Sla inhoud over

Het recht op luchten

Wettelijke basis
De gedetineerde, ingeslotene, jeugdige en verpleegde (patiënt) hebben het recht om gedurende ten minste één uur per dag in de buitenlucht te verblijven. Dit wordt in de praktijk vaak ‘luchten’ genoemd. Het recht op luchten is voor gedetineerden en ingeslotenen vastgelegd in artikel 49, eerste lid, Penitentiaire beginselenwet (Pbw). Voor jeugdigen is dit recht neergelegd in artikel 53, derde lid, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) en voor patiënten in artikel 43, derde lid, Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt).

Duur van het luchten
In de wet is opgenomen dat recht bestaat op ten minste één uur verblijf in de buitenlucht. Dit betekent dat het luchten minimaal een uur moet duren. De directeur mag dit uitbreiden naar meer uren per dag. De tijd die nodig is voor het uitsluiten en insluiten van de justitiabele mag niet worden afgetrokken van het uur. Een tekortkoming van enkele minuten, zodat het luchten bijvoorbeeld 55 minuten heeft geduurd, voldoet dus niet.[1]

Plaats van het luchten
Luchten betekent volgens de wet het verblijf in de buitenlucht. Het uitgangspunt voor zowel gedetineerden, ingeslotenen, jeugdigen en patiënten is dat er gemeenschappelijk wordt gelucht. Dit gebeurt doorgaans op een luchtplaats of buitenplaats. In sommige gevallen wordt er echter gelucht in een luchtkooi. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een justitiabele in een straf- of isoleercel verblijft op grond van een disciplinaire straf of ordemaatregel. Ook in die gevallen is er namelijk het recht op lucht dat de directeur niet naar eigen believen kan intrekken.[2] Het in deze gevallen luchten in een luchtkooi die aan de daaraan te stellen eisen voldoet, is niet in strijd met de wet. Indien er te weinig personeel is waardoor de veiligheid op de reguliere luchtplaats niet gewaarborgd kan worden, mag er ook in incidentele gevallen worden gelucht in een luchtkooi.[3] Wel is in een zaak door de RSJ geoordeeld dat het zeven maanden lang moeten luchten in een luchtkooi vanwege opgelegde toezichtsmaatregelen en de gebouwelijke situatie van de inrichting, op gespannen voet komt te staan met het beginsel van minimale beperkingen van artikel 2, vierde lid, Pbw en het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). In dit geval is de directeur opgedragen om alternatieven te gaan zoeken.[4] Daarnaast heeft de RSJ geoordeeld dat het verblijf in de buitenlucht niet per definitie recreatief hoeft te zijn. Indien een patiënt in de buitenlucht arbeid verricht op een boerderij en daarmee ten minste een uur per dag in de buitenlucht verblijft, is voldaan aan het recht op luchten.[5]

Luchtkooi
De Nederlandse wet stelt geen eisen, zoals bijvoorbeeld minimale afmetingen, aan een luchtkooi. Artikel 27.1 van de European Prison Rules (EPR) biedt wel een richtlijn. In dit artikel is vermeld dat het bij luchten moet gaan om ‘exercise in the open air’. Hoewel de EPR slechts een richtlijn is, heeft de RSJ dit wel in haar uitspraken meegenomen. Zo is geoordeeld dat onder ‘exercise in the open air’ het daadwerkelijk ervaren van de weersomstandigheden moet worden verstaan, waaronder niet alleen ‘zien’, maar met name ook ‘voelen’.[6] Volgens de RSJ voldoet een luchtkooi in ieder geval aan de daaraan te stellen eisen  indien de weersgesteldheid kan worden gezien, gevoeld en ervaren. Ook dient de luchtkooi minstens een oppervlakte van 10 vierkante meter te hebben.[7] Het verblijf in een luchtkooi met een open bovenkant kan in beginsel als verblijf in de buitenlucht worden aangemerkt.[8] Dit geldt ook voor een verblijf in een luchtruimte met een oppervlakte van circa 40 vierkante meter, waarvan de gehele bovenkant uit een raster bestaat, maar waardoor wel contact met de open lucht wordt ervaren en zicht is op de open lucht.[9] Een luchtkooi van ongeveer 10 vierkante meter, met een gesloten plafond en twee uitsparingen in de buitenwand van 80 x 135 cm waarvoor tralies was geplaatst, kon volgens de RSJ niet worden aangemerkt als verblijf in de buitenlucht. Zeker nu er altijd elektrisch licht brandde en alleen door de uitsparingen daglicht en buitenlucht de luchtkooi in konden komen.[10]

Afgekeurde luchtkooi
Indien de RSJ een luchtkooi afkeurt in een beroepszaak, kent de wet geen bevoegdheid aan de beroepscommissie toe om een verbod tot (toekomstig) gebruik van de luchtkooi uit te vaardigen. Dit betekent dat de betreffende inrichting de afgekeurde luchtkooi in de praktijk kan blijven gebruiken. Wordt de luchtkooi toch gebruikt zonder dat de omstandigheden zijn gewijzigd, dan is dit gebruik dus in strijd met de wet. Het luchten in een afgekeurde luchtkooi kan namelijk niet worden aangemerkt als een verblijf in de buitenlucht.[11] Daarom dient er een financiële tegemoetkoming te worden toegekend indien er wel wordt gelucht in een afgekeurde luchtkooi. De omstandigheid dat de directeur of de beroepscommissie enige financiële tegemoetkoming toekent, maakt het gebruik van de luchtkooi echter niet conform de wet.[12]

Beperkingen op het recht op luchten
De RSJ heeft geoordeeld dat het recht op dagelijks verblijf in de buitenlucht in beginsel als een onvervreemdbaar fundamenteel recht is. Beperkingen op dit recht mogen alleen in zeer uitzonderlijke gevallen. Ook bij zeer ernstige calamiteiten moet de directeur extra inspanningen verrichten om een passende compensatie te kunnen bieden.[13] Met extra inspanningen wordt bijvoorbeeld bedoeld extra personeelsinzet, beveiliging of mechanische hulpmiddelen.[14]

Gerechtvaardigde beperkingen
De RSJ heeft geoordeeld dat de aanslag in een tram in Utrecht op het 24Oktoberplein aan te merken viel als een zodanig uitzonderlijke situatie, dat het daardoor niet kunnen luchten een gerechtvaardigde inperking was. Deze uitzonderlijke situatie raakte alle gedetineerden in de inrichting als gevolg waarvanvrijwel de helft van alle gedetineerden niet heeft kunnen luchten. De RSJ oordeelde dat het in dat geval onredelijk zou zijn om van de directeur te verlangen dat hij een nieuw luchtmoment zou aanbieden.[15] Ook de situatie waarin in een tbs-kliniek het pagersysteem was uitgevallen en de portofoons niet konden worden gebruikt om de haperende piepers te vervangen, werd door de RSJ gezien als een uitzonderlijke situatie. De RSJ oordeelde dat  hierdoor onvoldoende communicatiemiddelen beschikbaar waren voor het personeel om het luchten te begeleiden.[16] Meer recentelijk oordeelde de RSJ nog dat een opstand op de luchtplaats, waarbij ongeveer 60 gedetineerden betrokken waren en die vervolgens aanleiding gaf tot een lockdown, ook aangemerkt diende te worden als  uitzonderlijke situatie die afwijking van het recht op luchten rechtvaardigde.[17]

Het gedrag van een justitiabele kan aanleiding zijn om het recht op luchten te mogen beperken. Dat was het geval bij een patiënt die vanaf de ochtend ernstige dreigementen uitte en zich agressief opstelde. Meerdere keren was geprobeerd om het contact met de patiënt te herstellen maar dat was niet gelukt, waardoor het niet veilig was om de patiënt te laten luchten, ook niet met meermansbegeleiding en handboeien.[18] In het geval waarin een jeugdige zich tijdens het luchten heeft misdragen en daardoor een ordemaatregel opgelegd heeft gekregen, oordeelde de RSJ dat de directeur de jeugdige het restant van de luchttijd niet hoefde in te laten halen.[19] Indien een gedetineerde naar de rechtbank moet en daardoor tijdens het luchten niet aanwezig is in de inrichting, levert dit geen schending op van het recht op luchten. Het valt de directeur namelijk niet toe te rekenen dat de gedetineerde in dat geval niet heeft kunnen luchten.[20] In een andere zaak van een patiënt oordeel de RSJ echter dat ook in het geval van een zitting bij de RSJ de zorgplicht bij de directeur blijft bestaan om het recht op luchten te effectueren. Het komt er dan op neer welke inspanningen de directeur (nog) heeft kunnen doen, zoals het aanbieden van een luchtmoment de volgende dag.[21]

Onterechte beperkingen
Een defect alarmsysteem daarentegen was niet aan te merken als een uitzonderlijke omstandigheid. De directeur moet in zulke gevallen extra inspanningen verrichten om een passende tegemoetkoming aan te bieden.[22] Dit betekent dat bij een reguliere alarmsituatie in een inrichting ook inspanningen moeten worden verricht om compensatie aan te bieden.

In de wet staat dat de directeur de gedetineerde ‘in de gelegenheid stelt’ om te luchten.[23] Dit betekent niet dat een gedetineerde zelf moet verzoeken om te luchten. De directeur dient hiertoe in beginsel het initiatief te nemen en de gedetineerde te vragen of hij wil luchten.[24] In een zaak waarin een patiënt een spreekverbod opgelegd kreeg tijdens het luchten, oordeelde de RSJ dat het recht op luchten ook het recht inhoudt om te kunnen spreken met medepatiënten en dat in dit geval geen noodzaak bestond om dit recht te beperken.[25]

Tegemoetkoming
Wanneer een gedetineerde niet heeft kunnen luchten, dient de directeur extra inspanningen te verrichten om een passende tegemoetkoming aan te bieden. Het aanbieden van luchten tijdens een recreatiemoment zodat dit ten koste daarvan gaat, valt niet aan te merken als een passende tegemoetkoming. Hetzelfde geldt voor het aanbieden van een recreatiemoment waaraan de gedetineerde sowieso al zou deelnemen.[26] De tegemoetkoming dient in beginsel een daadwerkelijk uur verblijf in de buitenlucht te zijn of een andere passende tegemoetkoming die niet ten koste gaat van waar een justitiabele al recht op heeft. De voorkeur is om te compenseren in natura, wanneer dit niet mogelijk is kan een geldelijke tegemoetkoming worden toegekend. Een geldelijke tegemoetkoming voor één gemist luchtmoment is met ingang van de nieuwe standaardbedragen tegemoetkomingen van de RSJ per 1 augustus 2021 €12,50.[27] Afwijking daarvan is mogelijk als daartoe aanleiding is, zie voor meer informatie het dossier Tegemoetkoming.

[1] RSJ 10 september 2003, 03/1204/GA

[2] RSJ 5 november 2014, 14/4066/SGA

[3] RSJ 23 februari 2018, 17/2611/JA

[4] RSJ 7 december 2015, 15/2880/GA

[5] RSJ 12 januari 2015, 14/3467/TA en 14/3910/TA

[6] RSJ 7 februari 2017, 16/3079/TA

[7] RSJ 1 augustus 2014, 14/0944/TA

[8] RSJ 26 maart 2010, 10/0020/TA

[9] RSJ 2 februari 2012, 11/1836/TA

[10] RSJ 6 juni 2007, 06/3258/GA

[11] RSJ 4 februari 2013, 12/3185/GA

[12] RSJ 12 december 2011, 11/2352/GA en RSJ 21 november 2011, 11/1440/GA

[13] Bijvoorbeeld RSJ 15 juli 2020, R-19/4066/GA

[14] RSJ 7 november 2012, 12/1753/TA en 12/1762/TA

[15] RSJ 18 september 2019, R-19/3658/GA

[16] RSJ 7 november 2012, 12/1753/TA en 12/1762/TA

[17] RSJ 21 september 2020, R-20/5697/GA

[18] RSJ 12 oktober 2017, 17/1633/TA

[19] RSJ 5 augustus 2003, 03/0859/JA

[20] RSJ 8 januari 2016, 15/2966/GA

[21] RSJ 23 december 2015, 15/2433/TA en 15/2523/TA

[22] RSJ 15 juli 2020, R-19/4066/GA en RSJ 20 oktober 2020, R-19/4316/GA

[23] Artikel 49, derde lid, Pbw

[24] RSJ 16 januari 2020, R-19/4499/GA

[25] RSJ 7 februari 2018, 17/3117/TA

[26] RSJ 15 juli 2020, R-19/4066/GA en RSJ 20 oktober 2020, R-19/4316/GA

[27] RSJ Standaardbedragen Tegemoetkomingen