Sla inhoud over

Jurisprudentie

Nieuwe toetsingskader
RSJ 12 november 2020, S-20/4683/SGA
Verzoeker is teruggeplaatst in het basisprogramma wegens 'ontoelaatbaar' gedrag, namelijk het poseren voor een foto die op social media is verschenen. In de reactie op het schorsingsverzoek heeft de directeur dit gedrag als 'ontoelaatbaar' dan wel 'ongewenst' aangemerkt. De gedraging valt niet onder de opsomming van ontoelaatbaar gedrag in de Regeling. Naar het oordeel van de voorzitter is de degradatiebeslissing onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Verzoek toegewezen.

Oude toetsingskader
RSJ 19 januari 2019, R-19/900/GA
Op grond van artikel 1d, tweede lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) heeft een gedetineerde aanspraak op promotie indien hij op alle onderdelen van goed gedrag – ‘groen gedrag’ – positief scoort gedurende een periode van zes weken. De directeur beoordeelt de onderdelen van goed gedrag op basis van bijlage 1 van de Regeling, het zogeheten toetsingskader “stimuleren en ontmoedigen”. Uit de nota van toelichting (hierna: de nota) bij de Regeling in verband met de invoering van promoveren en degraderen van gedetineerden (Stcrt. 20 februari 2014, nr. 4617) komt naar voren dat promoveren afhankelijk is van de (mate van) verantwoordelijkheid die de gedetineerde toont voor zijn re-integratie. De beroepscommissie leidt hieruit af dat niet elk ‘oranje gedrag’ dan wel ‘rood gedrag’ per definitie leidt tot niet promoveren, aangezien niet elk ‘oranje gedrag’ of ‘rood gedrag’ tevens hoeft in te houden dat een gedetineerde onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor zijn re-integratie. Voorts is in de nota en in de Handleiding Toetsingskader promoveren en degraderen van 20 december 2013 onder meer in paragraaf 2.3 “de promotienorm” bepaald dat bij promoveren wordt gekeken naar het structurele gedrag. Een gedetineerde dient niet op een incidentele gedraging te worden beoordeeld. Gelet hierop is de beroepscommissie van oordeel dat de directeur voorafgaande aan een beslissing over niet promoveren een belangenafweging dient te maken tussen het aan de beslissing ten grondslag gelegde negatieve gedrag van klager enerzijds en diens structurele gedrag, waaronder ook zijn positieve gedrag, anderzijds. De afwegingen die hij maakt om tot zijn beoordeling te komen, dienen gemotiveerd en schriftelijk kenbaar gemaakt te worden, zodat klager inzichtelijk wordt geïnformeerd over zijn gedragingen die uiteindelijk hebben geresulteerd in het niet promoveren, en zodat deze in beklag en beroep kunnen worden getoetst.

RSJ 3 december 2018, R-18/1693/GA
Op grond van artikel 1d van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de regeling) besluit de directeur over promotie en degradatie van een gedetineerde. In de nota van toelichting bij de wijziging van de regeling die heeft geleid tot de invoering van promoveren en degraderen van gedetineerden (Stcrt 20 februari 2014, nr 4617), komt naar voren dat het beleidskader Dagprogramma, beveiliging en toezicht op maat (DBT) erop is gericht gedetineerden te stimuleren eigen verantwoordelijkheid te nemen voor hun detentie. Van een gedetineerde wordt een eigen inzet verwacht voor zijn of haar terugkeer in de samenleving. Dit krijgt vorm in het systeem van promoveren en degraderen. Bestendig positief gedrag kan leiden tot promotie met als gevolg deelname aan meer en andere activiteiten en vrijheden. Ontbreekt dit gedrag, dan kan de directeur besluiten tot degradatie met als gevolg minder activiteiten en vrijheden. In de bijlagen bij de regeling zijn voorbeelden gegeven van gedrag dat als goed gedrag (groen gedrag), dit kan beter-gedrag (oranje gedrag) en ongewenst gedrag (rood gedrag) wordt aangemerkt. Op grond van artikel 1d, derde lid, van de regeling kan de directeur besluiten tot degradatie, indien de gedetineerde die is gepromoveerd, op een van de onderdelen van goed gedrag verzaakt. Volgens de nota van toelichting bij de regeling leidt ongewenst en dus rood gedrag in beginsel tot degradatie.
De directeur dient hierbij een inzichtelijke en deugdelijke afweging te maken. De grondslag voor degradatie vormt immers niet de verstoring van de orde en veiligheid in de inrichting of de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming zonder meer, zoals dat wel het geval is bij de disciplinaire straf en de ordemaatregel, maar de (mate van) verantwoordelijkheid die de gedetineerde voor zijn eigen re-integratie toont. Niet elk ongewenst gedrag hoeft tevens in te houden dat klaagster niet meewerkt aan zijn re-integratie. Teneinde te voorkomen dat een gedetineerde op een incidentele gedraging wordt beoordeeld, dient de directeur naast de feiten en omstandigheden van het ongewenste gedrag mee te wegen het structurele gedrag van de betrokken gedetineerde, waarin alle onderdelen van goed gedrag worden meegenomen.

RSJ 26 september 2018, R-294
De directeur dient, alvorens een beslissing te nemen omtrent het al dan niet promoveren van de gedetineerde, een belangenafweging te maken tussen het negatieve gedrag van de gedetineerde enerzijds en diens structurele gedrag, waaronder ook het positieve gedrag, anderzijds. Deze belangenafweging dient gemotiveerd en schriftelijk kenbaar te worden gemaakt. Nu de directeur de beslissing klager niet in plusprogramma te plaatsen niet op schrift heeft gesteld, is niet aan vorenbedoelde eis voldaan. Het beroep van de directeur is ongegrond.

RSJ 14 december 2017, 17/1265/GA
Het enkele feit van vervolging of veroordeling voor een nieuw strafbaar feit in detentie gepleegd is onvoldoende voor uitsluiting van deelname aan het plusprogramma zonder enige afweging. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die een inbreuk op de Regeling rechtvaardigen en nopen tot een kenbare belangenafweging van de directeur. Er is geen belangenafweging gemaakt voorafgaand aan beslissing tot het uitblijven van promotie. Dit is een motiveringsgebrek. Het beroep van de directeur is ongegrond.

RSJ 9 juni 2017, nr. 16/4105/GA 
De directeur kon niet beslissen om aan klager geen kleur toe te kennen gedurende de eerste drie weken van detentie. Het beroep en beklag zijn gegrond, tegemoetkoming € 15,=. Daarnaast is het D&R-plan niet binnen een maand na binnenkomst in de inrichting vastgesteld. Het beroep en beklag zijn gegrond, tegemoetkoming € 50,=.

RSJ 28 april 2017, nr. 17/0190/GA
Klager is alsnog ontvankelijk in zijn beklag gericht tegen het uitblijven van de beslissing omtrent promoveren of gedegradeerd blijven. Onduidelijk is of en wanneer klager in de vorige inrichting is besproken in het MDO en welk gedrag hij daar in de laatste periode van zijn verblijf heeft laten zien. De directeur had deze informatie kunnen verifiëren. De periode van zes weken die nodig was voor beoordeling van klager is in dit geval onredelijk en onbillijk. Het beklag is gegrond, tegemoetkoming € 15,=.

RSJ 4 juli 2016, nr. 15/4317/GA
Bij de beslissing tot terugplaatsing naar het basisprogramma dient de directeur een kenbare belangenafweging te maken. Klagers structurele gedrag wordt niet vermeld, enkel het negatieve gedrag. Ook wordt geen keuze gemaakt tussen rood en oranje gedrag. Het beroep en beklag zijn gegrond, tegemoetkoming € 30,=.

RSJ 13 juni 2016, nr. 16/1953/SGA
Beslissing van directeur om verzoeker te degraderen, acht de voorzitter onredelijk nu de directeur in zijn beoordeling rekening heeft gehouden met een disciplinaire straf terwijl een tegen die straf ingediende klacht door de beklagcommissie gegrond was verklaard en ook omdat een opgelegde straf wegens aantreffen van contrabande onvoldoende zwaarwegend is. Schorsingsverzoek toegewezen.

RSJ 23 januari 2015, nr. 14/3411/GA
Klager is gedegradeerd op grond van het aantreffen van contrabande en verbale agressie jegens het personeel. Het gedrag is als rood gedrag bestempeld. De directeur heeft echter geen melding gemaakt van het structurele gedrag van klager in de mededeling omtrent degradatie. De beroepscommissie oordeelt dat niet is voldaan aan de motiveringseis. Het beroep is gegrond, maar geen tegemoetkoming voor klager want de directeur heeft bij de bestreden beslissing een bredere afweging gemaakt dan uiteindelijk uit de schriftelijke mededeling volgt.

RSJ 12 december 2014, nr. 14/4565/SGA
Schorsingsverzoek tegen de tenuitvoerlegging van een beslissing tot degradatie. De beroepscommissie beoordeelt de zaak dan ook voorlopig. Verzoeker heeft een ontsnappingspoging ondernomen bij een ziekenhuisbezoek. In bijlage 1 bij de Regeling wordt (poging tot) vluchten aangemerkt als rood gedrag. Rood gedrag kan volgens de nota van toelichting bij artikel 1d van de Regeling aanleiding geven tot onmiddellijke degradatie. Schorsingsverzoek afgewezen.

RSJ 19 november 2014, nr. 14/2689/GA
Klager heeft bij de beklagrechter geklaagd over zijn degradatie op grond van een tweede disciplinaire straf in verband met softdrugsgebruik. Klager heeft een tegemoetkoming van €2,50 gekregen. Vaststaat dat in dit geval sprake is van een positieve uitslag, drie maanden na de vorige positieve uitslag. Het Drugsontmoedigingsbeleid (DOB) geeft aan dat er sprake is van recidive wanneer twee positieve uitslagen binnen drie maanden worden geconstateerd. In onderhavig geval is daar geen sprake van. Daarom oordeelt de beroepscommissie, anders dan de beklagrechter, dat sprake is van een nieuw incident en niet van een patroon van ongewenst gedrag. Beroep gegrond en klager wordt een tegemoetkoming van €30,- toegekend.

RSJ 14 november 2014, nr. 14/4177/SGA
Schorsingsverzoek tegen de tenuitvoerlegging van een beslissing tot degradatie. Verzoeker had eenmaal rookwaar en eenmaal een aansteker meegenomen naar de arbeid. Verzoeker wist dat dit niet toegestaan was, maar heeft aangegeven dat hij er niet aan had gedacht dat hij genoemde goederen nog in zijn broekzak had. Niet is gebleken dat de directeur naast deze twee incidenten het structurele gedrag van verzoeker heeft meegenomen in zijn afweging. Niet ieder ongewenst gedrag hoeft tevens in te houden dat de gedetineerde niet aan zijn re-integratie meewerkt. Om die reden wordt het verzoek tot schorsing toegewezen.

RSJ 11 november 2014, nr. 13/2601/GA
Klager is tweemaal, met een onderbreking van meer dan drie maanden, incidenteel teruggevallen in het gebruik van softdrugs. Klager heeft een disciplinaire straf opgelegd gekregen. Bijlage 1 van de Regeling merkt een incidentele terugval aan als oranje gedrag. De beroepscommissie acht het onredelijk en onbillijk om klager bij een incidentele terugval direct terug te plaatsen in het basisprogramma. De beroepscommissie is van oordeel dat de directeur op zijn minst had moeten overwegen klager te waarschuwen door zijn gedrag als oranje aan te merken. Het beroep van klager wordt gegrond verklaard. Het beroep is gegrond en klager krijgt een tegemoetkoming van €5,- per week die hij ten onrechte in het basisprogramma heeft doorgebracht.

RSJ 10 november 2014, nr. 14/1918/GA
De directeur heeft klager gedegradeerd op grond van het opleggen van een disciplinaire straf vanwege fysiek geweld naar een medegedetineerde. Een nadere afweging wordt niet gemaakt. Op grond van artikel 1d lid 3 van de Regeling kan de directeur beslissen over te gaan tot degradatie wanneer de gedetineerde op één van de onderdelen van goed gedrag verzaakt. De beroepscommissie is van oordeel dat de directeur hierbij een afweging dient te maken. De grondslag voor een disciplinaire straf en de ordemaatregel is de verstoring en veiligheid in de inrichting dan wel de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. Daarentegen is de grondslag voor degradatie de mate van verantwoordelijkheid die de gedetineerde toont voor zijn eigen re-integratie. Hieruit concludeert de beroepscommissie dat niet ieder ongewenst gedrag tevens inhoudt dat de klager niet meewerkt aan zijn re-integratie. De directeur dient bij beoordeling met betrekking tot degradatie naast de feiten en omstandigheden van het ongewenste gedrag, ook het structurele gedrag van de betrokkene gedetineerde mee te wegen, waarbij alle onderdelen van goed gedrag worden meegenomen. Ongegrondverklaring van het beroep van de directeur.

RSJ 3 maart 2014, nr. 14/552/SGA
De beslissing om aan verzoeker de kleur oranje toe te kennen in het kader van de invoering van DBT is geen beslissing waartegen beklag kan worden ingediend als bedoeld in art. 60 Pbw. Daarvan is wel sprake indien de toekenning van een kleur tot gevolg heeft dat verzoeker wordt gedegradeerd of gepromoveerd. In het geval van klager is daar (nog) geen sprake van. Niet-ontvankelijkheid van klager.

Jurisprudentie Rechtbank/Hof
Gerechtshof Den Haag 16 december 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3961
Hoger beroep ingesteld door de Staat tegen de hierboven vermelde zaak van de voorzieningenrechter d.d. 24 juni 2014. Het Hof overweegt, op basis van de toelichting van de Regeling, dat het uitgangspunt vanaf 1 maart 2014 plaatsing in een beperkt regime is. Dat uitgangspunt is ten aanzien van de gedetineerden in deze zaak ook gerealiseerd. Artikel 3 lid 2 van de Penitentiaire maatregel stelt aan het regime van algehele gemeenschap de minimumeis van een dagprogramma van 59 uren per week. De plaatsing in het plusprogramma, behorend tot het regime van beperkte gemeenschap, leidt er toe dat tussen 18 en 63 uren per week aan activiteiten en bezoek wordt aangeboden. De inhoud van het plusprogramma wordt door de directeur van de inrichting vormgegeven. Het hof concludeert dat dit tot een verslechtering van de rechtspositie van deze gedetineerden leidt. De beroepscommissie heeft in zijn uitspraak van 13 oktober 2014 geoordeeld dat het beklag van de klagers gegrond was, omdat de betreffende inrichtingen tot 17 maart 2014 nog niet waren aangewezen als inrichtingen met een regime van beperkte gemeenschap. Inmiddels is met terugwerkende kracht het regime van de betrokken inrichtingen gewijzigd in een inrichting met een regime van beperkte gemeenschap. Dat neemt niet weg dat gedetineerden ontvankelijk waren bij de beroepscommissie. Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de beroepscommissie niet zou kunnen of willen toetsen of het feit dat de gedetineerden die in een plusprogramma zijn geplaatst, automatisch terecht komen in een inrichting met een regime van beperkte gemeenschap, in strijd is met artikel 19 Pbw. Klagers konden daarom al hun bezwaren bij een gespecialiseerde rechter - de beroepscommissie - aan de orde stellen, concludeert het hof. Om die reden vernietigt het hof de uitspraak van de voorzieningenrechter d.d. 24 juni 2014 en verklaart geïntimeerden niet-ontvankelijk in hun vordering.

Rechtbank Den Haag 24 juni 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:7653
Klagers waren voor 1 maart 2014 geselecteerd voor verblijf in een inrichting met een regime van algehele gemeenschap. Met ingang van 1 maart 2014 zijn zij geplaatst in het plusprogramma, behorend tot het regime van beperkte gemeenschap. Kern van de bezwaren van eisers is dat zij, ook bij “groen” gedrag, aanzienlijk meer uren per week op cel verblijven dan voorheen. Dit is het gevolg van de plaatsing in het plusprogramma met het daarbij behorende regime van beperkte gemeenschap. Op 17 maart heeft de staatssecretaris de bestemming van alle penitentiaire inrichtingen die voordien waren aangewezen als inrichtingen met een regime van algehele gemeenschap, behoudens de (zeer) beperkt beveiligde inrichtingen, met terugwerkende kracht tot 1 maart 2014 gewijzigd in inrichten met een regime van beperkte gemeenschap. De kortgedingrechter oordeelt dat de nieuwe Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (hierna: Regeling) feitelijk neerkomt op afschaffing van het regime van algehele gemeenschap. De voorzieningenrechter acht de (feitelijke) afschaffing van het regime van algehele gemeenschap in strijd met de Pbw en het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt dat de veroordeelde gedetineerde zoveel mogelijk in een regime van algehele gemeenschap wordt geplaatst. Volledige afschaffing van het regime van algehele gemeenschap vereist formele wetswijziging van de Pbw. De voorzieningenrechter oordeelt dat ten aanzien van de eisers het dagprogramma in overeenstemming moet worden gebracht met de eisen gesteld aan een regime van algehele gemeenschap.