Koppelingen

Sla inhoud over

KC 2017/023

Datum uitspraak:
24/04/2017
Artikel:
56 lid 1 sub e Bvt, 30 lid 1 sub a Bvt, huisregels
Samenvatting:
Klager beklaagt zich er over dat hij op locatie 1 geboeid wordt als hij wordt uitgesloten. Ook nadat hij is teruggekeerd uit het PBC, alwaar hij niet geboeid werd. De directeur heeft aangegeven dat het boeien van klager noodzakelijk wordt geacht gelet op de incidenten die zich in het verleden hebben voorgedaan en de houding die klager thans nog altijd heeft. De situatie in het PBC was dusdanig anders dan op locatie 1 dat het kennelijk verantwoord werd geacht om klager niet te boeien. Een dergelijke situatie kan op locatie 1 niet gecreëerd worden. De beklagcommissie is van oordeel dat de directeur in redelijkheid heeft kunnen komen tot het aanwenden van boeien als vrijheidsbeperkend middel gelet op zijn fysieke agressie in het verleden. Te meer nu door het behandelteam steeds zorgvuldig wordt bekeken of voorzetting noodzakelijk is en blijft. De klachten zijn derhalve ongegrond verklaard. De beklagcommissie geeft daarbij wel in overweging aan de directeur om actiever te zoeken naar en experimenteren met minder ingrijpende alternatieven.
Uitspraak:

DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ […]

UITSPRAAK
 
Beklagnummers A en B
 
De beklagcommissie heeft kennisgenomen van de klaagschriften van […], verblijvende in de [locatie 1].
 
1. De procedure
De klaagschriften, gedateerd 11 december 2016 en 7 april 2017, zijn bij de secretaris ingekomen op 26 januari 2017 en 7 april 2017. Het klaagschrift van 11 december 2016 is eerst op 12 december 2016 ontvangen op het secretariaat te Den Bosch en doorgestuurd op 26 januari 2017.
De klaagschriften hebben betrekking op de volgende onderwerpen:
  • gebruik van een vrijheidsbeperkend middel (handboeien) tijdens uitsluitmomenten (A);
  • voortzetting gebruik handboeien na terugkeer vanuit het Pieter Baan Centrum (PBC) (B).
De beklagcommissie heeft kennisgenomen van het verweerschrift van de zijde van de directeur van 31 maart 2017 inzake het klaagschrift A. Ter zitting is mondeling gereageerd op het klaagschrift B.
Op 12 april 2017 zijn gehoord klager, bijgestaan door mr. […], advocaat te […], alsmede mr. [...], juridisch medewerkster, en […], zorgmanager, namens de directeur. Tijdens deze zitting is telefonisch getolkt door dhr. […], tolk […]. Gedurende de zitting was klager geboeid.
Vanwege klagers verblijf in het PBC heeft de behandeling van de klacht A vertraging opgelopen.
 
2. De beoordeling van het beklag
Ontvankelijkheid van het beklag
De beklagcommissie begrijpt klagers klaagschriften A en B aldus dat is geklaagd over het gebruik van handboeien tijdens uitsluitmomenten en de voortzetting daarvan. Naar het oordeel van de beklagcommissie is in dit geval sprake van ontvankelijke klachten nu het onderwerp valt onder de reikwijdte van artikel 56, eerste lid onder e, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt). Voorts zijn de klaagschriften tijdig ingediend.
 
Inhoud van het beklag
2.2.1    In aanvulling op de klaagschriften is door en namens klager ter zitting - zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het laatste klaagschrift ziet op voortzetting van een vrijheidsbeperkend middel, namelijk handboeien. Klager is destijds vanuit [locatie 2] zonder handboeien naar [locatie 1] overgeplaatst. Het aanwenden van handboeien bij klager is een aantal maanden later begonnen. Naar aanleiding van het boos worden van klager op een maatschappelijk werker binnen de locatie [locatie 1] is besloten tot het boeien van klager. Elke keer als klager zijn kamer verlaat dan wordt hij geboeid. Dit is in ieder geval tweemaal per dag tijdens het uitsluiten en om de dag om naar de keuken te gaan. Via het boeienluik gaan dan de boeien af. Het bevreemdt klager dat zijn psychiater niet aanwezig is tijdens de zitting, nu deze de oorzaak is voor de boeien. Door de omstandigheden van zijn verblijf op deze afdeling is klager gebrainwashed. Tijdens klagers verblijf in het PBC was hij niet geboeid. Hij verbleef daar in een separeercel. Het PBC had geregeld dat er tijdens het uitsluiten genoeg beveiligers waren. Op 31 maart 2017 is klager weer in [locatie 1] teruggekomen en is het boeienregime ten onrechte voortgezet. Klager vindt het onterecht dat zijn (negatieve) verleden telkens terugkomt. Door het gebruik van handboeien gaat het juist slechter met klager. Er zijn daarom onvoldoende redenen om het toepassen van handboeien te handhaven.
 
2.2.2    In aanvulling op het verweerschrift is namens de directie ter zitting – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet exact bekend is per welke datum het handboeienregime bij klager is gestart. Klager is op 11 december 2015 voor de tweede maal geplaatst in [locatie 1]. Hij kwam uit [locatie 2]. Sindsdien wordt klager al geruime tijd geboeid. In een behandelplan van 26 mei 2016 staat al beschreven dat het boeienregime bij klager van toepassing was.
Bij de genomen beslissing is het tweede door klager veroorzaakte forse incident in [locatie 2] betrokken. Evenals de voortdurende bedreigende uitspraken van klager richting personeel (onder meer behandelcoördinator, zorgmanager en maatschappelijk werker). Voorts heeft tijdens klagers eerdere verblijf in [locatie 1] een incident plaatsgevonden met een medebewoner, waarbij die medebewoner lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarom is na klagers terugkomst uit [locatie 2] besloten hem te boeien, omdat is gebleken dat klager berekenend en een geruime periode toewerkt naar een daad. Ook tijdens klagers recente verblijf in het PBC heeft hij bedreigende uitspraken gedaan richting (afdelings)personeel op de locatie [1]. Desgevraagd is niet bekend of klager tijdens zijn verblijf in [locatie 2] is geboeid. Op 4 december 2015 heeft een fors incident plaatsgevonden en op 11 december 2015 is klager overgeplaatst. Tijdens klagers eerdere verblijf in [locatie 1] was hij niet geboeid. Gedurende zijn verblijf in het PBC is voor klager een specifieke situatie gecreëerd. Hij verbleef alleen op een lege isoleerafdeling met twee personeelsleden en twee beveiligers. Een dergelijke situatie is op de locatie [1] niet mogelijk. Klager wordt geboeid tijdens het verlaten van zijn kamer. Indien personeel in de huiskamer of tijdens luchten bij klager blijft dan gaan de boeien niet af. Als klager alleen in de huiskamer is of op de binnenplaats mogen de boeien wel af. Het is klagers eigen keuze. Desgevraagd is het lastig om aan te geven wat van klager wordt verwacht om van het gebruik van de boeien af te komen. Vanwege klagers achterdocht projecteert hij zich op het personeel van de afdeling, zoals de gegeven uitleg door een maatschappelijk werker op een genomen beslissing door Jeugdzorg. Klager blijft in dat opzicht zeer bedreigend richting het (afdelings)personeel, omdat hij meent dat zij bij alles betrokken zijn. Alle personeelsleden zijn gekwalificeerd voor het toepassen van handboeien. Dagelijks wordt klagers situatie afgewogen in het kader van de orde en veiligheid. Het personeel kent klager al jaren en getracht wordt met minimale beperkingen klager te benaderen. Er is niet zomaar besloten tot het toepassen van handboeien bij klager.
 
2.2.3    De beklagcommissie overweegt als volgt. Ingevolge artikel 30, eerste lid, onder a van de Bvt is het hoofd van de inrichting bevoegd om jegens een verpleegde vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden. Dit is nader uitgewerkt in artikel 5.6 van de huisregels (januari 2016 en 2017). Indien noodzakelijk zijn medewerkers bevoegd jegens een verpleegde geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken. Vrijheidsbeperkende middelen zijn onder andere handboeien en/of de broekstok. Deze bevoegdheden mogen worden ingezet voor zover dit noodzakelijk is met het oog op (onder meer) handhaving van de orde of veiligheid in de instelling.
De beklagcommissie stelt vast dat na klagers terugkeer vanuit [locatie 2] in de periode tussen 11 december 2015 en 26 mei 2016 is besloten tot het aanwenden van handboeien bij klager tijdens zijn uitsluittijd, minimaal twee momenten per dag. Dit in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid in de instelling. Het aanwenden van handboeien bij klager heeft in ieder geval geduurd tot aan klagers vertrek naar het PBC in februari 2017. Vervolgens is na klagers terugkeer op de locatie [1] per 31 maart 2017 het aanwenden van handboeien voortgezet.
De beklagcommissie is in dit geval van oordeel dat de directeur in redelijkheid heeft kunnen komen tot het aanwenden van een vrijheidsbeperkend middel bij klager, namelijk het aanwenden van handboeien bij klager tijdens uitsluitmomenten.
Aannemelijk is geworden dat gedurende klagers verblijf in [locatie 2] twee fysieke incidenten door toedoen van klager hebben plaatsgevonden jegens personeelsleden. Voorts is aannemelijk geworden dat klager gedurende zijn verblijf op de afdeling van de locatie [1] jegens personeel voortdurend dreigementen heeft geuit en hen (als zijnde een boodschapper) verantwoordelijk acht voor door derden genomen beslissingen. Deze gronden kunnen, naar oordeel van de beklagcommissie, toepassing van het aanwenden van vrijheidsbeperkende middelen dragen. De beklagcommissie acht daarbij van belang dat de directie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het behandelteam – gelet op de gehele context van klagers verblijf op deze afdeling – steeds zorgvuldig bekijkt of voortzetting noodzakelijk is en blijft. De beklagcommissie acht dit geen onredelijke gang van zaken. Op grond van het voorgaande zullen de klaagschriften A en B ongegrond worden verklaard.
 
2.2.4    De beklagcommissie geeft de instelling – gelet op de lange duur van de toepassing van dit ingrijpende vrijheidsbeperkend middel en de rechtvaardiging daarvan – in overweging om nog actiever te zoeken naar en experimenteren met minder ingrijpende alternatieven. Daarbij acht de beklagcommissie het voorts van belang dat door de instelling duidelijkheid wordt verschaft over de verwachtingen van de instelling jegens klager om – indien mogelijk - tot afbouw te kunnen komen van het aanwenden handboeien tijdens klagers uitsluitmomenten.
 
BESLISSING
De beklagcommissie: verklaart de klaagschriften A en B ongegrond.
 
Aldus gegeven op 24 april 2017 door mr. […], voorzitter, dr. […] en […], leden, in tegenwoordigheid van mr. […], secretaris.

Klager heeft tegen de uitspraak van de beklagcommissie beroep ingesteld bij de RSJ. Dit heeft beroep heeft kenmerk 17/1407/TA gekregen. Door de RSJ is nog niet op het beroep beslist.