Sla inhoud over

GVM-lijst

Op de GVM-lijst worden gedetineerden geplaatst die een vlucht- dan wel maatschappelijk risico vormen. Aan gedetineerden die op deze lijst staan kunnen extra maatregelen worden opgelegd door de directeur van de PI waarin zij verblijven. Ten aanzien van de huidige GVM-lijst zijn drie risicoprofielen ontwikkeld. De drie risicoprofielen zijn ‘extreem’, ‘hoog’ en ‘verhoogd’.

De risicoprofielen
De selectiefunctionaris legt van elke gedetineerde een risicoprofiel vast. Op basis van dat risicoprofiel wordt een gedetineerde in een bepaalde inrichting geplaatst. Het risicoprofiel is, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de Regeling Selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, opgebouwd uit twee elementen. Deze twee elementen zijn het vluchtrisico en het maatschappelijk risico.[1]

Het bepalen van het vluchtrisico bij een gedetineerde gebeurt aan de hand van informatie over (eerdere) ontvluchtingen of pogingen daartoe, het perspectief van uitlevering, de lengte van het strafrestant (minimaal enkele jaren) en informatie of tips, die door het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (hierna: GRIP)[2] zijn geverifieerd op actualiteit, betrouwbaarheid en concreetheid.

Het maatschappelijk risico wordt bepaald door het delict. De belangrijkste aspecten zijn daarbij de ernst, aard, politieke of maatschappelijke gevoeligheid van het delict en de achtergrond van de veroordeling, de mogelijkheid van wraakacties (zowel door als naar de gedetineerde) en het ingeschatte recidiverisico bij ernstige delicten (voortgezet crimineel handelen).

Het Openbaar Ministerie (OM) speelt een belangrijke rol bij het verstrekken van informatie die relevant is voor het bepalen van het risicoprofiel van een gedetineerde, onder meer omdat de indicatoren voor het vaststellen van het maatschappelijk risico alleen bij het OM bekend zijn.[3]

Zoals vermeld zijn er drie profielen waarin de gedetineerden die op de GVM-lijst worden geplaatst, kunnen worden ingedeeld.

Profiel Extreem
Gedetineerden die in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) of de Terroristen Afdeling (TA) in Vught en Rotterdam worden geplaatst, krijgen het risicoprofiel ‘extreem’. In deze inrichtingen en afdelingen gelden regimesspecifieke toezichts- en veiligheidsmaatregelen. In incidentele gevallen kan het voorkomen dat een gedetineerde met dit profiel in een andere inrichting dient te worden geplaatst in verband met de geïndiceerde zorg.  In dat geval dient een goede communicatie en overdracht plaats te vinden tussen de verschillende inrichtingen, zodat het toezicht op de gedetineerde -zoals in de EBI of op de TA- gecontinueerd wordt.

Profiel Hoog
Gedetineerden die dit risicoprofiel hebben kunnen wel in een reguliere, goed beveiligde inrichting (met beveiligingsniveau 3) geplaatst worden, maar er dienen voor hen specifieke toezichtsmaatregelen te worden getroffen. Deze toezichtsmaatregelen zijn vastgelegd in bijlage I van de circulaire van 16 juli 2018 [4]. De toezichtsmaatregelen zijn gericht op contacten met de buitenwereld, inspecties, arbeid en andere activiteiten en transport. Een van de maatregelen die in het kader van het bezoek kan worden opgelegd, betreft het opleggen van individueel bezoek onder toezicht. Ook wordt advies over het bezoek aan het GRIP gevraagd en bezoekgesprekken worden opgenomen, afgeluisterd en (indien van toepassing) vertaald en zo nodig naar het GRIP verstuurd. Daarnaast geeft een gedetineerde van tevoren door welke nummers hij wil bellen, zodat de directeur kan controleren of er sprake is van een weigeringsgrond. Verder kan onder meer worden bepaald dat bij de gedetineerde twee keer per maand een celinspectie plaatsvindt en hij of zij na bezoek en op indicatie wordt gevisiteerd. Een gedetineerde met dit risicoprofiel kan in beginsel arbeid verrichten in de arbeidszaal, maar geen baantje als reiniger krijgen.

Profiel Verhoogd
De gedetineerden die in dit profiel vallen kunnen in elke inrichting met beveiligingsniveau 3 worden geplaatst. Er hoeven geen specifieke aanpassingen te worden gemaakt in de inrichtingen. Voor deze gedetineerden is in beginsel standaard toezicht van toepassing, zoalsvastgelegd in bijlage II van de circulaire. Dit betekent dat deze gedetineerden bijvoorbeeld wel gemeenschappelijk bezoek mogen ontvangen. Wel dient voor het bezoek advies aan het GRIP te worden gevraagd. Verder worden telefoongesprekken waar mogelijk opgenomen en beluisterd en dient de gedetineerde van tevoren door te geven welke nummers hij wil bellen, zodat de directeur kan beoordelen of er sprake is van een weigeringsgrond. De inspecties vinden in beginsel minder frequent plaats dan bij het risicoprofiel ‘hoog’. De gedetineerde kan wel werken, maar geen baantje als reiniger verkrijgen. Andere activiteiten, zoals luchten en sporten, vinden gemeenschappelijk plaats.  

De plaatsing op de GVM-lijst
De beslissing om een gedetineerde op de GVM-lijst te plaatsen wordt genomen door het Operationeel Overleg (hierna: OO). Het OO bestaat uit het Hoofd proces doorplaatsing van de Divisie Individuele Zaken (of een door hem daartoe aangewezen selectiefunctionaris), een vertegenwoordiger van het GRIP, een vertegenwoordiger van het Landelijk Parket, een vestigingsdirecteur, een vestigingsdirecteur van een inrichting met het profiel ‘hoog’ op uitnodiging, een selectiefunctionaris (secretaris) en een vertegenwoordiger van het kernteam GW/VB.[5] Het GRIP bepaalt welke gedetineerden in het eerstvolgende OO dienen te worden besproken. Deze gedetineerden staan op een zogenaamde ‘prelijst’. Ook de selectiefunctionarissen, het OM en de vestigingsdirecteur kunnen kandidaten aandragen voor bespreking in het OO.  In het maandelijkse overleg wordt op basis van informatie van het GRIP, het OM, de PI waar de gedetineerde verblijft en eventueel andere relevante informatie, het risicoprofiel vastgesteld van gedetineerden die zijn voorgesteld voor plaatsing op de GVM-lijst.[6] Ook gedetineerden die al op de GVM-lijst staan worden periodiek besproken om te besluiten of het risicoprofiel gehandhaafd dient te worden. Gedetineerden die voor of tijdens hun detentie geen risico vormen anders dan normaal worden niet besproken en niet vermeld op de GVM-lijst, tenzij aanvullende of nieuwe informatie hiertoe aanleiding geeft. De plaatsing op de GVM-lijst wordt ieder half jaar getoetst. Bij deze periodieke toetsing worden onder meer de rapportages door de inrichtingen, die maandelijks aan het GRIP moeten worden aangeleverd, betrokken. De toetsing kan eerder plaatsvinden als er dringende redenen of wijzigingen zijn of als de gedetineerde een verzoek heeft ingediend om van de lijst te worden verwijderd. Gedetineerden die in een EBI of op de TA verblijven, worden niet periodiek getoetst in het OO. Daarvoor zijn andere voorzieningen getroffen.[7]

De criteria voor plaatsing op de GVM-lijst
Het vlucht- en maatschappelijk risico van een gedetineerde wordt bepaald aan de hand van criteria die zijn vastgelegd in de circulaire. Er dient per gedetineerde een zorgvuldige afweging te worden gemaakt die is gebaseerd op objectieve en subjectieve criteria. De objectieve criteria bestaan onder meer uit het soort delict, (mogelijke) uitlevering en een eerdere, daadwerkelijke (poging tot) ontvluchting. De subjectieve criteria bestaan onder meer uit geld, macht en mogelijkheden en de mediagevoeligheid van de strafzaak. In de nieuwe circulaire is bepaald dat tevens het belang van slachtoffers dient te worden meegewogen bij het bepalen van het risicoprofiel. Dit is met name van belang voor gedetineerden bij extra risico’s aanwezig zijn in verband met maatschappelijke belangen of ongewenste contacten met slachtoffers. Zij worden gemonitord zodat signalen beter worden opgepakt en toezichtsmaatregelen effectiever worden overwogen.[8]  De RSJ heeft in een advies van 2009 aangegeven de subjectieve criteria als bezwaarlijk te zien. De RSJ concludeerde dat een vorm van controleerbaarheid van de informatie van belang is om te voorkomen dat willekeur in de hand wordt gewerkt. Er dient dan ook een grondige en kritische discussie vooraf te gaan aan de plaatsing van een gedetineerde op de lijst of voortzetting van de maatregelen die daaraan ten grondslag liggen. Op deze manier kan de informatie achteraf gecontroleerd worden. Het expliciteren van de wijze waarop de subjectieve criteria zijn gewogen is belangrijk omdat zo de beslissing van het OO controleerbaar en helder wordt.[9] De ABC formule (Actueel, Betrouwbaar en Concreet) wordt in dit geval gehanteerd. Dit betekent dat de informatie over het risico van een gedetineerde aan deze drie eisen dient te voldoen.[10]

Een gedetineerde die in eerste aanleg tot een levenslange vrijheidsstraf is veroordeeld wordt niet standaard op de GVM-lijst geplaatst. Hij of zij wordt op de - aparte - lijst ‘levenslanggestraften’ geplaatst.

Maatregelen
Een directeur van een PI wordt per e-mail geïnformeerd over de plaatsing van een gedetineerde op de GVM-lijst  of het gewijzigde risicoprofiel. De directeur van de PI is verantwoordelijk voor de aan een gedetineerde opgelegde maatregelen op basis van zijn plaatsing op de GVM-lijst. De uitvoering van de maatregelen en het toezicht erop valt eveneens onder de verantwoordelijkheid van de directeur. Ook de beoordeling van de noodzaak tot en bepaling van verdere beperkende maatregelen is een beslissing van de directeur. De directeur kan besluiten om af te wijken van de (opgelegde) maatregelen. Indien de directeur hiertoe besluit, dient hij of zij het OO  te informeren, waarna overleg plaatsvindt tussen het OO en de directeur.

De maatregelen die aan een gedetineerde kunnen worden opgelegd betreffen de categorieën: contact met de buitenwereld, (extra) inspecties (zoals celinspecties, fouillering, visitatie), arbeid en andere activiteiten en bij transport. Voor de verschillende categorieën zijn de maatregelen uitgewerkt in de circulaire. Het uitoefenen van het toezicht valt binnen het wettelijk kader van de Penitentiaire Beginselenwet (hierna: Pbw). Hierdoor valt bijvoorbeeld een aan klager opgelegde maatregel waarbij de telefonische contacten van een gedetineerde worden opgenomen, beluisterd en geregistreerd onder artikel 39 van de Pbw.

De directeur dient een gedetineerde schriftelijk op de hoogte te stellen van zijn/haar plaatsing op de GVM-lijst. Hierin staan tevens de aan gedetineerde opgelegde maatregelen. De directeur dient de oplegging van de maatregelen goed te onderbouwen. Een enkele verwijzing naar de plaatsing op de GVM-lijst is onvoldoende. De maatregelen mogen voor een maximale duur van 14 dagen aan een gedetineerde worden opgelegd. De directeur dient de gedetineerde vóór de oplegging van de maatregelen te horen.

Beklagmogelijkheid bij de Commissie van Toezicht
Een gedetineerde kan niet in beklag bij de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij een bepaalde penitentiaire inrichting over de plaatsing op de GVM-lijst. Dit is een beslissing die het OO heeft genomen.[11] Een gedetineerde kan wel in beklag bij de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht over de aan hem opgelegde maatregelen naar aanleiding van de plaatsing op de GVM-lijst. Voordat de maatregelen aan een gedetineerde worden opgelegd dient een gedetineerde door de directeur te worden gehoord. De directeur dient minimaal maandelijks te toetsen of de opgelegde maatregelen voor de gedetineerde nog wel van toepassing zijn. Uit de jurisprudentie blijkt dat de directeur een eigen belangenafweging dient te maken. De RSJ heeft diverse klachten van gedetineerden gegrond verklaard omdat de eigen belangenafweging door de directeur niet was gemaakt of onvoldoende naar voren was gekomen. Het maken van een eigen belangenafweging betekent dat een directeur er bij de oplegging van de maatregelen zeker van dient te zijn dat de informatie op grond waarvan een gedetineerde op de GVM-lijst is geplaatst, is getoetst door de landelijk officier van justitie. Tevens dient de directeur af te wegen of de maatregelen relevant zijn in relatie tot de inhoud van de plaatsingsbeslissing. Tot slot dienen de redelijkheid en billijkheid van de maatregelen en het gedrag van de gedetineerde te worden afgewogen. Indien hieraan is voldaan kan de directeur zijn of haar beslissing gemotiveerd verantwoorden. [12] In het geval van een klacht waarbij klager niet is gehoord dan wel niet duidelijk is of de directeur een – maandelijkse – belangenafweging heeft gemaakt, kent de RSJ vaak een tegemoetkoming van €50,= toe.

 

 




[1] Dit is uitgewerkt in de toelichting bij artikel 22 van de Regeling Selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden.

[2] Voor meer informatie over het GRIP, zie de circulaire.

[3] Notitie risicoprofiel, lijst GVM, Operationeel Overleg november 2009, p. 1.

[4] Circulaire beleid gedetineerden met vlucht- en maatschappelijk risico, 16 juli 2018 (vervangt kenmerk 5645409/10).

[5] Notitie risicoprofiel, lijst GVM, Operationeel Overleg november 2009, p.3.

[6] Circulaire beleid gedetineerden met vlucht- en maatschappelijk risico, 16 juli 2018 (vervangt kenmerk 5645409/10).

[7] Notitie risicoprofiel, lijst GVM, Operationeel Overleg november 2009, p.3.

[8] Kamerstukken II, 24587, nr. 722.

[9] RSJ advies 27 april 2009, p. 15.

[10] Notitie risicoprofiel, lijst GVM, Operationeel Overleg november 2009, p.1.

[11] Gedetineerden die het niet eens zijn met hun plaatsing op de GVM-lijst kunnen hiertegen beroep instellen bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft bijvoorbeeld geoordeeld over de plaatsing van een gedetineerde op de GVM-lijst. De gedetineerde daagde de Staat voor de rechter omdat hij van de lijst gehaald wilde worden. De vordering is afgewezen. Klik hier voor de gehele uitspraak. Zaaknummer 433010 / KG ZA 12-1398, uitspraak 4 februari 2013.

[12] RSJ advies 27 april 2009, p. 18.