Sla inhoud over

GVM-lijst

DISCLAIMER: Op 8 juli 2021 is een nieuwe circulaire beleid gedetineerden met een vlucht en/of maatschappelijk risico in werking getreden. Dit dossier is daarop nog niet aangepast, maar dat zal spoedig gebeuren. 

Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico (GVM)

Gedetineerden worden op de GVM-lijst geplaatst als zij geen standaard risicoprofiel hebben. Hieronder wordt nader ingegaan op de criteria en verschillende risicoprofielen van de GVM-lijst, de procedure rondom de plaatsing op de GVM-lijst en de eventuele maatregelen die aan een gedetineerde kunnen worden opgelegd. Tot slot wordt aandacht besteed aan rechtsmiddelen in het kader van de GVM-lijst.

Criteria GVM-lijst

De selectiefunctionaris legt van elke gedetineerde bij binnenkomst in detentie een risicoprofiel vast. Op grond van artikel 22 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna; Regeling spog) wordt dit risicoprofiel vastgesteld op basis van:

  1. de kenmerken en achtergronden van het delict waarvan de gedetineerde wordt verdacht of waarvoor hij is veroordeeld;
  2. de gegevens over een eventuele eerdere detentie in binnen- dan wel buitenland, en
  3.  eventueel overige beschikbare informatie waaronder de bevindingen van het meldpunt-GRIP na analyse van beschikbare gegevens omtrent de gedetineerde.[1]

GRIP staat voor Gedetineerde Recherche Informatie Punt en is een onderdeel van de Landelijke Eenheid van de politie. Het GRIP verzameld informatie over gedetineerden uit allerlei verschillende bronnen en fungeert als informatieknooppunt tussen de politie, DJI en het Openbaar Ministerie (OM).[2]

Vluchtrisico

De Memorie van Toelichting bij de Regeling spog geeft aan dat het risicoprofiel is opgebouwd uit twee elementen, het vluchtrisico en het maatschappelijk risico. Essentiele indicatoren voor de bepaling van het vluchtrisico zijn:

  • Ontvluchtingen en ontvluchtingspogingen tijdens de lopende of eerdere detentie met gebruik van geweld of dreiging daartoe;
  • Het perspectief van uitlevering in combinatie met door de gedetineerde getoonde weerstand daartegen en de opgelegde of te verwachte gevangenisstraf in het land waaraan uitlevering plaatsvindt;
  • De lengte van het strafrestant in binnen- en/of buitenland. Dit dient in totaal ten minste enkele jaren te bedragen als indicator;
  • Informatie of tips van externe instanties inzake een te verwachten ontvluchtings- of bevrijdingspoging die door het meldpunt GRIP zijn geverifieerd op betrouwbaarheid, actualiteit en concreetheid.[3]

Maatschappelijk risico

Het delict is de doorslaggevende factor bij de bepaling van het maatschappelijk risico. Belangrijkste aspecten van het delict zijn:

  • De ernst, aard, politieke of maatschappelijke gevoeligheid van het delict, vooral met het oog op slachtoffers van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven alsmede misdrijven op grond van de Opiumwet in binnen- en/of buitenland;
  • De achtergrond van de verdenking of de veroordeling: de mogelijkheid van wraakacties door de gedetineerde c.q. het ingeschatte risico van recidive bij ernstige delicten.[4]

Het Openbaar Ministerie speelt een cruciale rol bij de verstrekking van informatie ten behoeve van het risicoprofiel. Voornamelijk ten aanzien van het maatschappelijk risico.

Uitgangspunten

In de Circulaire beleid gedetineerden met een vlucht-/ maatschappelijk risico (hierna: de Circulaire) is aangegeven dat er steeds een evenwichtige inschatting gemaakt moet worden. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • Indien uit de beschikbare informatie bij de eerste plaatsing geen aanwijzing is voor een verhoogde mate van vlucht- en/of maatschappelijk risico, wordt het profiel standaard vastgesteld;
  • Gedetineerden met een al dan niet in eerste aanleg opgelegde levenslange gevangenisstraf worden niet op de GVM-lijst geplaatst, maar op een aparte lijst ‘levenslanggestraften’. Wel kan op basis van de criteria een levenslanggestrafte op de GVM-lijst worden geplaatst;
  • Per individueel geval zal een zorgvuldige afweging plaats moeten vinden op basis van objectieve en subjectieve criteria;
  • De informatie van het vlucht- en maatschappelijk risico dient Actueel, Betrouwbaar en Concreet (ABC-formule) te zijn.


Volgens de Circulaire vormen - in aanvulling van artikel 22 Regeling spog en de Memorie van Toelichting – onderstaande criteria de basis voor de bepaling en vaststelling van het risicoprofiel:

  • Concrete informatie van GRIP/DNRI/OM/Landelijk Parket en tips waaruit voornemens van ontvluchting blijken;
  • Slachtofferbelang: risico van ongewenste confrontatie met slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij het door de gedetineerde gepleegde misdrijf;
  • Lidmaatschap van of rol in terroristische/criminele organisatie;
  • Verdacht van/veroordeeld voor (al dan niet onherroepelijk) voor een terroristisch misdrijf;
  • Actief bezighouden met radicaliserings-/wervingsactiviteiten;
  • Liquidatiegevaar: reëel gevaar zowel van binnenuit als van buitenaf op de persoon of liquidatiedreiging vanuit de persoon naar anderen;
  • Verdacht van /veroordeeld (al dan niet onherroepelijk) tot een gevangenisstraf plus tbs;
  • Reëel vermoeden van of sprake van voortgezet crimineel handelen in detentie;
  • Geld, macht, middelen en mogelijkheden;
  • Mediagevoeligheid doordat de zaak van gedetineerde of diens gedrag binnen de inrichting de landelijke media heeft gehaald of waarbij de ontvluchting van die gedetineerde tot grote maatschappelijke onrust zal leiden.

De meeste gedetineerden krijgen het risicoprofiel ‘standaard’ en worden niet op de GVM-lijst

geplaatst. Bovenstaande criteria kunnen echter reden zijn om daarvan af te wijken. Als er wordt afgeweken van het standaard risicoprofiel, zijn er drie mogelijke opties. Dit zijn, van meest risicovol naar minst risicovol, de profielen: ‘extreem’, ‘hoog’ en ‘verhoogd’. Bij de bepaling van één van deze risicoprofielen wordt de gedetineerde op de GVM-lijst geplaatst.

Kritische noten op de criteria

De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) heeft in haar advies van 2009 aangegeven kritisch te kijken naar de subjectieve criteria. De subjectieve criteria zijn bijvoorbeeld geld, macht, middelen en mogelijkheden of de mediagevoeligheid van de zaak. Deze subjectieve criteria zijn problematisch omdat het gewicht ervan niet duidelijk is en afhankelijk is van interpretatie. Ook ontbreekt enige vorm van weging waarbij aan ieder afzonderlijk criterium een bepaald gewicht wordt toegekend. De RSJ ziet in deze werkwijze een risico omdat het een gevaar van willekeur in zich draagt. Ook wijst de RSJ op het risico dat er binnen het OO, ondanks de grondige en kritische discussie, een vorm van tunnelvisie kan ontstaan. Dit risico wordt versterkt doordat de samenstelling van het OO constant is.[5]

Procedure

De toekenning van het risicoprofiel verhoog, hoog of extreem wordt bepaald in het Operationeel Overleg (hierna: OO). Het doel van het OO is het bespreken van voorstellen tot plaatsing op de GVM-lijst, het periodiek bespreken van de gedetineerden die erop zijn geplaatst, het besluiten tot verlenging van de plaatsing op de lijst dan wel herwaarderen naar een ander risicoprofiel.[6] Het OO vindt maandelijks plaats en bestaat uit het hoofd van het proces doorplaatsing van de Divisie Individuele Zaken van DJI of een door hem aangewezen selectiefunctionaris, het GRIP, vertegenwoordiger van het Landelijk Parket, een vestigingsdirecteur, een vestigingsdirecteur van een inrichting met het profiel hoog (op uitnodiging), een selectiefunctionaris (secretaris) en een vertegenwoordiger van het kernteam Gevangeniswezen/Vreemdelingenbewaring (accountmanager).[7] Het GRIP geeft door middel van een zogenoemde prelijst aan welke gedetineerden besproken dienen te worden. Maar ook een selectiefunctionaris, het OM of een directeur kunnen gedetineerden aandragen. In het overleg wordt op basis van alle informatie aan de hand van bovengenoemde criteria bepaalt of en welk risicoprofiel een gedetineerde krijgt toegekend. Bij toekenning van een van de drie profielen wordt de gedetineerde op de GVM-lijst geplaatst. De secretaris van het OO zendt de GVM-lijst maandelijks en na tussentijdse mutaties door naar de directeuren en de hoofden detentie & re-integratie. De directeur bepaalt wie binnen zijn inrichting de verdere beschikking krijgt over de lijst.[8]

Van gedetineerden die op de GVM-lijst zijn geplaatst vindt er een periodieke toetsing plaats. Ten behoeve van het OO levert de directeur maandelijks rapportages aan het GRIP, deze tussentijdse rapportages worden betrokken bij de periodieke toetsing. De toetsing kan leiden tot bepaling van een ander risicoprofiel van de GVM-lijst of algehele afschaling naar het standaard risicoprofiel en daarmee verwijdering van de lijst. Dit gebeurt in beginsel elke zes maanden, tenzij er dringende redenen of wijzigingen zijn om daarvan af te wijken. Deze uitzondering geldt bijvoorbeeld voor gedetineerden die in de EBI (Extra beveiligde Inrichting) of op een TA (Terroristen Afdeling) verblijven, voor hen zijn andere voorzieningen getroffen.[9]

Risicoprofielen
De selectiefunctionaris plaats een gedetineerde in een inrichting of afdeling met de mate van beveiliging die op grond van het risicoprofiel van de gedetineerde geïndiceerd is[10]. In de Circulaire zijn alleen algemene criteria voor plaatsing op de GVM-lijst vermeld. Welke criteria voor welke risicoprofielen gelden, is niet nader gespecificeerd. Wel is per risicoprofiel aangegeven in welke inrichting een gedetineerde geplaatst kan worden en welke maatregelen in beginsel daarbij opgelegd worden. Hieronder wordt dit nader toegelicht. Voor meer algemene informatie over beveiligingsniveaus, bestemmingen en regimes, zie het dossier overplaatsing.

Extreem
Gedetineerden die het profiel extreem toegekend krijgen, worden geplaatst in de EBI (Extra Beveiligde Inrichting) of op een TA (Terroristen Afdeling). In deze inrichtingen en afdelingen gelden al standaard specifieke toezichts- en veiligheidsmaatregelen. Aan dit profiel zijn daarom geen standaard maatregelen gekoppeld. Wanneer in incidentele gevallen de gedetineerde meer zorg nodig heeft dan op deze afdelingen kan worden geboden, kan de gedetineerde in een andere inrichting worden geplaatst. Als dat gebeurt dient er goede communicatie en overdracht plaats te vinden tussen de verschillende inrichtingen, zodat het toezicht gecontinueerd wordt.[11]

Hoog
Gedetineerden met het profiel hoog kunnen in een reguliere inrichting geplaatst worden met beveiligingsniveau III. Het gaat hierbij niet om de beveiligingsniveaus zoals genoemd in de Regeling spog (zie dossier overplaatsing), maar beveiligingsniveaus op grond van andere criteria. Inrichtingen met beveiligingsniveau III zijn: PI Vught, PI Leeuwarden, PI Zutphen, PI Rotterdam, locatie De Schie, PI Zwaag, PI Krimpen aan den IJssel en PI Zuid-Oost, locatie Roermond.[12]

Naast plaatsing in één van deze inrichtingen gelden voor gedetineerden met het profiel hoog dat zij in beginsel een standaard aantal maatregelen opgelegd krijgen. Dit zijn:

Contact met de buitenwereld
Bezoek
  • Individueel met toezicht
  • Advies vragen aan GRIP
  • Opnemen en afluisteren (vertalen) gesprekken en zo nodig toezenden aan GRIP
Telefonie
  • Gedetineerde geeft telefoonnummers van tevoren door die door de directeur worden gecontroleerd
  • Maximaal 15 minuten per dag, exclusief advocaat
  • Opnemen, beluisteren en registreren gesprekken
  • Zo nodig toezenden aan GRIP, voor zover het gaat om voortgezet crimineel handelen
Post
  • Inhoudelijke controle, kopiëren en zo nodig toezenden aan GRIP
Controle
Celinspecties
  • Uitgebreid 2x per maand
Fouillering
  • Dagelijks
 
  • Na bezoek en op indicatie
Activiteiten
Arbeid
  • Op indicatie op cel
  • In beginsel geen speciale baantjes bijv. reiniger. Indien dit wel wordt verleend wordt dit gemeld bij het GRIP/OO
Lucht en sport
  • Afhankelijk van gebouwelijke situatie inrichting en mogelijkheden personeel. Eventueel individueel
Transport  
Spoedeisend
  • In beginsel BOT (Bijzonder OndersteuningsTeam) van DV&O (op advies OM, DV&O en GRIP)
Spoediesend zonde DV&O
  • In samenwerking met lokale politie


Verhoogd

Gedetineerden met het profiel verhoogd kunnen in elke reguliere inrichting met beveiligingsniveau III geplaatst worden zoals hierboven bij het profiel hoog vermeld. Daarnaast gelden in beginsel onderstaande toezichtsmaatregelen.[13]

Contact met de buitenwereld
Bezoek
  • Gemeenschappelijk
  • Advies vragen aan GRIP
Telefonie
  • Gedetineerde geeft telefoonnummers van tevoren door die door de directeur worden gecontroleerd
  • Zo nodig opnemen en beluisteren gesprekken
Post
  • Inhoudelijke controle brieven en poststukken
Controle
Celinspecties
  • Uitgebreid 1x per maand
Fouillering
  • Wekelijks
Visitatie
  • Na bezoek en op indicatie
Activiteiten
Arbeid
  • In beginsel geen speciale baantjes bijv. reiniger. Indien dit wel wordt verleend wordt dit gemeld bij het GRIP/OO
Transport
Spoedeisend
  • In beginsel BOT (Bijzonder OndersteuningsTeam) van DV&O (op advies OM, DV&O en GRIP)
Spoediesend zonde DV&O
  • In samenwerking met lokale politie


Maatregelen
Verantwoordelijkheid directeur

Wanneer in het OO het profiel verhoogd, hoog of extreem aan een gedetineerde wordt toegekend, wordt de directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft hier per e-mail van op de hoogte gesteld door de secretaris van het OO. Ook bij tussentijdse wijzigingen van het profiel wordt de directeur op dezelfde wijze geïnformeerd. De directeur stelt de gedetineerde schriftelijk in kennis van de plaatsing op de GVM-lijst en de gevolgen daarvan. Het opleggen van de maatregelen is ter beoordeling van de vestigingsdirecteur. Deze beslissing dient voldoende onderbouwd te zijn. Het OO levert hiertoe de gronden aan. De adviesrapportages van het GRIP worden opgenomen in het penitentiair dossier van de gedetineerde. De uitvoering van de maatregelen en het toezicht hierop valt onder de verantwoordelijkheid van de vestigingsdirecteur. Ook de beoordeling van de noodzaak tot en de bepaling van verdere beperkende maatregelen valt onder zijn verantwoordelijkheid. Indien de directeur afwijkt van de maatregelen die zijn bepaald voor het risicoprofiel, stelt hij het OO per e-mail in kennis daarvan. Inden het OO zich niet kan vinden in deze beslissing, bespreekt de voorzitter van het OO dit met de directeur. Als hier geen overeenstemming wordt bereikt, wordt de zaak voorgelegd aan de (plv.) divisiedirecteur.[14]

Criteria opleggen maatregelen

Zoals hierboven beschreven, is de plaatsing op de GVM-lijst niet voldoende grond voor oplegging van de maatregelen. Het opleggen van de maatregelen blijft een individuele beslissing van de directeur die goed moet worden onderbouwd. De RSJ heeft bepaald dat voor het opleggen van maatregelen de volgende criteria gelden:

    • er moet sprake zijn van een noodzaak voor het opleggen van de onderhavige toezichtmaatregelen;
    • de directeur dient de gedetineerde voorafgaand aan de beslissing te horen;
    • de directeur dient een eigen belangenafweging te maken en kan zijn beslissing niet slechts baseren op de plaats en status van verzoeker op de GVM-lijst; en
  • de directeur dient een maandelijkse toets te plegen ten aanzien van de noodzaak van voortduring van de maatregelen.[15]


Daarbij geldt dat de belangenafweging toetsbaar en dus kenbaar moet zijn. Dat betekent dat de belangenafweging en de inhoud van het horen van de gedetineerde schriftelijk moeten worden vastgelegd. De beslissing moet verder genomen worden op basis van de informatie van het GRIP, de visie van de directeur en de informatie die de gedetineerde zelf verstrekt. Het horen dient dus te geschieden ten behoeve van en voorafgaand aan de door de directeur te maken belangenafweging.[16] Wel is in een uitspraak van 28 februari 2017 overwogen dat de plaatsing op de GVM-lijst niet gerechtvaardigd kan blijven worden door informatie uit het verleden. Een risico uit het verleden kan immers op enig moment uitgewerkt zijn, bovendien bleek in dit geval uit recente informatie niet dat er sprake was van recente, concrete aanwijzingen van vluchtgevaar, aldus de voorzieningenrechter. De laatste beslissing tot plaatsing op de GVM-lijst had echter wel genomen mogen worden en het eerstvolgende halfjaarlijkse toetsingsmoment was nabij, waardoor het verzoek alsnog werd afgewezen.[17]

Beklag en beroep
De plaatsing op de GVM-lijst is geen beslissing van de directeur waartegen een gedetineerde in beklag kan bij de commissie van toezicht van de betreffende inrichting. De beslissing is immers door het OO genomen. Gedetineerden die het niet eens zijn met hun plaatsing op de GVM-lijst, kunnen zich wenden tot de voorzieningenrechter (kort geding) van de Rechtbank Den Haag. Dergelijke vorderingen tot verwijdering van de GVM-lijst zijn vooralsnog allemaal afgewezen met het oordeel dat de Staat in redelijkheid tot de plaatsing op de lijst kon overgaan.[18]

Ten aanzien van het opleggen van toezichtsmaatregelen kan de gedetineerde wel in beklag op grond van artikel 60 van de Pbw. In deze zaken wordt getoetst of de directeur de juiste afwegingen heeft gemaakt. De directeur dient af te wegen of de maatregelen relevant zijn in relatie tot de inhoud van de plaatsing op de GVM-lijst. De redelijkheid en billijkheid van de maatregelen dienen te worden afgewogen op grond van feitelijke omstandigheden in de inrichting, waaronder het gedrag van de gedetineerde. De directeur wordt geacht om - in beklag- en beroepsprocedures tegen de oplegging van maatregelen – gemotiveerd in te gaan op het verweer van de gedetineerde.[19]

De RSJ heeft meerdere malen klachten en schorsingsverzoeken van gedetineerden gegrond verklaard of toegewezen omdat niet voldaan was aan bovengenoemde criteria, waaronder het ontbreken van een belangenafweging of het niet horen van de gedetineerde. In dit dossier onder het stuk jurisprudentie zijn deze uitspraken te vinden. Als een klacht tegen toezichtsmaatregelen gegrond wordt verklaard, kent de beroepscommissie meestal een tegemoetkoming toe van €50,-.


---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

[1] Artikel 22, eerste en tweede lid, Regeling spog

[2] DSP-groep, Rapport Voortgezet crimineel handelen tijdens detentie: je gaat het pas zien als je het door hebt, p. 7, september 2018

[3] Circulaire beleid gedetineerden met een vlucht-/ maatschappelijk risico, bijlage IV

[4] Staatscourant 12 september 2000, nr. 176, p. 11 (Memorie van Toelichting Regeling spog)

[5] Advies beleid gedetineerden met een vlucht-/maatschappelijk risico, Raad voor Strafrechtstoepassing & Jeugdbescherming, 27 april 2009, p. 15

[6] Circulaire beleid gedetineerden met een vlucht-/ maatschappelijk risico, bijlage IV, p. 3

[7] Circulaire beleid gedetineerden met een vlucht-/ maatschappelijk risico, bijlage IV, p. 3

[8] Circulaire beleid gedetineerden met een vlucht-/ maatschappelijk risico, p. 3

[9] Circulaire beleid gedetineerden met een vlucht-/ maatschappelijk risico, bijlage IV, p. 4

[10] Artikel 22, vierde lid, Regeling spog

[11] Circulaire beleid gedetineerden met een vlucht-/ maatschappelijk risico, p. 1

[12] Circulaire beleid gedetineerden met een vlucht-/ maatschappelijk risico, p. 2

[13] Circulaire beleid gedetineerden met een vlucht-/ maatschappelijk risico, p. 2

[14] Circulaire beleid gedetineerden met een vlucht-/ maatschappelijk risico, p. 2 & 3

[15] RSJ 7 juli 2020, S-20/3909/SGA

[16] RSJ 4 september 2020, R-20/5813.GA

[17] ECLI:NL:RBDHA:2017:8014

[18] Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHDHA:2020:1384 en ECLI:NL:RBDHA:2018:5403

[19] Advies beleid gedetineerden met een vlucht-/maatschappelijk risico, Raad voor Strafrechtstoepassing & Jeugdbescherming, 27 april 2009, p. 18