Koppelingen

Sla inhoud over

KC 2014/025

Datum uitspraak:
20/05/2014
Artikel:
44 lid 1 Pbw
Samenvatting:
De beklagcommissie is gelet op het ter zitting verhandelde en met in achtneming van de stukken in het dossier van oordeel dat, hoewel er vanuit de directeur bezien sprake is van een situatie waarop hij geen vat heeft omdat de directeur geen directe invloed heeft op de bedrijfsvoering bij DV&O, het niet redelijk en billijk is dat voornoemde feiten inhoudende dat aan klager te laat zijn medicatie is uitgereikt en klager de hele dag slechts een lunchpakket inhoudende twee sneetjes brood en een flesje water heeft gehad uitsluitend voor het risico van klager zouden moeten blijven. Beklag gegrond verklaard. 25 euro tegemoetkoming.
Uitspraak:

De beklagcommissie heeft kennisgenomen van het klaagschrift van [...],  verblijvende in P.I. [...].
 

De procedure

Het klaagschrift is gedateerd op 20 januari 2014.

Het klaagschrift is aanvankelijk ingediend bij Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O).
De beklagcommissie heeft kennisgenomen van de schriftelijke reactie van de zijde van de Directie Operatie van Dienst Vervoer en Ondersteuning van 29 januari 2014.

Het klaagschrift is op 13 februari 2014 ingekomen bij het secretariaat van de commissie van toezicht van P.I. [...].

De beklagcommissie heeft kennisgenomen van de stukken waaronder de schriftelijke reactie van de zijde van de directie van 11 maart 2014.

Ter zitting van de beklagcommissie van 28 maart 2014 zijn gehoord klager en, namens de directie, [...].
 

De inhoud van het beklag

Het klaagschrift heeft betrekking op het volgende onderwerp:

-    klager beklaagt zich over het feit dat hij de hele dag onderweg is geweest met het transport (A-2014-043 onderdeel A);

klager beklaagt zich over het feit dat hij hierdoor vier uur te laat zijn medicatie heeft gehad (A-2014-043 onderdeel B);

-    klager beklaagt zich over het feit dat hij hierdoor de hele dag maar twee sneetjes brood heeft gehad (A-2014-043 onderdeel C)    
 

De beoordeling ten aanzien van de ontvankelijkheid

Vooropgesteld dient te worden dat een gedetineerde op grond van artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) beklag kan doen over een hem betreffende   door of namens de directeur genomen beslissing.
 

Ten aanzien van beklagnummer A-2014-043 onderdeel A
Klager heeft dienaangaande verkort en zakelijk weergegeven aangevoerd dat hij donderdag 16 januari 2014 was opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen bij rechtbank Zutphen. De zitting was gepland om 13:00 uur. Klager stelt dat hem om 8:00 uur werd meegedeeld dat zijn vervoer klaar stond. Na de zitting werd klager meegedeeld dat er wat oponthoud was en dat hij eerst naar het politiebureau in [A] zou worden overgebracht. Klager stelt dat hij om 16:00 uur heeft gevraagd hoe laat hij weer zou worden teruggebracht naar [P.I.]. Hem werd gezegd dat hij rond 18:15 uur naar [P.I.] zou worden overgebracht. Klager is vervolgens om 16:30 uur op transport gegaan. Echter omdat het transportbusje eerst naar Zutphen, Almelo, P.I. Zwolle, het politiebureau in Apeldoorn en ten slotte via locatie [B] naar de [P.I.] is gereden was klager pas om 21:15 uur terug op zijn cel. Klager stelt te begrijpen dat er soms meerdere vervoersbewegingen moeten worden gemaakt maar hij vindt de vervoersbewegingen die hij nu heeft moeten maken disproportioneel. Dienaangaande overweegt de beklagcommissie dat een logistieke klacht waaronder het inplannen van de vervoersbewegingen een beklag van zodanig feitelijke aard betreft dat dit niet aangemerkt kan worden als een door of namens de directeur genomen beslissing jegens klager. Derhalve dient het beklag ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
 

Ten aanzien van beklagnummer A-2014-043 onderdelen B en C

De onderwerpen waarover wordt geklaagd, worden aangemerkt als een beslissing waartegen krachtens artikel 60 van de Pbw beklag open staat, zodat klager in zoverre in zijn beklag kan worden ontvangen. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat klager zijn beklag ook binnen de wettelijke termijn (uiterlijk op de zevende dag na de dag waarop klager bekend raakte met de beslissing waarover hij klaagt) heeft ingediend ziet de beklagcommissie aanleiding om het beklag van klager inhoudelijk te toetsen en aldus aan een eventuele termijnoverschrijding voorbij te gaan. Derhalve zal het beklag in zoverre ontvankelijk worden verklaard.


Het standpunt van klager

Klager heeft ter zitting zijn beklag mondeling toegelicht en, verkort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat hij om 16:00 uur heeft gevraagd hoe laat hij weer zou worden teruggebracht naar [P.I.] omdat hij zijn medicatie van 17:00 uur niet bij zich had. Ook had hij pas twee sneetjes brood op. Hem werd gezegd dat hij rond 18:15 uur naar [P.I.] zou worden overgebracht. Klager is vervolgens om 16:30 uur op transport gegaan. Omdat klager pas om 21:15 uur terug was op zijn cel heeft hij te laat zijn medicatie gehad en het de hele dag heeft moeten doen met slechts twee sneetjes brood (lunchpakket). Ter zitting heeft klager nog toegevoegd dat hem door het personeel van het politiebureau in Doetinchem wel was toegezegd dat hij nog brood zou krijgen maar omdat hij om 16:30 uur weer op transport ging was het er niet van gekomen. Klager stelt voorts dat het voor hem wel belangrijk is dat hij tijdig zijn medicatie inneemt. Indien hij zijn medicatie niet tijdig inneemt wordt hij prikkelgevoeliger. Dit heeft hij ook op het politiebureau in Doetinchem aangegeven maar er is niets mee gedaan. Klager stelt desgevraagd bereid te zijn een schikking te treffen.

 

Het standpunt van de directie

De directie persisteert bij haar standpunt zoals vermeld in het verweer van 11 maart 2014 waarin de directie stelt dat klager om 8:30 uur is vertrokken met het transport. Klager heeft van P.I. een broodpakketje en water meegekregen hetgeen standaard gebeurt. Klager is om 20:25 uur weer retour gekomen in de inrichting. De directeur van de inrichting heeft geen invloed op de vervoersbewegingen van DV&O. Omdat DV&O geen rechtstreekse klachtenprocedure kent, valt het vervoer van klager onder de verantwoordelijkheid van de directeur. Naar aanleiding van deze klacht is de Directeur Operatie van DV&O verzocht te reageren op deze klacht. De directeur heeft DV&O nadrukkelijk verzocht rekening te houden met een zo kort mogelijk verblijf in het voertuig. Voor wat betreft de medicatie van klager wordt aangevoerd dat klager op drie tijdstippen zijn medicatie krijgt (8:00 uur, 12:00 uur en 17:00 uur). Wanneer een gedetineerde op transport gaat, kan hij de medicatie van 12:00 uur meenemen van de afdeling als hij denkt langer weg te blijven. De medicatie van 17:00 uur is dan nog niet beschikbaar omdat deze pas in de middag wordt geleverd. Wanneer er sprake is van langere, planbare afwezigheid wordt er meer medicatie besteld en meegegeven. In het geval van klager was ook de inrichting niet op de hoogte dat klager pas zo laat terug zou keren in de inrichting. Zijn medicatie van 17:00 uur is daarom op de afdeling achter gehouden en is aan klager uitgereikt zodra hij weer op zijn afdeling was. Mocht het van zodanig belang zijn dat een gedetineerde op de vaste tijd zijn medicatie krijgt, zal ter plekke door een arts beoordeeld kunnen worden of er noodzaak is tot het voorschrijven van medicatie. Dit was bij klager niet het geval. Ter zitting is namens de directie desgevraagd aangevoerd dat een eventuele schikking in de vorm van een compensatie zal worden voorgelegd aan de directeur van de inrichting.


De beklagcommissie overweegt als volgt.
Op grond van artikel 42, vierde lid, van de Pbw draagt de directeur zorg voor de verstrekking van de door de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger voorgeschreven medicijnen en diëten. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de inrichting om medicijnen klaar te leggen als een gedetineerde voor 08.00 uur op transport wordt gesteld (uitspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) van 7 september 2011 met kenmerk 11/0893/GA. De beklagcommissie neemt, gelet op het ter zitting verhandelde als vaststaand aan dat klager door de hoeveelheid vervoersbewegingen te laat zijn ADHD medicatie heeft kunnen innemen waardoor hij weer prikkelgevoeliger werd.


Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pbw draagt de directeur zorg dat aan de gedetineerde voeding wordt verstrekt dan wel dat hem voldoende geldmiddelen ter beschikking worden gesteld om hierin naar behoren te voorzien. De directeur van de inrichting waarin een gedetineerde verblijft dient zorg te dragen voor de verstrekking van een lunchpakket in het geval voorzien is dat een gedetineerde tijdens transport een maaltijd moet gebruiken (uitspraak van de RSJ van 1 augustus 2013 met kenmerk 13/1767/GA). De beklagcommissie neemt als vaststaand aan dat klager op 16 januari 2014 een lunchpakket inhoudende twee sneetjes brood en een flesje water is mee gegeven. Voor het overige heeft klager die dag geen voeding gehad. Ook bij terugkomst in de inrichting is aan klager geen maaltijd of vervangende maaltijd aangeboden.
 

De beklagcommissie ziet zich voor de taak gesteld de vraag te beantwoorden in hoeverre bovengenoemde feiten aan de directeur kunnen worden toegerekend. De beklagcommissie is gelet op het ter zitting verhandelde en met in achtneming van de stukken in het dossier van oordeel dat, hoewel er vanuit de directeur bezien sprake is van een situatie waarop hij geen vat heeft omdat de directeur geen directe invloed heeft op de bedrijfsvoering bij DV&O, het niet redelijk en billijk is dat voornoemde feiten inhoudende dat aan klager te laat zijn medicatie is uitgereikt en klager de hele dag slechts een lunchpakket inhoudende twee sneetjes brood en een flesje water heeft gehad uitsluitend voor het risico van klager zouden moeten blijven. Daar komt bij dat uit artikel 22.4 van de European Prison Rules (EPR) ook volgt dat een gedetineerde recht heeft op drie maaltijden op een dag ‘There shall be three meals a day with reasonable intervals between them’. Naar het oordeel van de beklagcommissie is jegens klager niet op een zorgvuldige wijze de zorgplicht betracht, hetgeen de directeur wordt toegerekend. Derhalve zal het beklag van klager gegrond worden verklaard. De beklagcommissie zal, gelet op vorenstaande en meegewogen alle omstandigheden van het geval, aan klager een tegemoetkoming van € 25 toekennen. Deze tegemoetkoming komt klager toe zodra deze uitspraak onherroepelijk wordt.

BESLISSING

De beklagcommissie:

verklaart het beklag ten aanzien van onderdeel A niet-ontvankelijk;

verklaart het klaagschrift ten aanzien van de onderdelen B en C gegrond en bepaalt dat aan klager een tegemoetkoming toekomt van € 25, - zodra deze uitspraak onherroepelijk wordt;

bepaalt dat de beslissing van de beklagcommissie op het beklag aan klager en directie schriftelijk zal worden toegezonden.