Sla inhoud over

Internationale wet- en regelgeving: Gevangeniswezen

Naast de nationale regels die gelden voor gedetineerden zijn er een groot aantal internationale en Europese wetten en regels opgesteld. Op deze manier worden de rechten van gedetineerden zoveel mogelijk gewaarborgd.

Mensenrechten
Er zijn een aantal rechten en vrijheden die fundamenteel zijn voor het menselijk bestaan. Deze rechten worden “mensenrechten” genoemd en kunnen mensen niet worden ontnomen alsof het ‘privileges’ zijn, ze dienen ter bescherming. Deze rechten gelden ook onverkort voor alle mensen van wie de vrijheid is ontnomen. 

BUPO-verdrag
In elk van de nationale beginselenwetten staat het beginsel van minimale beperking voorop. Dit beginsel houdt met zoveel woorden in dat een ingeslotene aan geen andere beperkingen onderworpen wordt dan die welke noodzakelijkerwijs inherent zijn aan de vrijheidsbeneming. Dit beginsel van minimale beperking is terug te voeren op internationale wet- en regelgeving, te beginnen bij het 
internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO), dat is gebaseerd op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1966. Bijna alle landen in de wereld, waaronder Nederland, hebben dit verdrag ondertekend en zijn daarmee gebonden aan de bepalingen. Artikel 7 van het BUPO-verdrag verbiedt foltering en wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van mensen. Artikel 10 gaat over de menselijke en waardige behandeling van gedetineerden en luidt als volgt:

(1) All persons deprived of their liberty shall be treated with humanity and with respect for the inherent dignity of the human person.
(3) The penitentiary system shall comprise treatment of prisoners the essential aim of which shall be their reformation and social rehabilitation. Juvenile offenders shall be segregated from adults and be accorded treatment appropriate to their age and legal status

Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners
Universele principes die gelden voor gedetineerden zijn verwerkt in de '
Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners'(SMR) die in 1955 door de Verenigde Naties werden aangenomen. Alhoewel deze regels geen bindende rechtskracht hebben worden ze gezien als het meest belangrijke internationale raamwerk voor de behandeling van gedetineerden en gaat er van deze regels een grote morele en universele kracht uit.

Europese regelgeving
EVRM en ECPT
Naast deze internationale wet- en regelgeving is veel van de regelgeving waar in Nederland rechtskracht van uit gaat afkomstig uit Europa. Belangrijke bindende rechtsbronnen zijn het 
Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), de protocollen bij het EVRM en het Europees Verdrag ter Voorkoming van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing 
(European Convention for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment: ECPT). Voor de in Nederland gedetineerde personen zijn vooral de artikelen 3, 5, 6 en 8 van het EVRM van belang. Het ECPT is direct gerelateerd aan artikel 3 van het EVRM en houdt in dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Dit verbod is absoluut en het EVRM voorziet dan ook niet in een uitzonderingsmogelijkheid. Het gaat in detentie dan vaak om een aantal factoren die samen zó zwaar wegen dat de behandeling van een gedetineerde beschouwd kan worden als inhumaan of vernederend. Het Europese Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) in Straatsburg toetst of een mensenrecht uit het EVRM is geschonden. Zij doet dit door middel van rechterlijke toetsing, gebaseerd op klachten van staten of individuen die betrekking hebben op het individuele en concrete geval. Het EHRM toetst slechts repressief en het leed is dan dus al geschied. Er is een database beschikbaar met uitspraken van het EHRM. 

CPT
Naast een repressieve toetsing is er ook een preventieve toetsing. In 1989 is het Comité ter Voorkoming van Foltering (CPT) ontstaan naar aanleiding van de inwerkingtreding van het ECPT. Het uitgangspunt van het ECPT is dat rechterlijke toetsing alleen niet voldoende is om bescherming van artikel 3 van het EVRM te garanderen. Daarvoor is ook een preventief mechanisme nodig, dat mogelijke schendingen van artikel 3 kan voorkomen. Vandaar dat het ECPT gezien kan worden als een grondslag voor de instelling van een onafhankelijk comité (het CPT), ter voorkoming van foltering of onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing. Het Comité is samengesteld uit onafhankelijke, onpartijdige experts die door middel van bezoeken toezicht houden op de behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd. Het CPT bezoekt justitiële inrichtingen zoals gevangenissen, detentiecentra, politiekantoren en ook psychiatrische instellingen. Na afloop van een bezoek schrijft de CPT haar bevindingen in een rapport dat met toestemming van het land dat is bezocht openbaar wordt gemaakt met daarbij ook een reactie van de regering. Bekijk de 
CPT rapporten. Ook heeft het CPT een algemeen rapport gepubliceerd over de werkzaamheden in 2016 (hierbij de link ). De CPT heeft algemene standaarden voor behandeling van gedetineerden ontwikkeld die voor een groot deel gebaseerd zijn op de Europese Gevangenisregels.

Nationale Preventiemechanismen (NPM)
Het NPM is in 2011 opgericht om te voorkomen dat burgers die door de overheid van hun vrijheid zijn beroofd, vernederend en mensonterend worden behandeld. Het NPM ziet op onafhankelijk wijze hierop toe en kan de verantwoordelijken op dit punt adviseren. Het NPM vloeit voort uit het OPCAT-verdrag van de Verenigde Naties waarbij Nederland is aangesloten. 


In het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing is vastgelegd dat elk land die partij is bij dit protocol één of meer onafhankelijke nationale preventiemechanismen dient te onderhouden, aanwijzen of oprichten ter voorkoming van foltering op nationaal niveau. Eén van de taken van het NPM is om jaarlijks verslag te doen van haar bevindingen aan het Subcomité ter preventie van foltering (SPT). 

In Nederland zijn de volgende organisaties aangewezen als nationale preventiemechanisme: de Inspectie Veiligheid en Justitie, de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Inspectie Jeugdzorg en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.
Ook heeft Nederland een aantal toehoorders aangewezen bij het NPM-overleg. Dit zijn de klankbordgroep van de Commissie van Toezicht voor justitiële inrichtingen, de klankbordgroep van de Commissie van Toezicht Arrestantenzorg en de Commissie van Toezicht Detentieplaatsen Koninklijke Marechaussee.[[1]]

Er wordt elk jaar een jaarverslag gemaakt van de activiteiten van het Nederlandse NPM. Uit
het jaarverslag 2016 blijkt dat dat de rechten van mensen die in hun vrijheid zijn beperkt over het algemeen worden gerespecteerd in Nederland. De jaarverslagen van voorgaande jaren zijn ook beschikbaar. Voor de verslagen van voorgaande jaren; hierbij de link naar het jaarverslag van  20152014 20132012 en 2011

European Prison Rules
De EPR bevatten onder meer regels met betrekking tot de gezondheidszorg, de orde en rust (beveiliging, disciplinaire straffen, vrijheidsbeperkende middelen, klachtrecht) en de directie en het personeel (selectie, organisatie, opleiding, specialisatie) binnen de inrichting. In 1973 heeft de Raad van Europa voor het eerst Europese gevangenisregels vastgesteld. Alhoewel de SMR niet zijn veranderd sinds 1955 heeft de Raad van Europa de EPR in 1987 en in 2006 aangepast. De EPR en de standaarden van het CPT zijn niet bindend maar aangezien ze door alle lidstaten van de Raad van Europa, waaronder Nederland, zijn ondertekend gaat er een grote morele binding vanuit. Zo houdt het EHRM vaak rekening met de EPR en de standaarden van het CPT bij het doen van uitspraken. Naast de EPR als belangrijke normatieve bron bestaat er nog een groot aantal Recommendations van de Council of Europe.