Sla inhoud over

Disciplinaire straffen terbeschikkinggestelden


De directeur of het hoofd van de inrichting (hierna: de directie) kan op grond van artikel 48 en 49 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) wegens het begaan van feiten, die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming, disciplinaire straffen opleggen. In TBS- klinieken wordt minder gebruik gemaakt van het opleggen van disciplinaire straffen dan in het gevangeniswezen. Men gaat in TBS- klinieken eerder over tot het opleggen van een ordemaatregel, omdat dit vaak beter past bij de behandeling die de verpleegde ondergaat.

Disciplinair strafbare feiten
Voor oplegging van een disciplinaire straf is het nodig dat de verpleegde (hierna: ingeslotene) een strafbaar feit in penitentiairrechtelijke zin heeft begaan. Het enkele vermoeden dat de ingeslotene een strafbaar feit zou gaan plegen is niet voldoende voor oplegging van een disciplinaire straf (RSJ 20 november 2015, 15/2751/GA en 13 februari 2015, 15/0419/SGA). Ook is opleggen van een disciplinaire straf onredelijk en onbillijk wanneer niet is gebleken dat de ingeslotene kennis had van, heeft meegewerkt of deelgenomen aan strafbare feiten, anders gezegd: als hem geen verwijt te maken valt (RSJ 12 april 2013, 13/0193/GA).

Bij het begaan van een ‘gewoon’ strafbaar feit (een misdrijf of overtreding) kan de directie aangifte doen bij de politie en wordt dat volgens de strafrechtelijke weg afgedaan. Soms is een bepaalde gedraging zowel een ‘gewoon’ strafbaar feit als een penitentiairrechtelijk vergrijp, zoals bijvoorbeeld bij een vechtpartij. In ernstige gevallen zal dan aangifte worden gedaan bij de politie, maar in minder ernstige gevallen kan het bij een disciplinaire bestraffing van de dader blijven. Zo zal bijvoorbeeld bij een kleine hoeveelheid aangetroffen (soft)drugs niet meteen aangifte van de overtreding van de Opiumwet plaatsvinden en wordt volstaan met een disciplinaire bestraffing. Het aangiftebeleid kan per inrichting of afdeling verschillen.[1] Ten aanzien van drugsgerelateerde feiten is in het Drugsontmoedigingsbeleiden verslavingszorg gevangeniswezen van 10 december 2014 een aangiftebeleid opgenomen.

Wat is een strafbaar feit in penitentiairrechtelijke zin?
De wet bevat geen opsomming van afzonderlijke strafbare feiten in penitentiairrechtelijke zin. Volgens artikel 48, eerste lid van de Bvt moet het gaan om ‘feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming’. Per geval zal moeten worden uitgemaakt welk gedrag disciplinair kan worden bestraft en welk gedrag niet.

Gebeurtenissen die buiten de inrichting hebben plaatsgevonden, bijvoorbeeld het vertonen van lastig gedrag tijdens transport naar de rechtbank en het aldaar slopen van de inventaris van een cel of het plaatsvinden van incidenten tijdens verlof, zijn tevens vatbaar voor disciplinaire bestraffing, mits het verblijf buiten de inrichting nog viel onder tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming (RSJ 3 februari 2014, 13/3260/GA). Zo kan men na terugkeer van een ontvluchting disciplinair worden bestraft, terwijl ontvluchting zelf geen strafbaar feit is in de zin van het Wetboek van Strafrecht.[2]

Verwijtbaarheid
Niet alleen degene die het penitentiairrechtelijk strafbare feit heeft begaan kan disciplinair worden bestraft. Ook medeplegen, uitlokking, doen plegen en medeplichtigheid, als bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht, kan disciplinair bestraft worden.

Collectieve bestraffing is daarentegen niet mogelijk. De RSJ heeft bepaald dat het artikel 49, zesde lid van de Bvt, individuele verwijtbaarheid vereist. Een ingeslotene kan niet worden gestraft voor medeverantwoordelijkheid als te zijnen aanzien geen feiten of omstandigheden zijn gebleken, waaruit zijn feitelijke betrokkenheid bij het verweten gedrag voortvloeit (RSJ 8 juni 2010, 10/0066/GA). Wel kunnen alle in één verblijfsruimte verblijvende ingeslotenen verantwoordelijk worden gehouden voor bijvoorbeeld bij een celinspectie van een meerpersoonscel aangetroffen mobiele telefoons, tenzij duidelijk is dat één of meer van hen geen enkel verwijt kan worden gemaakt (RSJ 2 oktober 2013 13/1626/GA en 12 januari 2010, 09/2671/GA).

Bewijs: het schriftelijke verslag
Het bewijs van het strafbare gedrag zal de directie vooral ontlenen aan het schriftelijke verslag (of rapport) dat over de gebeurtenis is opgemaakt door het personeel dat getuige is geweest van de feiten, als de directeur daarbij zelf niet aanwezig was. Vanwege de gevolgen die voor een ingeslotene zeer ernstig kunnen zijn (denk bijvoorbeeld aan een strafcelplaatsing en degradatie), is het van essentieel belang dat sprake is van een nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw verslag van de feitelijke gang van zaken die door de betrokken medewerker zelf zijn geconstateerd en opgeschreven (RSJ 16 oktober 2012 12/1567/GA). De RSJ heeft in een uitspraak van 4 juni 2015, met kenmerk 15/0636/GA, het volgende overwogen ten aanzien van de schriftelijke verslagen: “In het wetboek van Strafvordering is een expliciete regeling opgenomen voor het op ambtseed opmaken van verslagen door opsporingsambtenaren. Een dergelijke regeling is er niet in de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) en de beroepscommissie gaat er dan ook vanuit dat verklaringen en verslagen opgemaakt door piw-ers niet op ambtseed zijn opgemaakt.” In een uitspraak van 31 maart 2016, met kenmerk 15/3447/GA heeft de RSJ nogmaals geoordeeld dat dergelijke verslagen ‘slechts’ naar waarheid zijn opgemaakt en niet op ambtseed. 

Voor het opleggen van een disciplinaire straf dient de directie de overtuiging te hebben dat de desbetreffende ingeslotene het te bestraffen feit daadwerkelijk heeft gepleegd. Deze overtuiging dient te berusten op feiten en omstandigheden die in redelijkheid aannemelijk worden geacht. De directeur moet dan ook motiveren waarom hij een disciplinaire straf oplegt. Het penitentiaire 'strafblad' mag een rol spelen bij het bepalen van de strafmaat (RSJ 23 november 2015 15/2167/GA en 19 juli 2004 04/0868/GA). Tijdens de beoordeling van een directeursbeslissing in een klachtzaak, is de beklagcommissie en in beroep de beroepscommissie, vrij in het kiezen van bewijsmiddelen en de waardering daarvan. Voor meer informatie hierover verwijzen wij u graag naar het dossier beklagprocedure.

Oplegging voorbehouden aan de directie
Het opleggen van een disciplinaire straf is voorbehouden aan de directie of diens vervanger, op grond van artikel 7 van de Bvt. Dit is wegens het ingrijpende of verstrekkende karakter van deze beslissingen. De Minister wijst dan ook personen aan als plaatsvervanger van de directie, artikel 6, vierde lid van de Bvt. Kenmerkend voor hun functie is dat zij belast zijn met een algemene beheersbevoegdheid en op de voor een onbevooroordeelde en evenwichtige oplegging van een ordemaatregel noodzakelijke afstand staan ten opzichte van de gebeurtenissen (RSJ 1 november 2012, 12/2163/GA). Het slechts beperkt aanwijzen van personen (zoals het hoofd beveiliging of afdelingshoofden) als plaatsvervangend directeur met uitsluitend de bedoeling om het opleggen van disciplinaire straffen en ordemaatregelen mogelijk te maken, is volgens de RSJ niet de bedoeling van de wet. Personen met een dergelijke beperkte aanwijzing zijn volgens vaste jurisprudentie van de RSJ onbevoegd om tot het opleggen van disciplinaire straffen en ordemaatregelen te beslissen (RSJ 3 december 2012, 12/2018/GA). Ook het machtigen van lagere ambtenaren of medewerkers door de directie om straffen op te leggen is op grond van artikel 7 van de Bvt niet toegestaan (RSJ 19 december 2005, 05/2292/GA en 29 juli 2002, 02/1013/GA). Pleegt een ingeslotene disciplinair strafbare feiten ten tijde van zijn vertrek en overplaatsing naar een andere inrichting, dan heeft niet de directie van de ontvangende inrichting maar die van de inrichting van herkomst strafbevoegdheid.

Procedure
Rapport aanzeggen
Indien een personeelslid constateert dat een ingeslotene betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming zegt hij de betrokken ingeslotene rapport aan, waarbij hij vertelt de gebeurtenissen aan de directeur te zullen gaan rapporteren. Als aan de ingeslotene niet wordt meegedeeld dat er een schriftelijk verslag aan de directie zal worden gedaan terwijl op grond van een dergelijk verslag later wel een disciplinaire straf wordt opgelegd, heeft dat tot gevolg dat een klacht tegen die beslissing om formele redenen gegrond moet worden verklaard (RSJ 21 december 2015, 15/3257/GA). Een rapport/schriftelijk verslag kan ook worden aangezegd en opgemaakt door een medewerker, zoals bijvoorbeeld bedoeld in artikel 1 sub k van de Bvt, niet zijnde PIW-er. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een in de keuken werkzame medewerker van de catering, een medewerker van de inrichtingswinkel of een geestelijk verzorger (RSJ 28 januari 2002, 01/1940/GA, 6 januari 2003, , 02/0971/GAen 6 oktober 2012, 12/1567/GA).

Wel moet een schriftelijk verslag altijd worden opgemaakt door de medewerker die het voorval waarnam. Aanzeggen van het rapport kan daarentegen ook gebeuren door een ander personeelslid dan het personeelslid dat het incident heeft geconstateerd (RSJ 18 februari 2008, 07/3199/GA). De ingeslotene weet dan immers wat hem verweten wordt, zodat hij zich kan beraden op zijn verdediging, voordat hij door de directeur gehoord wordt over het voorval. In de beginselenwetten is geen termijn genoemd voor het aanzeggen en op de hoogte stellen van de directeur. In de jurisprudentie wordt daarom aansluiting gezocht bij de termijn van uitreiking van de schriftelijk mededeling, zijnde onverwijld. Een termijn van drie dagen is in ieder geval te lang (RSJ 15 oktober 2013, 13/3356/SGA).

Bewaardersarrest
De gedetineerde kan door de betrokken medewerker, in afwachting van de afhandeling van zijn aangezegde en opgemaakte schriftelijke verslag door de directie, door de medewerker worden afgezonderd in eigen cel of afzonderingscel op grond van bewaardersarrest voor ten hoogste 15 uur. De verpleegde kan, op grond van artikel 34, derde lid, van de Bvt, door het hoofd van de afdeling bij dringende noodzakelijkheid worden gesepareerd voor ten hoogste 15 uur. De genoemde 15 uren betreffen klokuren. Dit betekent dat de tijd direct ingaat bij het insluiten of afzonderen en ook doorloopt in de uren dat een ingeslotene is ingesloten voor bijvoorbeeld de nacht (KC 12 april 2011, 2011/038). Onder de term ‘time-out’ moet volgens de RSJ bij gedetineerden, anders dan bij jeugdigen waarbij het een aparte maatregel is, ook een zogenaamd bewaardersarrest worden verstaan indien aansluitend een disciplinaire straf is opgelegd (RSJ 1 juni 2015, 14/4189/GA).

Horen
De directie leest het verslag van de medewerker en moet, voordat hij beslist over het opleggen van een straf en/of voor het einde van de 15 uur dat de ingeslotene afgezonderd is, de betrokken ingeslotene horen (artikel 53, eerste lid, van de Bvt). Voor overschrijding van de termijn van 15 uur is het niet aanwezig zijn van de directie in de inrichting geen verschoonbare reden. De ingeslotene kan door de directie namelijk ook telefonisch worden gehoord (RSJ 23 september 2013, 13/2116/GA). Wordt de betrokken ingeslotene niet tevoren gehoord dan wordt een klacht over de bestraffing formeel gegrond verklaard (RSJ 15 januari 2015, 15/0075/GA. Indien de directie een ingeslotene in de gelegenheid stelt om te worden gehoord maar dat horen niet geschiedt door de opstelling van de ingeslotene, is voldaan aan de hoorplicht (RSJ 20 augustus 2015, 15/0963/TA). Indien de directie optreedt op grond van eigen waarneming van strafwaardig gedrag, kan deze een disciplinaire straf opleggen zonder dat van dat gedrag rapport is aangezegd en opgemaakt, artikel 48 derde lid van de Bvt. De ingeslotene dient in dat geval wel door de directie te worden gehoord voordat de disciplinaire straf wordt opgelegd. Indien de directie beslist tot het niet opleggen van een disciplinaire straf eindigt de afzondering (bewaardersarrest) van de ingeslotene direct. Indien de directie wel beslist tot het opleggen van een disciplinaire straf gaat het bewaardersarrest over in de disciplinaire straf (KC 12 april 2011, 2011/038). Er is geen rechtsregel op grond waarvan de duur van het bewaardersarrest in mindering moet worden gebracht op de vervolgens opgelegde disciplinaire straf (RSJ 23 februari 2016, 15/3912/GA). 

Uitreiken beschikking
De directie geeft de ingeslotene van zijn beslissing tot strafoplegging zo spoedig mogelijk een schriftelijke mededeling. De feitelijke uitreiking behoeft niet door de directie zelf te geschieden. In deze beschikking is de reden van de disciplinaire straf vermeld, de datum is vermeld en de beschikking is ondertekend door de directie, artikel 54, eerste lid van de Bvt. De beschikking houdt altijd de duur van de disciplinaire straf in, welke de ingeslotene ook al is verteld na het horen. Tevens wordt op de beschikking vermeld dat de ingeslotene is gehoord. 
Een beschikking is onvoldoende gemotiveerd als daarin slechts staat dat de ingeslotene door zijn gedrag de rust en orde heeft verstoord. Duidelijk aangegeven moet worden om welk soort gedrag het gaat (RSJ 4 december 2015, 15/2295/GA). Op de beschikking is tevens vermeld dat de ingeslotene beklag kan instellen tegen de beslissing, de termijn waarbinnen hij dit beklag moet instellen (zeven dagen) en de mogelijkheid om hangende de uitspraak op het klaagschrift de tenuitvoerlegging van de beslissing geheel of gedeeltelijk te schorsen, artikel 54, derde lid van de Bvt.

Tenuitvoerlegging
De straf dient na oplegging onverwijld ten uitvoer te worden gelegd. Daarvan is ook nog sprake is als de straf in verband met het ondergaan van een andere straf onmiddellijk na afloop van die straf wordt ondergaan.[3] De zorgvuldigheid vereist dat de directeur zo spoedig mogelijk nadat hem verslag is gedaan beslist over het opleggen van een disciplinaire straf en dat de afhandeling binnen 24 uur na het aanzeggen van het verslag geschiedt (RSJ 28 april 2017, 16/4280/GA). De straf mag niet ingaan op een datum die ligt vóór de dag waarop de straf is opgelegd. Straffen met terugwerkende kracht is in strijd met de wet (RSJ 10 oktober 2014, 14/2060/GA). De straf van opsluiting in een strafcel kan ook in een andere inrichting of afdeling dan waar zij is opgelegd, ten uitvoer worden gelegd. De directie kan, indien klager bijvoorbeeld meerdere medegedetineerden heeft bedreigd en geïntimideerd of om escalatie te voorkomen, (RSJ 6 mei 2013, 12/4028/GA en 31 mei 2012, 11/3148/GA) in overeenstemming met de selectiefunctionaris, ook tot overplaatsing naar een van de landelijke afzonderingsafdelingen besluiten.

In dit dossier is tevens beschikbaar een schematisch overzicht van alle termijnen.

Strafsoorten in de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden
Op grond van artikel 49, eerste lid van de Bvt kunnen de volgende disciplinaire straffen (limitatief) worden opgelegd:

a. afzondering in de persoonlijke verblijfsruimte, gedurende het gehele etmaal of bepaalde uren daarvan, voor ten hoogste twee weken; 

b. beperking van de bewegingsvrijheid tot de afdeling, waar de verpleegde verblijft, voor ten hoogste twee weken;

c. geldboete tot een door Onze Minister te bepalen maximum;

d. ontzegging van bezoek van een bepaalde persoon of van bepaalde personen voor ten hoogste twee weken, indien het feit plaatsvond in verband met bezoek van die persoon of personen;

e. uitsluiting van deelname aan een of meer gemeenschappelijke activiteiten of werkzaamheden voor ten hoogste twee weken, indien het feit plaatsvond in verband met die gemeenschappelijke activiteit of werkzaamheid.

Cameratoezicht
Een ingeslotene aan wie een disciplinaire straf van opsluiting in strafcel is opgelegd, kan onder cameratoezicht worden geplaatst, indien de lichamelijke of geestelijke toestand van de ingeslotene dit noodzakelijk maakt. De directie vraagt voorafgaand aan deze beslissing advies aan de gedragsdeskundige of de inrichtingsarts. Indien het advies niet afgewacht kan worden, kan de directie het cameratoezicht direct instellen en vraagt hij dit advies zo spoedig mogelijk na deze beslissing (7 maart 2016, 15/3925/GA). Zie hierover ook het dossier over cameratoezicht op deze site.

Rechten tijdens het verblijf in een strafcel 
Luchten
Gedurende het verblijf in een strafcel op grond van een disciplinaire straf, neemt de ingeslotene niet deel aan activiteiten. Hierop geldt als enige wettelijke uitzondering het recht op het dagelijks verblijf in de buitenlucht, artikel 53, vijfde lid van de Bjj en artikel 43 van de Bvt. Dit dagelijkse uur luchten zal veelal wel plaatsvinden in een luchtkooi, die zich in iedere inrichting op de afzonderingsafdeling bevindt. De ingeslotene lucht daar dan alleen, niet gezamenlijk met eventueel andere ingeslotenen die op de strafafdeling verblijven. In de meeste gevallen is dit voor de ingeslotene die in de afzondering verblijft ook het enige moment dat hij mag roken. Voor meer informatie hierover verwijzen wij u graag naar het dossier Luchten.

Contact buitenwereld
De directie kan tijdens het verblijf van de ingeslotene in de strafcel het contact met de buitenwereld beperken of uitsluiten. Voor contact met de raadsman en andere geprivilegieerde contacten gelden aparte bepalingen, artikel 37, zevende lid en artikel 38, vierde lid van de Bvt. Dit houdt feitelijk in dat de ingeslotene bezoek en post kan ontvangen van zijn raadsman terwijl hij in de strafcel verblijft. Hij kan bellen met zijn raadsman indien de noodzaak en gelegenheid bestaat. 

Strafduur 
De directie mag nooit langer straffen dan de maximumstrafduur van twee weken uit artikel 49 van de Bvt. Als een aanvankelijk opgelegde ordemaatregel van plaatsing in afzondering in een isoleercel na één dag wordt omgezet in een disciplinaire straf van veertien dagen opsluiting in een strafcel, is de maximale toegestane duur van verblijf in een strafcel met één dag overschreden (RSJ 18 mei 2006, 06/1257/SGA). Het verlengen van een disciplinaire straf is tevens niet toegestaan, wel kan op een nieuwe beslissing wederom een disciplinaire straf worden opgelegd. Zo kan, indien ingeslotene de opdracht om mee te werken aan zijn plaatsing in een meerpersoonscel weigert en daarin volhardt, aan ingeslotene nogmaals een disciplinaire straf worden opgelegd (RSJ 6 maart 2009, 09/0570/SGA). Er is dan immers sprake van een nieuw disciplinair te bestraffen feit.

Bij beoordeling van de strafmaat dient de beklagrechter een zekere terughoudendheid in acht te nemen. Echter reikt de toetsing, vanwege het punitieve karakter van een disciplinaire straf, wel verder dan enkel een marginale toetsing. Naast de toets of de straf, alle belangen en omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk en billijk is, zal moeten worden getoetst of aannemelijk is dat klager de verweten gedraging heeft begaan en daarvoor verantwoordelijk kan worden gesteld (RSJ 12 mei 2011, 10/3334/GA). In vergelijkbare gevallen dient een vergelijkbare straf te worden opgelegd. De beroepscommissie kan onderzoek doen naar verschillen tussen in vergelijkbare gevallen opgelegde disciplinaire straffen (RSJ 5 juni 2015, 15/1743/SGA).

De beginselwetten kennen, anders dat het Wetboek van Strafrecht, geen aftrekregeling van de tijd die een ingeslotene in afzondering heeft doorgebracht in afwachting van de afhandeling van een rapport. Wel kan de directie bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf rekening houden met de tijd die de gestrafte reeds in afzondering heeft verbleven (RSJ 26 augustus 2013, 13/1709/GA).

(On)voorwaardelijk straffen
Een onvoorwaardelijk opgelegde straf kan door de directie geheel of ten dele in een voorwaardelijke worden omgezet. De proeftijd bedraagt ten hoogste drie maanden, waarvan moet worden aangenomen dat de proeftijd ingaat op de dag volgend op die waarop de straf wordt opgelegd. Gedurende de proeftijd mag zich niet opnieuw een feit voordoen waarvoor een disciplinaire straf kan worden opgelegd. De directie kan nog andere, bijzondere voorwaarden aan het gedrag van betrokken ingeslotene stellen. Van een voorwaardelijke straf kan geen schorsing worden gevraagd.

Cumulatie
De beginselwetten kennen geen verbod tot cumulatie van straf en maatregel. De duur van de ordemaatregel hoeft in beginsel dan ook niet te worden afgetrokken van de duur van de straf (RSJ 26 maart 2009, 08/2760/GA).

Voor verschillende disciplinair strafbare vergrijpen kunnen verschillende disciplinaire straffen worden opgelegd. Desondanks kan een oplopende straf in dat geval op een bepaald moment -bijvoorbeeld bij een aaneensluitend verblijf in de strafcel van 28 dagen- als onredelijk worden beschouwd (RSJ 8 november 2013, 13/3614/SGA). Als daarentegen verschillende verwijtbare gedragingen naar tijd en plaats zoveel samenhang met elkaar vertonen dat daarin niet twee afzonderlijke strafwaardige handelingen zijn te zien, moeten die als één tuchtrechtelijk vergrijp worden beschouwd. Naar aanleiding van één feit kan overigens wel meer dan één disciplinaire straf worden opgelegd, artikel 49, derde lid van de Bvt. Maar het stapelen van disciplinaire straffen is echter niet onbeperkt mogelijk. Als voor één feit zowel opsluiting als uitsluiting van activiteiten wordt opgelegd mogen die samen niet langer dan twee weken duren (RSJ 16 februari 2008, 07/3199/GA).

Omzetting van straffen

De wet kent geen mogelijkheid van omzetting van een disciplinaire straf in een ordemaatregel (RSJ 5 augustus 2005, 05/1023/GA). De eenmaal opgelegde disciplinaire straf mag daarnaast niet achteraf worden gewijzigd ten nadele van de ingeslotene (RSJ 24 augustus 2011, 11/0719/GA).
_________________________________________________

[1] Bajesboek, Breda 2008: Papieren tijger, p. 243
[2] Nederlands detentierecht, Deventer 2015: Wolters Kluwer, p. 190
[3] Bajesboek, Breda 2008: Papieren tijger, p. 245