Sla inhoud over

Ordemaatregelen jeugd

De directeur van een justitiële jeugdinrichting is belast met het beheer van de inrichting en dus met het handhaven van de orde en veiligheid (artikel 3b en 3c Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, hierna: Bjj). Om de orde en veiligheid in de justitiële jeugdinrichting te kunnen handhaven, kan de directeur onder andere ordemaatregelen en een time-out opleggen. In hoofdstuk VI, paragraaf 2 van de Bjj zijn de diverse ordemaatregelen opgenomen. Welke ordemaatregelen er zijn, hoe en door wie ze kunnen worden opgelegd, zal hieronder worden besproken.

 

Bevoegdheid tot het opleggen van een ordemaatregel
In artikel 4, lid 4 Bjj is bepaald dat een aantal bevoegdheden zijn voorbehouden aan de directeur of diens plaatsvervanger. Onder de bevoegdheden die nadrukkelijk zijn voorbehouden aan de directeur vallen onder andere:

·         Het uitsluiten van verblijf in de groep of deelname aan activiteiten en de verlenging hiervan indien dit in het belang van de orde of de veiligheid van de inrichting dan wel van een ongestoord tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is;

·         De plaatsing in afzondering op de gronden die hierboven genoemd zijn, de verlening van deze afzondering en de tenuitvoerlegging van deze afzondering in een andere inrichting of afdeling;

·         De bevestiging van mechanische middelen.

Dit betekent dat alle ordemaatregelen in beginsel alleen door de directeur van de inrichting opgelegd mogen worden. De reden dat alleen de directeur hiertoe bevoegd is, is dat de directeur op een noodzakelijke afstand staat om op een evenwichtige en onbevooroordeelde wijze een ordemaatregel op te kunnen leggen.[1] Daarom kan een directeur zijn bevoegdheid tot uitsluiting van een gedetineerde van deelname aan een activiteit en plaatsing in afzondering niet overdragen aan ambtenaren of medewerkers (artikel 4 lid 2 jo artikel 4 lid 4 sub d en e Bjj). Het is dan ook niet toegestaan om bijvoorbeeld een teamleider die geen deel uitmaakt van het managementteam als plaatsvervangend directeur aan te wijzen met uitsluitend de bedoeling om sancties en ordemaatregelen op te kunnen leggen.[2]
 

Procedure
Voordat de directeur de beslissing tot het opleggen of verlengen van een ordemaatregel neemt, stelt hij de jeugdige in de gelegenheid te worden gehoord (artikel 61 Bjj). De jeugdige wordt dan in ieder geval gehoord over de reden en de duur van de maatregel. Nadat de jeugdige gehoord is door de directeur krijgt hij van de beslissing een schriftelijke mededeling (artikel 62 lid 1 Bjj). Deze beschikking vermeldt de reden en de duur van de ordemaatregel, de datum en ondertekening door de directeur.
De jeugdige hoeft niet te worden gehoord, als hij op grond van ziekmelding of op eigen verzoek wordt uitgesloten van de deelname aan activiteiten.

 

Op de beschikking moet ook zijn vermeld dat de jeugdige beklag kan instellen tegen de beslissing, de termijn waarbinnen hij dit beklag moet instellen en de mogelijkheid om hangende de uitspraak op het klaagschrift de tenuitvoerlegging van de beslissing geheel of gedeeltelijk te schorsen (artikel 62 lid 4 Bjj).
 

De beschikking wordt aan de jeugdige onverwijld uitgereikt, artikel 62, eerste lid Bjj. Dit betekent zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 24 uur. De uitreiking hoeft niet door de directeur zelf gedaan te worden. Als het een ordemaatregel van minder dan 24 uur betreft, hoeven de ouders van de jeugdige niet geïnformeerd te worden. Als dit tegen de zin van een meerderjarige jeugdige toch gebeurt, is dit een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op eerbiediging van zijn privéleven.

Bewaardersarrest (onverwijlde tenuitvoerlegging door een medewerker)
Wanneer de beslissing van de directeur over de uitsluiting of afzondering niet kan worden afgewacht, kan het personeel onder omstandigheden zelf de maatregel opleggen voor ten hoogste 15 uur (artikel 24 lid 3 en artikel 25 lid 4 Bjj). Dit wordt een bewaardersarrest genoemd en kan alleen als de directeur of zijn vervanger niet bereikbaar is en onverwijlde tenuitvoerlegging van uitsluiting van activiteiten of afzondering geboden is.[3]
Dit betekent dat onmiddellijk ingrijpen door het personeel noodzakelijk is, omdat de orde of de veiligheid in de inrichting, de veiligheid van de jeugdige zelf, van andere jeugdigen of van het personeel dit vereist. Als de omstandigheden spoedeisend zijn, is het gerechtvaardigd om niet de eis te stellen dat de beslissing tot afzondering door een personeelslid of medewerker op schrift wordt gesteld. Wel moet de jeugdige achteraf alsnog gehoord worden door de directeur.[4]

Soorten ordemaatregelen
De ordemaatregelen zijn in de artikelen 23a, 24, 25 en 25a van de Bjj opgesomd. De ordemaatregelen zijn:

·         Uitsluiting van verblijf in de groep;

·         Uitsluiting van deelname aan activiteiten (behalve het luchtmoment);

·         Plaatsing in afzondering;

·         Camera-observatie (gaat altijd samen met verblijf in de afzondering).
 

Uitsluiting van verblijf op de groep en deelname aan activiteiten (artikel 24 Bjj)

Uitsluiting kan zowel betekenen het uitsluiten van het verblijf in de groep als het uitsluiten van de deelname aan activiteiten. Bij uitsluiting wordt de jeugdige in zijn eigen cel ingesloten. Dit betekent dat hij niet kan deelnemen aan het normale programma. Het kan bijvoorbeeld gaan om een tijdelijk verbod deel te nemen aan arbeid, sport of recreatie. Preventieve uitsluiting, ter voorkoming van escalatie van een situatie, is eveneens toegestaan. De enige activiteit waar een jeugdige niet van kan worden uitgesloten, is luchten.

 

Redenen voor oplegging
De uitsluitingen kunnen plaatsvinden op de volgende gronden:
a. indien dit in het belang is van de orde of de veiligheid van de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is;
b. indien dit ter bescherming van de betrokken jeugdige noodzakelijk is;
c. in geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken jeugdige; 
d. indien de jeugdige hierom verzoekt en de directeur dit verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt.

 

Duur 

Uitsluiting vindt plaats op de kamer van de jeugdige en mag in eerste instantie maximaal twee dagen duren. De uitsluiting kan steeds met maximaal twee dagen worden verlengd. Verlenging kan alleen indien de noodzaak tot uitsluiting nog bestaat. Of dit het geval is, dient voor iedere verlenging opnieuw beoordeeld te worden (artikel 24 lid 2 Bjj).

Plaatsing in afzondering (artikel 25 Bjj)
De ordemaatregel van plaatsing in afzondering wordt in een afzonderingscel of in een andere verblijfsruimte ten uitvoer gelegd (artikel 25 lid 2 Bjj). Gedurende het verblijf in afzondering, neemt de jeugdige niet deel aan activiteiten, tenzij de directeur anders bepaalt. De enige activiteit waar de jeugdige niet van kan worden uitgesloten, is luchten. Tijdens het verblijf in afzondering draagt de directeur er zorg voor dat het nodige contact tussen de jeugdige en de medewerkers van de inrichting gewaarborgd blijft (artikel 25 lid 5 Bjj).

 

Redenen voor oplegging

De plaatsing in afzondering kan plaatsvinden op de volgende gronden:
a. indien dit in het belang is van de orde of de veiligheid van de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is;
b. indien dit ter bescherming van de betrokken jeugdige noodzakelijk is;
c. in geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken jeugdige; 
d. indien de jeugdige hierom verzoekt en de directeur dit verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt.

 

Duur

Afzondering mag maximaal één dag duren voor jeugdigen tot zestien jaar en mag maximaal twee dagen duren voor jeugdigen van zestien jaar en ouder. De afzondering kan eenmaal verlengd worden, met hetzelfde aantal dagen als hiervoor genoemd. De noodzaak tot verlenging dient voor iedere verlenging opnieuw te worden beoordeeld (artikel 25 Bjj). Gedurende het verblijf in afzondering neemt de jeugdige niet deel aan activiteiten, behalve het dagelijks verblijf in de buitenlucht.
 

Indien de ordemaatregel van afzondering langer dan 24 uur duurt, worden ook de Commissie van Toezicht, de aan de inrichting verbonden arts, de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders terstond van deze afzondering op de hoogte gesteld (artikel 25 lid 6 en 58 lid 3 Bjj).
 

Bevestiging van mechanische middelen (artikel 38 Bjj)
De directeur kan bepalen dat een jeugdige tijdens de afzondering ‘door bevestiging van mechanische middelen aan zijn lichaam’ in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt. Vereist is dat deze beperking noodzakelijk is om een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige af te wenden. Voor jeugdigen tot zestien jaar mag deze beperking maximaal twaalf uur duren en voor jeugdigen van zestien jaar en ouder maximaal 24 uur (artikel 38 lid 1 Bjj). De directeur moet zowel de arts als de Commissie van Toezicht onverwijld op de hoogte brengen van de bevestiging.
Indien de onverwijlde tenuitvoerlegging van de bevestiging van mechanische middelen geboden is, kan een medewerker van de inrichting deze maatregel voor een periode van maximaal vier uur ten uitvoer leggen. De directeur, de arts en de Commissie van Toezicht moeten dan onverwijld van deze tenuitvoerlegging op de hoogte worden gebracht (artikel 38 lid 2 Bjj).

Camera-observatie (artikel 25a Bjj)
Indien de geestelijke of lichamelijke toestand van een jeugdige hierom vraagt, kan de jeugdige dag en nacht door middel van een camera worden geobserveerd (artikel 25a Bjj). Camera-observatie is alleen mogelijk indien een jeugdige in de afzonderingscel verblijft. Voordat de directeur besluit tot het instellen van cameratoezicht wint hij het advies van een gedragsdeskundige of de inrichtingsarts in, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval vraagt de directeur dit advies alsnog zo spoedig mogelijk nadat hij heeft besloten tot het cameratoezicht.[5]
 

Time-out (artikel 23a Bjj)
Als het gedrag van een jeugdige verstorend is voor de rust in de groep kan een medewerker van de inrichting de jeugdige voor maximaal één aaneengesloten uur uitsluiten van het verblijf in de groep of van gemeenschappelijke activiteiten. Deze maatregel mag alleen worden opgelegd als het gedrag van de jeugdige verstorend is voor de rust en zijn kortdurende opsluiting ertoe bijdraagt dat het gedrag van de jeugdige gunstig wordt beïnvloed (artikel 23a lid 1 Bjj). In tegenstelling tot de hierboven genoemde ordemaatregelen is de time-out een maatregel die er alleen toe dient om de jeugdige pedagogisch te corrigeren en zijn gedrag te beïnvloeden. De time-out mag maximaal één aaneengesloten uur duren. De time-out mag wel vaker op één dag worden toegepast. De totale duur van de time-outs mag dan niet langer zijn dan twee uur per 24 uur (artikel 23a lid 2 Bjj).

De directeur van de inrichting moet van de oplegging van time-outs een register bijhouden, waarin hij elke oplegging aantekent. Reden hiervoor is dat de directeur dit register iedere drie maanden aan de Commissie van Toezicht moet laten zien en het gebruik van de time-out met de Commissie van Toezicht moet bespreken.
 

Uitsluiting of plaatsing in afzondering op eigen verzoek of bij ziekte

Als de jeugdige zelf verzoekt om uitsluiting van verblijf op de groep of deelname aan activiteiten of om plaatsing in afzondering, dient de directeur te beoordelen of het verzoek redelijk en uitvoerbaar is. Bij een ordemaatregel die wordt opgelegd op eigen verzoek of wegens ziekte, gelden de formele eisen van horen en het uitreiken van een schriftelijke mededeling niet. Evenmin is het opleggen van een ordemaatregel in dat geval voorbehouden aan de directeur. Bij oplegging op eigen verzoek of wegens ziekte geldt ook de wettelijke maximale duur van ordemaatregelen niet. De opgelegde maatregel zal veelal duren zolang de ziekte van de jeugdige duurt of zolang de jeugdige aangeeft dat hij uitgesloten of afgezonderd wil blijven.