Sla inhoud over

Ordemaatregelen gevangeniswezen

De directeur van de inrichting is belast met het beheer van de inrichting en dus met het handhaven van de orde en veiligheid (artikel 3 lid 3 Penitentiaire beginselenwet, hierna: Pbw). Om de orde en veiligheid in de inrichting te kunnen handhaven, kan de directeur onder andere ordemaatregelen opleggen (artikel 1 onder d, artikel 3 lid 4 en artikel 23 lid 1 Pbw). Welke ordemaatregelen er zijn, hoe ordemaatregelen kunnen worden opgelegd en wie deze kan opleggen, wordt hieronder uiteengezet.  


Disciplinaire straf en ordemaatregel
Een disciplinaire straf is bedoeld om verwijtbaar gedrag te bestraffen. Een ordemaatregel wordt opgelegd, omdat dit noodzakelijkheid wordt geacht in het belang van de orde of veiligheid in de inrichting. Om een ordemaatregel te kunnen opleggen, hoeft de justitiabele geen verwijt te kunnen worden gemaakt.[1]

 

Doel ordemaatregel

Een ordemaatregel heeft als doel toekomstig ongewenst gedrag te voorkomen of een einde te maken aan een situatie die gevaar oplevert voor de orde en veiligheid in de inrichting.[2] De maatregel moet worden beëindigd zodra dat gevaar geweken is. Een ordemaatregel kan daarom niet geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.[3] Een ordemaatregel mag in beginsel niet worden gebruikt om plaatsing in een meerpersoonscel af te dwingen.[4] Ordemaatregelen zijn niet bedoeld om een structureel ander regime tot stand te brengen dan waarin de gedetineerde is geplaatst.

 

Bevoegdheid opleggen ordemaatregel

De bevoegdheid tot het opleggen van ordemaatregelen rust in beginsel bij de directeur of diens plaatsvervanger (artikel 1 onder d, artikel 3 lid 4 en artikel 23 lid 1 Pbw). De reden dat deze bevoegdheid bij de directeur ligt, is dat de directeur op een noodzakelijke afstand staat om op een evenwichtige en onbevooroordeelde wijze een ordemaatregel op te kunnen leggen.[5] Daarom kan een directeur ook niet zijn bevoegdheid tot uitsluiting van een gedetineerde van deelname aan een activiteit en plaatsing in afzondering overdragen aan ambtenaren of medewerkers (artikel 5 lid 2 Pbw). Het is dan ook niet toegestaan om voor een beperkte periode bijvoorbeeld een hoofd veiligheid als plaatsvervanger van de directeur aan te wijzen met het enkele doel het creëren van een bevoegdheid tot het opleggen van ordemaatregelen voor de plaatsvervanger.[6]

 

Redenen opleggen ordemaatregel
Een ordemaatregel kan alleen opgelegd worden met het oog op de volgende belangen (artikel 23 lid 1 jo artikel 24 lid 2 Pbw):

a.     Indien dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is

b.     Indien dit ter bescherming van de betrokken gedetineerde noodzakelijk is;

c.     In geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken gedetineerde;

Indien de gedetineerde hierom verzoekt en de directeur dit verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt.

Oplegging vanwege ziekte of op eigen verzoek

Zoals hierboven aangegeven, kan aan een gedetineerde een ordemaatregel worden opgelegd in geval van ziekmelding of ziekte of als de gedetineerde hier zelf om verzoekt vanwege zijn gedrag of gemoedstoestand. In het geval van een verzoek moet de directeur dit verzoek eerst nog als redelijk en uitvoerbaar beoordelen. Als de directeur heeft besloten tot het opleggen van een ordemaatregel moet hij steeds de noodzaak van het voortduren van de maatregel beoordelen.[7] Wanneer op verzoek van een gedetineerde een ordemaatregel is opgelegd, mag worden verwacht dat deze eindigt op het moment waarop de gedetineerde om beëindiging van de maatregel verzoekt.

 

Procedure 
Op het moment dat er een incident plaatsvindt en voldoende aannemelijk is dat de gedetineerde hiermee te maken heeft, kan de gedetineerde hiervoor een schriftelijk verslag (ook wel rapport genoemd) worden aangezegd en kan de gedetineerde worden afgezonderd op grond van het bewaardersarrest (hierover in de volgende paragraaf meer). Voor het opleggen van een ordemaatregel moet in ieder geval een verband bestaan tussen de opgelegde ordemaatregel en het handelen waarop de maatregel ziet.

Voor het opleggen van een ordemaatregel is, in tegenstelling tot bij het opleggen van een disciplinaire straf, het aanzeggen van een schriftelijk verslag niet verplicht. Voordat de directeur de beslissing tot het opleggen of verlengen van de ordemaatregel neemt, stelt hij de gedetineerde in de gelegenheid te worden gehoord (artikel 57 lid 1 Pbw). Dit kan alleen achterwege blijven indien de vereiste spoed zich daartegen verzet of indien de gemoedstoestand van de gedetineerde daaraan in de weg staat (artikel 57 lid 3 Pbw).[8] Zo oordeelde de RSJ het beklag in een uitspraak gegrond, omdat klager na het opleggen van de afzondering was gehoord en daarmee niet aan de wet was voldaan. Dat klager pas na de afzondering werd gehoord, omdat de directeur van de inrichting van een andere afdeling moest worden gehaald om klager te horen, maakte dit niet anders.[9]


Nadat de gedetineerde is gehoord door de directeur krijgt hij van de beslissing een schriftelijke mededeling die is ondertekend door de directeur. In deze beschikking is de reden van de ordemaatregel en de datum vermeld. In de mededeling staat ook altijd de duur van de ordemaatregel. Het heeft de voorkeur als op de beschikking wordt vermeld dat de gedetineerde is gehoord.
Een beschikking is onvoldoende gemotiveerd als daarin slechts staat dat de gedetineerde door zijn gedrag de rust en orde heeft verstoord. Duidelijk moet worden aangegeven om welk feitelijk gedrag het gaat.[10] Op de beschikking moet ook zijn vermeld dat de gedetineerde beklag kan instellen tegen de beslissing, de termijn waarbinnen hij dit beklag moet instellen en de mogelijkheid om hangende de uitspraak op het klaagschrift de tenuitvoerlegging van de beslissing geheel of gedeeltelijk te schorsen (artikel 58 van de Pbw).

De beschikking wordt aan de gedetineerde onverwijld uitgereikt. Dat betekent zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 24 uur. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor de directeur niet binnen 24 uur de mededeling kan uitreiken en hem van die omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt. In dat geval hoeft de uitreiking niet door de directeur zelf te worden gedaan.[11]

 

Bewaardersarrest (onverwijlde tenuitvoerlegging door een medewerker)

Wanneer de beslissing van de directeur niet kan worden afgewacht, kan het personeel onder omstandigheden zelf een (voorlopige) ordemaatregel nemen. Dit wordt een bewaardersarrest genoemd en kan alleen als de directeur of zijn vervanger niet bereikbaar is en onverwijlde tenuitvoerlegging van uitsluiting van activiteiten of afzondering geboden is.[12] De directeur moet dan onmiddellijk van de genomen ordemaatregel op de hoogte gesteld worden.[13] De directeur kan zo nodig beslissen tot voortzetting en later eventueel tot verlenging van de afzondering. Het bewaardersarrest houdt in dat een gedetineerde, in afwachting van het al dan niet opleggen van een ordemaatregel, door een medewerker van de inrichting wordt afgezonderd in de eigen cel of in de afzonderingscel of wordt uitgesloten van activiteiten. Het bewaardersarrest kan ten hoogste voor 15 uur worden opgelegd, waarbij de nachtelijke uren meetellen (artikel 23 lid 3 en artikel 24 lid 4 Pwb).[14]

De directeur blijft bij een bewaardersarrest uiteindelijk verantwoordelijk. Het nalaten van het onverwijld op de hoogte stellen van de directeur levert een gegronde klacht op, vanwege strijd met een wettelijk voorschrift.[15]

 

Duur ordemaatregel

Ordemaatregelen mogen nooit langer duren dan strikt noodzakelijk is. Een ordemaatregel, in verband met het doen van onderzoek naar de betrokkenheid van een gedetineerde bij een incident, dient te worden beëindigd zodra het onderzoek is afgerond en indien de betrokkenheid van de gedetineerde bij het incident niet (of onvoldoende) is komen vast te staan.[16]

 

De maatregel van uitsluiting van activiteiten en de maatregel van afzondering in het belang van de handhaving van de orde en de veiligheid in de inrichting of ter bescherming van de betrokken gedetineerde, mogen in eerste instantie maximaal twee weken duren. De maatregelen kunnen telkens voor ten hoogste twee weken worden verlengd, indien de directeur van oordeel is dat de noodzaak daartoe nog altijd bestaat. Een beslissing tot verlenging van een ordemaatregel mag alleen door de directeur worden genomen (artikel 23 lid 2 en artikel 24 lid 3 Pbw. Voorafgaand aan de beslissing tot verlenging, moet de directeur steeds een nieuwe afweging maken en moet de gedetineerde opnieuw gehoord worden. 


Wanneer een uitsluiting is bevolen op verzoek van een gedetineerde, mag worden verwacht dat deze eindigt op het moment waarop die gedetineerde om beëindiging van de maatregel verzoekt. De gedetineerde moet namelijk de mogelijkheid worden geboden om te laten zien of voortduring van de maatregel nog steeds noodzakelijk is.

 

Soorten ordemaatregelen
In hoofdstuk V van de Pbw zijn de diverse ordemaatregelen voor gedetineerden opgenomen.
De Pbw kent de volgende drie ordemaatregelen:

·         Uitsluiting van deelname aan één of meer activiteiten (artikel 23 Pbw);

·         Plaatsing in afzondering (artikel 24 Pbw);

·         Cameratoezicht (alleen mogelijk in het geval van afzondering, artikel 24a Pbw).


Bovenstaande opsomming van de in de Pbw genoemde ordemaatregelen is niet limitatief. De directeur kan andere ordemaatregelen instellen. Bijvoorbeeld het slechts toestaan van bezoek achter glas, het niet langer toestaan van het bezit van vogels op de cel of het voorschrift dat niet vaker dan twee keer per dag gebruik mag worden gemaakt van de intercom.[17] Andere ordemaatregelen dan die in de Pbw zijn opgenomen, zoals hiervoor genoemd, moeten wel in de huisregels zijn opgenomen om niet in strijd te zijn met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift.

Uitsluiting van deelname aan activiteiten (artikel 23 Pbw)

Bij uitsluiting van deelname aan een activiteit wordt de gedetineerde in zijn eigen cel ingesloten. Dit betekent dat hij niet kan deelnemen aan het normale programma. Het kan bijvoorbeeld gaan om een tijdelijk verbod deel te nemen aan arbeid, sport of recreatie. Preventieve uitsluiting, ter voorkoming van escalatie van een situatie, is eveneens toegestaan. De plaatsing in een regime waarin de gedetineerde op individuele basis kan deelnemen aan activiteiten valt niet onder de ordemaatregel van uitsluiting van activiteiten of plaatsing in afzondering. Deelname op individuele basis dient te worden aangemerkt als plaatsing in een individueel regime als bedoeld in artikel 22 Pbw.[18]


Plaatsing in afzondering (artikel 24 Pbw)

De ordemaatregel van plaatsing in afzondering wordt meestal in een afzonderingscel ten uitvoer gelegd. Het is ook mogelijk deze maatregel in een andere verblijfsruimte ten uitvoer te leggen (artikel 24 lid 2 Pbw). Als de afzondering vanwege ernstige bezwaren niet in de inrichting of op de afdeling waar zij is opgelegd ten uitvoer kan worden gelegd, kan dit in een andere inrichting of op een andere afdeling worden gedaan (artikel 25 lid 1 Pbw). De directeur moet dit in overeenstemming met de selectiefunctionaris beslissen (artikel 25 lid 2 Pbw).[19]

Vanwege het ingrijpende karakter van de afzonderingsmaatregel stelt de wet de eis dat zodra de afzondering langer dan 24 uur duurt en in een afzonderingscel ten uitvoer wordt gelegd, de directeur zowel de Commissie van Toezicht als de inrichtingsarts moet waarschuwen (artikel 23 lid 6 Pbw). De directeur kan bepalen dat een gedetineerde tijdens de afzondering ‘door bevestiging van mechanische middelen aan zijn lichaam’ voor een periode van ten hoogste 24 uur in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt (artikel 33 lid 1 Pbw). Deze periode kan telkens met 24 uur worden verlengd (artikel 33 lid 3 Pbw).

   

Bevestiging van mechanische middelen (artikel 33 Pbw)

Tijdens de plaatsing in afzondering kan de gedetineerde in zijn bewegingsvrijheid worden beperkt door bevestiging van mechanische middelen aan zijn lichaam. Deze beperking mag maximaal 24 uur duren. De directeur mag de beperking alleen opleggen indien dit noodzakelijk is om een gevaar voor de gezondheid van de gedetineerde af te wenden of moet noodzakelijk zijn voor de veiligheid van anderen. De directeur moet bovendien de arts of zijn plaatsvervanger en de Commissie van Toezicht inlichten over zijn besluit (artikel 33 lid 1 Pbw).[20]

 

Ook een ambtenaar of medewerker kan beslissen tot bevestiging van mechanische middelen. De bevestiging mag in dat geval maximaal vier uur duren. De directeur, arts en Commissie van Toezicht moeten hier onverwijld van op de hoogte worden gesteld. De directeur kan de beslissing telkens met ten hoogste 24 uur verlengen, na overleg met de arts of plaatsvervangend arts. 

 

Cameratoezicht (artikel 24a Pbw)
Een gedetineerde die in een afzonderingscel is geplaatst, kan daarnaast onder cameratoezicht worden geplaatst (artikel 24a Pbw). Een gedetineerde kan onder cameratoezicht geplaats worden als zijn lichamelijke of geestelijke toestand dit noodzakelijk maakt. De directeur vraagt voorafgaand aan deze beslissing advies aan de gedragsdeskundige of de inrichtingsarts. Daarnaast moet de directeur moet een zelfstandige belangenafweging maken.[21] Indien het advies van de inrichtingsarts niet kan worden afgewacht, kan de directeur het cameratoezicht direct instellen en vraagt hij het advies alsnog zo spoedig mogelijk na deze beslissing.[22] Door de inrichtingsarts of gedragskundige moet daarna regelmatig worden getoetst of voortduring of verlenging van het cameratoezicht noodzakelijk is.[23] De directeur geeft de gedetineerde onverwijld schriftelijk, een gedagtekende en ondertekende mededeling van zijn beslissing om tot cameraobservatie over te gaan.

 

Rechten tijdens het verblijf in afzondering

De gedetineerde neemt gedurende het verblijf in afzondering niet deel aan activiteiten. Hierop geldt als enige wettelijke uitzondering het recht op het dagelijks verblijf in de buitenlucht (artikel 24 lid van de Pbw. Dit dagelijkse uur luchten zal veelal plaatsvinden in de luchtkooi, die zich in iedere inrichting op de afzonderingsafdeling bevindt. De gedetineerde lucht daar alleen, ook zonder eventuele andere gedetineerden die op de afzonderingsafdeling verblijven.
De directeur kan tijdens het verblijf van de gedetineerde in de afzonderingscel het contact met de buitenwereld beperken of uitsluiten. Voor contact met de raadsman gelden aparte bepalingen, die erop neer komen dat de gedetineerde bezoek en post kan ontvangen van zijn raadsman wanneer hij in de afzonderingscel verblijft. De gedetineerde kan bellen met zijn raadsman, indien daartoe de noodzaak en gelegenheid bestaat (artikel 37, artikel 38 lid 7 en artikel 39 lid 3 Pbw).


Ordemaatregel op bevel van de Officier van Justitie of rechter-commissaris

Voor sommige preventief gehechte gedetineerden is de directeur verplicht ordemaatregelen, zoals afzondering, uit te voeren die hij niet zelf heeft opgelegd. Het gaat dan om de tenuitvoerlegging van beperkingen die door de Officier van Justitie of de rechter-commissaris zijn bevolen. Deze beperkingen kunnen leiden tot uitsluiting van bepaalde activiteiten (bezoek, contact met medegedetineerden, post, telefoneren) op grond van artikel 62 en artikel 62a van het Wetboek van Strafvordering. De gedetineerde of diens advocaat kan bij de rechtbank tegen dergelijke bevelen een bezwaarschrift indienen. Bij de beklagcommissie kan slechts worden geklaagd over de wijze waarop de directeur uitvoering heeft gegeven aan de bevelen.[24]

 



[1] Nederlands Detentierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 178

[8] Bajesboek, Breda 2008: Papieren tijger, p. 245 en RSJ 7 juni 2010, 10/0505/JA

[9] RSJ 12 januari 2018, 17/2348/TA