hun verblijf in de gevangenis onttrekken aan de detentie. Deze personen zijn, al dan niet onherroepelijk, in eerste aanleg veroordeeld tot een vrijheidsstraf. Hieronder vallen dus geen personen die verblijven in een huis van bewaring. Je moet hierbij denken aan personen die verblijven in een Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA) en niet terugkeren van verlof. Echte ontvluchtingen of ontsnappingen uit gevangenissen komen in Nederland bijna niet voor.[7]

NB: onder deze categorie valt dus geen gedetineerde die onherroepelijk is veroordeeld tot de ISD (Inrichting Stelselmatige Daders) maatregel en zich onttrekt tijdens verlof. ISD is een maatregel en valt niet onder de noemer gevangenisstraf of voorlopige hechtenis. In de praktijk gebeurt het echter regelmatig dat een ISD’er na onttrekking en aanhouding op een arrestantenafdeling terecht komt, maar dit is dus niet de bedoeling. Deze groep dient in dat geval zo snel mogelijk overgeplaatst te worden naar een ISD inrichting.

2. Overtreding voorwaarden voorwaardelijke gevangenisstraf
De tweede categorie is de groep die door de rechter een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen waar voorwaarden aan zijn verbonden. In ieder geval de algemene voorwaarde dat er geen strafbaar feit mag worden gepleegd, vaak aangevuld met bijzondere voorwaarden die op de persoon zijn toegespitst. Denk hierbij aan een meldplicht, behandelverplichting etc. Indien deze persoon zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt, kan de officier van justitie bij de rechter de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk straf vorderen. Indien de persoon op vrije voeten is en de rechter de vordering toewijst, wordt de persoon bij de politie geregistreerd voor aanhouding.

3. Niet betalen geldboete, schadevergoedingsmaatregel of ontnemingsmaatregel
De derde categorie bestaat uit drie verschillende groepen.

  • De eerste groep zijn personen die zijn veroordeeld tot een geldboete door de rechter maar deze niet (volledig) betalen. De rechter bepaalt bij de uitspraak altijd hoeveel dagen vervangende hechtenis tegenover de geldboete staat als er niet wordt betaald. Er wordt niet meer dan één dag opgelegd per €25 van de geldboete. Deze vervangende hechtenis kan oplopen tot maximaal één jaar.[8] Na het ondergaan van de vervangende hechtenis hoeft er niet meer te worden betaald. In deze groep vallen ook de personen die zijn veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan een slachtoffer of de nabestaande maar deze niet betalen. Bij de verplichting om de schadevergoeding te betalen, legt de rechter vaak ook de zogenoemde schadevergoedingsmaatregel op. Deze maatregel houdt in dat de veroordeelde het bedrag betaalt aan de Staat en de Staat het bedrag uitbetaalt aan het slachtoffer of de nabestaande. Op deze wijze hoeft het slachtoffer of de nabestaande niet persoonlijk het bedrag te verhalen op de dader. Bij deze schadevergoedingsmaatregel bepaalt de rechter dat als de veroordeelde niet betaalt, hij of zij voor elke €25 één dag kan worden gegijzeld met een maximum van een jaar.[9] Gijzeling is een pressiemiddel om te gaan betalen. Dit betekent dat als de gijzeling (volledig) is ondergaan, er alsnog moet worden betaald.[10] Het heft de betalingsverplichting niet op.
  • De tweede groep zijn personen die in gijzeling zijn genomen op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (de Wet Mulder). Dit zijn personen die hun verkeersboete(s) niet hebben betaald. De officier van justitie kan in zo’n geval de kantonrechter vragen om de persoon te gijzelen als pressiemiddel om de verkeersboete(s) te betalen. Deze gijzeling duurt per boete maximaal één week. Ook hier heft de gijzeling de betalingsverplichting niet op. Indien iemand in gijzeling is genomen en hij betaalt de boete, dan dient hij/zij direct in vrijheid te worden gesteld.[11]
  • De derde groep zijn personen die zijn veroordeeld tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat (ook wel de ontnemingsmaatregel genoemd). Deze kan door de rechter worden opgelegd als een veroordeelde geld heeft verdiend met het plegen van strafbare feiten. De rechter bepaalt daarbij in de uitspraak hoeveel dagen gijzeling iemand moet ondergaan als er niet wordt betaald. Voor elke €25 wordt niet meer dan één dag gijzeling opgelegd en de gijzeling duurt maximaal drie jaar. Als er niet wordt betaald kan de officier van justitie de rechter vragen om de gijzeling toe te passen.[12] De gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Zodra iemand heeft betaald dient degene direct in vrijheid te worden gesteld.[13]


4. Zelfmeldoproep negeren
De vierde categorie arrestanten is de groep die hun strafproces in vrijheid mocht afwachten of ten tijde van de uitspraak op vrije voeten was en niet in voorlopige hechtenis zat. Deze veroordeelden krijgen na de uitspraak een brief thuis gestuurd, de zogenoemde zelfmeldbrief. In deze brief staat bij welke gevangenis de persoon zich op een bepaalde datum en tijdstip moet melden. Doet iemand dit niet, dan zal de persoon bij de politie worden geregistreerd voor aanhouding. De politie kan actief op zoek gaan naar deze personen of zij kunnen toevallig tegen de lamp lopen.[14]

5. Overtreden voorwaarden voorwaardelijke invrijheidstelling
De vijfde categorie arrestanten zijn de veroordeelden die na het uitzitten van hun gevangenisstraf voorwaardelijk in vrijheid zijn gesteld. Met de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen (Wet SenB) op 1 juli 2021 is het systeem van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) veranderd. Er is voorzien in overgangsrecht, waardoor er verschil zit tussen uitspraken die voor 1 juli 2021 zijn gedaan en op of na 1 juli 2021 zijn gedaan.

Uitspraken voor 1 juli 2021:
De v.i. geldt voor personen die veroordeeld zijn tot een onvoorwaardelijke en onherroepelijke gevangenisstraf van meer dan één jaar. De veroordeelde komt bij een gevangenisstraf tussen de één en twee jaar in aanmerking voor v.i. nadat één jaar en 1/3e van het overige deel van de gevangenisstraf is ondergaan. Bij een gevangenisstraf van twee jaar of meer komt de veroordeelde voor v.i. in aanmerking nadat 2/3e van de opgelegde straf is uitgezeten. Het Openbaar Ministerie (OM) bepaalt hierbij de voorwaarden waaronder zij vrijkomen. Indien het OM vindt dat de veroordeelde niet of pas later in vrijheid gesteld moet worden, kan zij een vordering indienen bij de rechter tot het uitstellen of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechter zal dan beslissen. In het geval de veroordeelde met v.i. is en zich niet aan de voorwaarden houdt, kan het OM de rechter verzoeken om herroeping van de v.i. Bij toewijzing zal de veroordeelde alsnog (een gedeelte van) de resterende straf dienen uit te zitten. Indien de veroordeelde op het moment van de uitspraak op vrije voeten is, zal hij/zij op signalering komen en aangehouden kunnen worden door de politie.

Uitspraken op of na 1 juli 2021:
De v.i. geldt voor personen die veroordeeld zijn tot een onvoorwaardelijke en onherroepelijke gevangenisstraf van meer dan één jaar. De veroordeelde komt bij een gevangenisstraf tussen de één en twee jaar in aanmerking voor v.i. nadat één jaar en 1/3 van het overige deel van de gevangenisstraf is ondergaan. Bij een gevangenisstraf van twee jaar of meer komt de veroordeelde voor v.i. in aanmerking nadat 2/3 van de opgelegde straf is uitgezeten, met een maximum van twee jaar. Het OM bepaalt hierbij de voorwaarden waaronder zij vrijkomen. Indien het OM vindt dat de veroordeelde niet of pas later in vrijheid gesteld moet worden, kan zij zelfstandig beslissen dat er geen v.i. wordt verleend aan de veroordeelde of dat deze wordt uitgesteld. De veroordeelde kan hiertegen bezwaar maken bij de rechtbank. In het geval de veroordeelde met v.i. is en zich niet aan de voorwaarden houdt, kan het OM beslissen dat de veroordeelde alsnog (een gedeelte van) de resterende straf dient uit te zitten. Ook tegen deze beslissing kan de veroordeelde bezwaar maken bij de rechtbank. Indien de veroordeelde op het moment van de uitspraak op vrije voeten is, zal hij/zij op signalering komen en aangehouden kunnen worden door de politie.

Voor de overige wijzigingen verwijzen we u naar de website van het OM.[15]

Rechten
Duur verblijf
Arrestanten mogen maximaal 56 dagen (8 weken) verblijven op een arrestantenafdeling waar een sober dagprogramma geldt.[16] Uiterlijk op de 56stedag moeten ze, wanneer de detentie langer duurt, worden overgeplaatst naar een reguliere gevangenisafdeling. Indien de detentie korter duurt dan 56 dagen zal de arrestant vanuit de arrestantenafdeling in vrijheid worden gesteld. Pas na overplaatsing naar een reguliere gevangenisafdeling hebben de gedetineerden recht op plaatsing in een gevangenis in hun eigen regio.[17] Het valt onder de zorgplicht van de directeur om binnen acht weken bij de selectiefunctionaris een verzoek te doen tot overplaatsing door middel van een selectieadvies.[18] Namens de directeur is de casemanager hiervoor verantwoordelijk. Tegen het te lang op een arrestantenafdeling verblijven door nalatig handelen van de casemanager staat beklag open bij de commissie van toezicht van de desbetreffende inrichting. Wanneer het selectieadvies eenmaal is verzonden aan de selectiefunctionaris, gaat de verantwoordelijkheid over van de directeur naar de selectiefunctionaris. Als de selectiefunctionaris niet op tijd heeft beslist op het overplaatsingsverzoek of te lang heeft gewacht met de daadwerkelijke overplaatsing, kan tegen dit handelen bezwaar worden ingediend bij de selectiefunctionaris.[19]

Arbeid
Met de komst van de Wet SenB per 1 juli 2021, is het recht op arbeid en de plicht van de directeur om arbeid beschikbaar te stellen vervallen. Uit artikel 47 Pbw volgt nu dat een gedetineerde in de gelegenheid kan worden gesteld om deel te nemen aan de in de inrichting beschikbare arbeid. Hieruit volgt een zorgverplichting van de directeur om arbeid beschikbaar te stellen, met als uitgangspunt dat aan iedere gedetineerde arbeid wordt aangeboden. Als een gedetineerde de directie verzoekt om te mogen werken dient daarover een zorgvuldige beslissing te worden genomen.

In artikel 1a van de Regeling arbeid gedetineerden (Rag) staat opgenomen wanneer de bovengenoemde zorgverplichting niet geldt. Deze geldt o.a. niet gedurende de eerste twee weken van de detentie en gedurende de eerste acht weken van de detentie ten aanzien van arrestanten. De Minister voor Rechtsbescherming stelt dat het maar om zes weken langere uitsluiting van de arbeid gaat, nu alle gedetineerden de eerste twee weken worden uitgesloten. Gedurende deze periode van acht weken hebben arrestanten geen recht op loonvervangende financiële tegemoetkoming (‘wachtgeld)’.[20]

De RSJ heeft op 1 april 2021, vóór de inwerkingtreding van de Wet SenB, een advies uitgebracht over een concept van een wijziging van diverse ministeriële regelingen naar aanleiding van de Wet SenB. De RSJ geeft in dit advies ook haar visie op bovengenoemde uitzonderingen op de zorgverplichting van de directeur. Dat er in de eerste twee weken van detentie geen arbeid aan hoeft te worden geboden roept de vraag op of dit betekent dat gedetineerden in het basisprogramma mogelijk slechts 22,5 uur per week buiten hun cel verblijven. Er moet volgens de RSJ zoveel als mogelijk bevorderd worden dat gedetineerden arbeid kunnen verrichten zodat zij structuur en een dagritme hebben en kunnen behouden, ook in de eerste twee weken van detentie. De Minister voor Rechtsbescherming geeft in zijn reactie op het advies aan dat in de eerste twee weken de nadruk ligt op acclimatiseren, de intake en screening en het opstellen van het detentie- en re-integratieplan en dat de gedetineerde dan geen arbeid wordt aangeboden. Over het uitzonderen van arrestanten van de arbeid stelt de RSJ dat uit onderzoek blijkt, dat de meeste arrestantenbewaarders en de arrestanten zelf het ontbreken van arbeid ervaren als een gemis. Het arrestantenregime is ontstaan vanwege bezuinigingen. Een groot deel van de dag verblijven arrestanten op hun cel, iets wat de RSJ niet wenselijk acht. Zij pleit ervoor om aan arrestanten in beginsel ook in de eerste acht weken arbeid of een andere vorm van zinvolle dagbesteding aan te bieden. De Minister voor Rechtsbescherming legt in zijn reactie uit dat arrestanten gedetineerden zijn die geen gevolg hebben gegeven aan de oproep om zichzelf te melden bij de penitentiaire inrichting om hun straf uit te zitten. Vanwege deze houding wordt er de eerste acht weken van de detentie geen arbeid aangeboden aan de arrestanten. De Minister vindt het belangrijk om deze werkwijze te behouden zodat personen worden aangespoord zich zelf te melden bij de penitentiaire inrichting. Personen die zich namelijk wel zelf melden worden beloond met rechtstreekse plaatsing in het plusprogramma.

De Minister voor Rechtsbescherming heeft besloten om niets uit het advies van de RSJ over te nemen of naar aanleiding hiervan wijzigingen aan te brengen.

Op dit moment is er nog geen (actuele) jurisprudentie over de arbeid voor arrestanten na de inwerkingtreding van de Wet SenB.

Promoveren en degraderen
Gedetineerden kunnen in detentie promoveren en degraderen op basis van hun gedrag. Gedetineerden komen in aanmerking voor promotie als zij zes weken na begin van de detentie goed gedrag hebben laten zien.[21] Sinds de inwerkingtreding van de Wet SenB zijn arrestanten als doelgroep uitgesloten van het beleid van promoveren en degraderen.[22] Dit betekent dat arrestanten geen recht hebben op een beslissing omtrent hun gedrag.

Overplaatsingsverzoeken/faseren
Een gedetineerde heeft het recht om via de directeur een verzoekschrift in te dienen tot overplaatsing te doen aan de selectiefunctionaris.[23] De casemanager is (namens de directeur) verplicht om dit verzoek in behandeling te nemen. Dit geldt dus ook voor arrestanten. Zo is er een klacht geweest waarbij een arrestant een verzoek had gedaan tot deelname aan een penitentiair programma (pp). De directeur stelde dat hij niet bevoegd was om een RISC-screening aan te vragen en dat het verzoek daarom niet in behandeling kon worden genomen. De RSJ oordeelde dat de directeur het verzoek tot pp in behandeling had moeten nemen, een advies had moeten uitbrengen en klager vervolgens had moeten voordragen bij de selectiefunctionaris.[24]

                                                                                                                                

[1] Masterplan DJI 2013-2018, 19 juni 2013.

[2] Staatscourant 29 november 2013, nr. 33232 pagina 1.

[3] Advies ‘Wijziging Regeling spog in verband met regionale plaatsing van arrestanten’, RSJ 8 februari 2013.

[4] Staatscourant 29 november 2013, nr. 33232 pagina 1 (Memorie van Toelichting samen plaatsen van arrestanten).

[5] Informatieblad promoveren en degraderen, DJI september 2020.

[6] Met de herziening van het Wetboek van Strafvordering is artikel 577c vervallen. Hiervoor in de plaats is artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering gekomen. Deze wijziging is nog niet doorgevoerd in de Rspog.

[7] Infographic Gevangeniswezen, DJI mei 2022.

[8] Artikel 24c, derde lid, WvSr.

[9] Artikel 36f, vijfde lid, WvSr.

[10] Artikel 6:4:20 WvSv.

[11] Artikel 28, vijfde lid, Wet Mulder.

[12] Artikel 36e WvSr.

[13] Artikel 6:6:25 WvSv.

[14] Zelfmelder | Justitiabelen | dji.nl.

[15] Voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i). | Openbaar Ministerie (om.nl).

[16] Staatscourant 29 november 2013, nr. 33232 pagina 1 (Memorie van Toelichting samen plaatsen van arrestanten).

[17] Artikel 25, zevende en achtste lid, Regeling spog.

[18] RSJ 8 juni 2020, R-19/3833/GA.

[19] RSJ 8 juni 2020, R-19/3833/GA.

[20] Artikel 5 jo. artikel 6 Rag.

[21] Artikel 1d, derde lid, Rspog.

[22] Artikel 1e Rspog.

[23] Artikel 18, eerste lid, Pbw.

[24] RSJ 24 januari 2020, R-19/4109/GA.