Koppelingen

Sla inhoud over

KC 2016/010

Datum uitspraak:
17/02/2016
Artikel:
29 Pbw
Samenvatting:
De klachten zijn gericht tegen visitaties die klager op 18 oktober, 4 en 18 december 2015 en 24 januari 2016 heeft ondergaan. Namens klager wordt aangevoerd dat er sprake is van schending van de fysieke integriteit en dat er geen sprake is van ernstige veiligheidsrisico’s die dit rechtvaardigen. De beklagcommissie overweegt dat de directeur op grond van artikel 29 Pbw bevoegd is om klager te visiteren na afloop van bezoek. Dit behoeft geen uitgebreide individuele motivering nu de directeur gebruik maakt van de randomizer die is goedgekeurd door de RSJ. Nu de frequentie van de visitaties niet hoger ligt dan tweemaal per maand is er geen aanleiding om het beklag gegrond te verklaren. Klacht ongegrond omdat de inzet van visitaties noodzakelijk is in verband met het terugdringen van de aanwezigheid van drugs in de inrichting.
Uitspraak:

Beslissing van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij bovenvermelde inrichting op de ingekomen klaagschriften van:


[…] (verder te noemen klager), verblijvende in de P.I. […]


Procesgang.

Op 23 oktober 2015, 8 december 2015, 22 december 2015 en 2 februari 2016 zijn bij de secretaris van de Commissie van Toezicht door […] ingediende klaagschriften binnengekomen.


Op 2 november 2015, 21 januari 2016 en 5 februari 2016 zijn de schriftelijk reacties, met bijlagen, van de directie binnengekomen.


Op 12 februari 2016 zijn de klachten behandeld ter zitting. Klager werd bijgestaan door
[…]. Als vertegenwoordiger van de directie is […] gehoord.


De klacht.

Klager beklaagt zich over de visitaties die hij op 18 oktober 2015, 4 december 2015, 18 december 2015 en 24 januari 2016 heeft ondergaan. De advocaat van klager stelt dat klager op onrechtmatige gronden aan visitatie wordt onderworpen en dat de noodzaak van de visitaties niet door de directie is aangetoond. Door de visitaties is er sprake van schending van de fysieke integriteit van klager en dit is alleen geoorloofd indien er sprake is van ernstige veiligheidsrisico’s. Ook dient de directeur dit middel proportioneel toe te passen, waarbij er onderscheid gemaakt dient te worden tussen gedetineerden die gerelateerd worden aan drugsgebruik dan wel aan drugshandel. De directeur dient feitelijk te onderbouwen waaruit de ernstige veiligheidsrisico’s bestaan die de visitaties bij klager rechtvaardigen. Dat is door de directeur niet aangetoond en ook heeft de directeur niet gemotiveerd waarom de zogenaamde randomizer wordt ingezet. Klager maakt geen deel uit van een groep die de veiligheid in de inrichting bedreigt en is nog nooit in verband gebracht met drugs. Ook stelt de advocaat dat de randomizer niet willekeurig werkt omdat de frequentie gemanipuleerd kan worden door het personeel.

Hij verzoekt klager een compensatie toe te kennen.

Het standpunt van de directie.

In haar verweer verwijst de directie naar de jurisprudentie van de RSJ over visitatie en met name de uitspraak van 17 februari 2014 met nr. 13/4049/GA. De directie stelt dat er sprake is van een voor alle gedetineerden gelijkelijk geldende regeling. Op grond van het drugsontmoedigingsbeleid is de inrichting actief in het terugdringen van drugs in de inrichting. Toch blijkt in de praktijk dat er nog veel drugs de inrichting binnenkomen en door middel van controle, fouillering en visitatie, tracht de inrichting de invoer van drugs te voorkomen en/of te stoppen. De invoer van drugs is een ernstig veiligheidsrisico in de inrichting. Op grond van artikel 29 Pbw is de directeur bevoegd om een gedetineerde te controleren door middel van visitatie en de wijze waarop en de frequentie waarmee in de inrichting visitatie wordt uitgevoerd zijn in lijn met de uitspraken van de RSJ. Ook de randomizer is afgesteld op een frequentie die aan de uitspraken van de RSJ voldoet. De randomizer kan op verschillende frequenties worden ingesteld. In de inrichting is de randomizer ingesteld op een gemiddelde frequentie van 1 op 10 gedetineerden en dit is gerelateerd aan het aantal gedetineerden dat bezoek ontvangt. Ook heeft de directie geen aanwijzingen uit de praktijk dat de randomizer niet goed werkt en de frequentie daardoor afwijkt van de ingestelde frequentie. De randomizer werkt volstrekt willekeurig en er wordt geen onderscheid gemaakt tussen gedetineerden die wel of niet met drugs in verband worden gebracht. De praktijk leert dat de gedetineerden die in verband worden gebracht met drugs soms gebruik maken van gedetineerden die geen drugs gebruiken. Er vindt een vermenging van deze gedetineerden plaats en daarom wordt de randomizer voor alle gedetineerden ingezet. De randomizer kan alleen anders worden ingesteld indien deze wordt opengeschroefd. Het personeel kan de frequentie niet handmatig veranderen. De directie verzoekt de klachten niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren.


De beoordeling van de klacht.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de beklagcommissie het navolgende. De beklagcommissie acht klager ontvankelijk in zijn klacht nu de directeur jegens klager een beslissing heeft genomen zoals bedoeld in artikel 60 Pbw en verwijst daarbij naar de uitspraak van de RSJ met nr. 11/0339/GA.

Door de RSJ is het gebruik van de randomizer goedgekeurd (13/4049/GA) en is in een uitspraak aangegeven dat een gedetineerde als regel maximaal 2 x per maand gevisiteerd mag worden (04/0723/GA). In casu is klager op 18 oktober 2015, 4 december 2015, 18 december 2015 en 24 januari 2016 na het bezoek gevisiteerd. Hierbij is gebruik gemaakt van de randomizer. Daarmee wordt door de inrichting voldaan aan de richtlijnen van de RSJ.


Op grond van artikel 29 Pbw is de directeur bevoegd om een gedetineerde bij binnenkomst of bij het verlaten van de inrichting, voorafgaand aan of na afloop van het bezoek, dan wel indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde en/of de veiligheid in de inrichting, aan zijn lichaam of aan zijn kleding te onderzoeken.

Uit de tekst van artikel 29 Pbw blijkt dat het visiteren na bezoek een standaard bevoegdheid is van de directeur. Deze bevoegdheid behoeft geen uitgebreide individuele motivering zoals door de advocaat van klager is aangevoerd. Anders is dit bij visitatie op grond van het tweede deel van artikel 29 Pbw waarin staat vermeld: “dan wel indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting”. In dat geval dient de directeur te motiveren waarom hij vindt dat een specifieke gedetineerde gevisiteerd dient te worden in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid.

Artikel 29 Pbw is een preventieartikel dat van toepassing is op alle gedetineerden en op grond waarvan algemene maatregelen getroffen kunnen worden. Op grond van de strekking en interpretatie (artikel 3 heeft geen directe werking) van artikel 3 EVRM is de frequentie beperkt tot maximaal 2 x per maand. Door de directeur is verklaard dat een gedetineerde bij binnenkomst altijd wordt gevisiteerd en dat na het bezoek gebruik gemaakt wordt van de randomizer. De randomizer kan niet handmatig door het personeel worden veranderd en er wordt geen onderscheid gemaakt tussen gedetineerden die drugs gebruiken en gedetineerden die geen drugs gebruiken.

Naar het oordeel van de beklagcommissie vallen de klachten van klager onder de in het eerste deel van artikel 29 Pbw gegeven bevoegdheid van de directeur. In dat artikel wordt specifiek de mogelijkheid van visitatie na bezoek genoemd en de door de directeur gegeven toelichting dat het gebruik van de randomizer na bezoek noodzakelijk is in verband met de handhaving van de orde en veiligheid in de inrichting, acht de beklagcommissie afdoende. De beklagcommissie begrijpt dat visitatie een ingrijpend middel is voor gedetineerden, maar acht het noodzakelijk in verband met het terugdringen van de aanwezigheid van drugs in de inrichting. Gelet op het vorengaande zal de beklagcommissie de klacht ongegrond verklaren.

DE BESLISSING

Verklaart de klachten van […] met klachtnummers […], ongegrond.


Aldus gedaan te [...] op 17 februari 2016 door […], voorzitter, en […] en […], leden, in tegenwoordigheid van […], secretaris.



Tegen deze uitspraak is beroep ingesteld bij de RSJ (16/0654/GA). De RSJ heeft op 30 mei 2016 het beroep ongegrond verklaard.