Sla inhoud over

Cameratoezicht gevangeniswezen


Het dag en nacht plaatsen van een gedetineerde onder cameraobservatie vormt een zware inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gedetineerde. Een dergelijke inbreuk is alleen toegestaan op grond van een wettelijke regeling, zoals vereist in artikel 10 Grondwet (GW) en artikel 8 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De regels omtrent het cameratoezicht zijn daarom opgenomen in de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj). [1]

 
Verder bepaalt artikel 8 EVRM dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer slechts is toegestaan indien de in het tweede lid genoemde belangen daartoe nopen. Deze belangen omvatten de gronden voor het toepassen van het cameratoezicht. Het gaat daarbij met name om het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.


Ondanks dat cameratoezicht een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een gedetineerde is, lijkt toch niet snel sprake te zijn van een onmenselijke of vernederende behandeling zoals verboden in artikel 3 EVRM. In de jurisprudentie wordt daarvoor als uitgangspunt gehanteerd dat de manier waarop iemand wordt behandeld een ‘minimum level of severity’ moet bereiken wil de behandeling in strijd komen met artikel 3 EVRM. Slechts indien de cameraobservatie aantoonbaar ernstige schade aanricht voor de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de gedetineerde kan van onmenselijke en/of vernederende behandeling gesproken worden. [2]


Wettelijke grondslag voor permanent cameratoezicht
In beginsel was permanent cameratoezicht van gedetineerden alleen mogelijk in een straf- en isolatiecel vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van een gedetineerde. Later is dit aangevuld met de mogelijkheid dat ook een gedetineerde, die in een individueel regime of in een EBI is geplaatst, permanent door middel van een camera kan worden geobserveerd. De gronden waaronder dit mogelijk is zullen later in dit stuk aan de orde komen. 

Inmiddels is de mogelijkheid van permanent cameratoezicht wettelijk verankerd in de artikelen 24a Pbw voor de afzonderingscel, 51a Pbw voor de strafcel en 34a Pbw voor het individuele regime en de EBI. 

Het uitgangspunt is wel dat permanent cameratoezicht in de dagelijkse verblijfruimte van gedetineerden slechts in uitzonderingsgevallen zal worden toegepast.


Cameratoezicht tijdens afzondering of verblijf in een strafcel
Artikel 24a en 51a Pbw bepalen dat de directeur bevoegd is een gedetineerde die in afzondering of een strafcel verblijft dag en nacht door middel van een camera te laten observeren.

Indien er een ordemaatregel is opgelegd kan het cameratoezicht worden opgelegd op grond van artikel 24a Pbw en indien aan een gedetineerde een disciplinaire straf is opgelegd wordt cameratoezicht gebaseerd op artikel 51a Pbw.


In twee zaken oordeelde de Raad voor de strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (hierna: RSJ) dat het cameratoezicht zijn grondslag had moeten vinden in artikel 51a Pbw nu aan klager een disciplinaire maatregel had moeten worden opgelegd in plaats van een ordemaatregel, (RSJ 14 maart 2012,
11/4462/GA en 11/4461/GA). Het cameratoezicht op grond van art. 24a Pbw werd daardoor door de RSJ veroordeeld en in de tweede zaak werd daarom een tegemoetkoming door de RSJ toegekend. 

 
Voor meer informatie over de voorwaarden voor het plaatsen van een gedetineerde in een afzonderings- of strafcel gaat u naar de dossiers 
disciplinaire straffen en ordemaatregelen.

Voorwaarden voor de toepassing van cameratoezicht
1. Noodzakelijk ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de gedetineerde
De eerste voorwaarde van het cameratoezicht van zowel artikel 24a Pbw als artikel 51a Pbw is dat dit “ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de gedetineerde noodzakelijk is”. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin een gedetineerde suïcidaal is, zichzelf tracht te verwonden of als er (mogelijk) sprake is van het slikken van contrabande (RSJ 10 april 2012,
11/2866/GA). 

2. Advies van een gedragsdeskundige dan wel een inrichtingsarts
De tweede voorwaarde van het cameratoezicht is verankerd in lid 2 van art. 24a en 51a Pbw. Hierin staat dat als de directeur beslist tot cameratoezicht, hij ‘alvorens hij hiertoe beslist eerst advies inwint van een gedragskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht’. Indien het advies niet kan worden afgewacht, zal de directeur zo snel mogelijk advies inwinnen na zijn beslissing. Schending van dit voorschrift leidt tot gegrondverklaring van een beklag daartegen (RSJ 4 januari 2016,
15/2911/GA).  In een specifiek geval oordeelde de RSJ op 28 maart 2013 (13/0229/GA
) dat op basis van voorinformatie besloten kon worden tot cameratoezicht. Bij afwezigheid van een gedragskundige kon zonder diens oordeel daarom toch worden besloten tot cameratoezicht.

3. Hoorplicht
De directeur moet de gedetineerde op grond van artikel 57 lid 1 sub j in de gelegenheid stellen om over het cameratoezicht te worden gehoord.

 
4. Voorwaarden voor plaatsing in een afzonderings-of strafcel
Naast de voorwaarden voor de toepassing van cameratoezicht gelden ook gronden die een verblijf in afzonderings- of strafcel kunnen rechtvaardigen. [3] Zowel aan de eisen van een ordemaatregel respectievelijk disciplinaire straf, als aan de eisen van cameratoezicht moet dus worden voldaan. Zo oordeelde de RSJ op een schorsingsverzoek dat, omdat er geen ordemaatregel van afzondering was opgelegd, ook geen cameraobservatie op grond van artikel 24a Pbw kon worden opgelegd (RSJ 1 december 2011,
11/4205/SGA).

In de uitspraak van 17 augustus 2017 met kenmerk
17/0205/GA 
ging het om een zaak waarbij een camera, die bestemd is voor omtrekbeveiliging, is gebruikt om gericht en gedurende geruime tijd klagers cel te observeren om een mobiele telefoon op te sporen. De RSJ benadrukte in deze uitspraak dat aan bovenstaande voorwaarden moet zijn voldaan en zij herhaalde de vereisten waaraan een gerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM moet voldoen.
De RSJ benadrukte dat het plaatsen van een gedetineerde onder camera-observatie een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gedetineerde vormt, die wordt beschermd door artikel 8 van het EVRM, dat onder meer voorziet in het recht op respect voor privé- en familieleven. Op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM is een dergelijke inbreuk uitsluitend toegestaan als deze bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is. Daarnaast geldt dat een inbreuk in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen moet zijn. 

Door een camera die bestemd is voor omtrekbeveiliging – anders dan in het kader van die beveiliging – te gebruiken om gericht en gedurende geruime tijd klagers cel te observeren, is inbreuk gemaakt op klagers recht op privacy als hierboven bedoeld. De vraag is of deze inbreuk gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. 

De beroepscommissie beziet daartoe eerst of nationale wetgeving een grondslag biedt voor de gemaakte inbreuk. In de Penitentiaire Beginselenwet is observatie door middel van een camera in bepaalde situaties toegestaan als dit ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de gedetineerde noodzakelijk is (artikelen 24a en 51a van de Pbw). Er is echter geen wettelijke regeling die een grondslag biedt voor de mogelijkheid om met gebruik van de buitencamera de binnenzijde van een cel te observeren.  
De beroepscommissie is tevens van oordeel dat de inbreuk op de privacy van klager door de onderhavige inzet van de buitencamera niet noodzakelijk was, nu met behulp van een minder ingrijpend middel, de Mobifinder, eveneens kon worden getracht uit te vinden of klager een telefoon op zijn cel had. [4] Ook een cel-inspectie zoals bedoeld in artikel 34 van de Pbw had daartoe kunnen worden ingezet. 

Nu door de onderhavige cameraobservatie een inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van klager en deze inbreuk niet is toegestaan omdat deze niet is voorzien bij wet en niet noodzakelijk is, is klagers persoonlijke levenssfeer als beschermd door artikel 8 van het EVRM geschonden. Het beroep van de directeur is daarom ongegrond verklaard. 


Cameraobservatie tijdens plaatsing in een individueel regime of verblijf in een extra beveiligde inrichting
Op grond van artikel 34a Pbw kan de directeur bepalen dat gedetineerden die aan een individueel programma zijn onderworpen of die in een extra beveiligde inrichting zijn geplaatst dag en nacht door middel van een camera worden geobserveerd. Deze bepaling is in 2005 opgenomen in de Pbw naar aanleiding van de permanente cameraobservatie van de verdachte van de moord op politicus Pim Fortuyn. De reden voor de permanente cameraobservatie was het voorkomen dat de verdachte zich door zelfmoord zou onttrekken aan zijn berechting. [5] De toenmalige regeling werd daarom uitgebreid met de mogelijkheid om observatie toe te passen indien bij ontvluchting of schade aan de gezondheid van de gedetineerde grote maatschappelijke onrust zou ontstaan. 

 
Tegen het cameratoezicht dat op deze grond is opgelegd is een beroep op grond van een vermeende schending van artikel 3 en 8 EVRM ingesteld bij het Europese Hof voor de rechten van de Mens (hierna: EHRM). Het EHRM oordeelde dat de maatschappelijke onrust zwaarder diende te wegen dan het persoonlijke belang van Volkert van der G. [6] Deze uitspaak heeft uiteindelijk in 2005 geleid tot een wijzing van de Pbw. 

Op grond van artikel 34a Pbw kan dus ook cameraobservatie worden opgelegd aan gedetineerden die niet zijn afgezonderd of in een strafcel verblijven. Als een gedetineerde in een individueel regime verblijft, moet een beslissing tot cameratoezicht worden gegrond op artikel 34a Pbw (RSJ 23 januari 2012,
11/2757/GA). Artikel 34a Pbw kent andere voorwaarden voor het opleggen van permanent cameratoezicht dan het geval is bij artikel 24a en 51a Pbw, namelijk:

1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

2. indien dit noodzakelijk is voor een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming;

3.  Indien dit ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de gedetineerde noodzakelijk is;

4.  indien bij ontvluchting of schade aan de gezondheid van de gedetineerde grote maatschappelijke onrust zou kunnen ontstaan of ernstige schade zou kunnen worden.
Hierbij kan gedacht worden aan een gedetineerde die veroordeeld is voor ernstige geweld- of zedenmisdrijven, een misdrijf tegen de veiligheid van de staat, de Koninklijke waardigheid of hoofden van bevriende staten of een misdrijf betreffende de uitoefening van staatsplichten en staatsrechten of terroristische misdrijven. [7]

5. Advies van een gedragsdeskundige dan wel inrichtingsarts
Bij de oplegging van permanent cameratoezicht dient een belangenafweging gemaakt te worden met het oog op de rechtspositie van de gedetineerde. In het bijzonder moet de belangenafweging zich richten op het recht op privacy dat door de detentie toch al aan beperkingen onderhevig is. 

Indien permanente cameraobservatie wordt bevolen ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke gezondheid van de gedetineerde geldt daarom de aanvullende voorwaarde dat dit eerst moet worden voorgelegd aan een gedragsdeskundige of aan de inrichtingsarts. Dit is anders indien er sprake is van een spoedgeval. Artikel 10c van de Regeling eisen verblijfsruimte penitentiaire inrichtingen (hierna: de Regeling) bepaalt dat de inrichtingsarts of een aan de inrichting verbonden gedragsdeskundige zich ten minste eenmaal per week op de hoogte stelt van de toestand van de gedetineerde die door middel van een camera dag en nacht wordt geobserveerd.

6. Hoorplicht
De directeur moet de gedetineerde op grond van artikel 57 lid 1 sub h in de gelegenheid stellen om over het cameratoezicht te worden gehoord. Wanneer niet aan dit vormvoorschrift wordt voldaan kan aan een klager een tegemoetkoming worden toegekend In haar uitspraak van 23 januari 2017 met kenmerk
16/3187/GA kende de RSJ aan klaagster een tegemoetkoming van € 25 toe, omdat klaagster niet is gehoord alvorens is beslist tot cameratoezicht. 

Maximale duur van cameraobservatie
Waar de cameraobservatie in het geval van verblijf in afzondering of een strafcel verband houdt met de duur van het verblijf in afzondering of strafcel, is ten aanzien van cameraobservatie op grond van artikel 34a Pbw bepaald dat het cameratoezicht maximaal twee weken mag duren, maar na overleg kan de duur telkens voor maximaal twee weken worden verlengd. Door de RSJ is daarbij wel bepaald dat naarmate de maatregel (en daarmee de inbreuk op de privacy) langer gaat duren, bij de benodigde belangenafweging de belangen van de gedetineerde zwaarder gaan wegen. Daarnaast kan de maatregel niet zonder meer worden verlengd op basis van informatie die leidde tot het opleggen van het cameratoezicht. De noodzaak tot voortzetting van de maatregel zal dan ook met argumenten en relevante feiten en omstandigheden dienen te worden onderbouwd en aannemelijk gemaakt (RSJ 26 januari 2012,
11/2153/GA
).


Verlenging cameraobservatie
Het is voorstelbaar dat de cameraobservatie zorgt voor psychische druk. Een verlenging dient daarom te worden overlegd met de inrichtingsarts en/ of een gedragsdeskundige. Het advies van de deskundige zal echter niet altijd de doorslag geven voor de beslissing van de directeur. Dit is met name het geval als er sprake is van het gevaar van maatschappelijke onrust bij ontvluchting of schade aan de gezondheid van de gedetineerde of de mogelijkheid van ernstige schade aan de betrekkingen van Nederland met andere staten of internationale organisaties door de ontvluchting of schade aan de gezondheid van de gedetineerde. Het advies van de arts of gedragsdeskundige kan wel een rol spelen maar zal niet in alle gevallen doorslaggevend zijn. De informatie van de arts dan wel gedragskundige kan in dat geval wel een rol spelen in de wijze waarop de observatie nader wordt ingevuld. [8] De directeur zal echter altijd een zelfstandige afweging dienen te maken, ook als vanuit “Den- Haag” er kennelijk op gewezen wordt dat de cameraobservatie moet worden gehandhaafd (RSJ 26 januari 2012,
11/2153/GA).

In de uitspraak van 7 maart 2017 met kenmerk
16/3707/GA oordeelde de RSJ dat iedere twee weken een zorgvuldig afgewogen beslissing diende worden genomen over de voortzetting van klagers cameratoezicht. Niet kan worden volstaan met het telkens herhalen van de nagenoeg zelfde (standaard)motivering. Specifiek moet worden ingegaan op actuele feiten en gebeurtenissen in de voorgaande twee weken, die tot verlenging van het cameratoezicht nopen. Naarmate het cameratoezicht langer voortduurt moet tot een zorgvuldiger belangenafweging worden gekomen. De beroepscommissie oordeelde dat het beroep van klager gedeeltelijk gegrond was en kende een tegemoetkoming van €160 toe. 

Individuele belangenafweging
Cameraobservatie betekent een verregaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gedetineerde en vraagt om een zorgvuldige belangenafweging. Zo oordeelde de RSJ dat het standaard toepassen van cameraobservatie als het personeel zich niet op de afdeling bevindt, niet strookt met de wettelijke vereisten die aan het cameratoezicht worden gesteld (RSJ 24 januari 2012,
11/2217/GA). Soms kan gedacht worden aan minder ingrijpende middelen. In bepaalde gevallen kan bijvoorbeeld worden volstaan met het toepassen van een nachtstaatprocedure. Dit houdt in dat er regelmatig visuele controle plaatsvindt door het luikje van de cel tijdens de nacht waarbij kort het licht wordt ingeschakeld. Dit brengt ook een inbreuk op persoonlijke levenssfeer mee, maar in vergelijking met dag en nacht cameraobservatie een relatief geringe inbreuk (RSJ 16 december 2011, 11/4335/SGA
).


Commissie van Toezicht
Op grond van artikel 24 lid 6 en 55 lid 2 Pbw moet een verblijf in een afzonderingscel of strafcel aan de Commissie van Toezicht worden gemeld als dit verblijf langer dan 24 uren duurt. Op grond van artikel 34 a lid 4 Pbw moet hetzelfde gebeuren in geval van observatie op grond van een individueel regime. In de praktijk wordt een dergelijke melding door het secretariaat vaak doorgespeeld aan de maandcommissaris. Deze kan dan tijdens zijn bezoek aan de inrichting aandacht besteden aan deze ingeslotene. [9] Bij aanvang van een bezoek kan de maandcommissaris ook uit zichzelf informeren naar ingeslotenen die al dan niet worden geobserveerd middels camera.


Beklag en schorsing
Op grond van artikel 60 Pbw kan een gedetineerde bij de beklagcommissie een klacht indienen over het opgelegde cameratoezicht. Artikel 66 Pbw schept de mogelijkheid voor een klager om, hangende de uitspraak van de beklagcommissie, schorsing te verzoeken van de het cameratoezicht. Het gaat dan om een voorlopige beoordeling.

In de uitspraak van 23 december 2016 met kenmerk
16/4189/SGA, oordeelde de RSJ dat de beslissing van de directeur niet voldeed aan de wettelijke vormvoorschriften als bepaald in art. 24a Pbw, immers niet is gebleken dat de directeur voorafgaand aan de oplegging van cameratoezicht dan wel zo spoedig mogelijk daarna advies heeft gevraagd aan de gedragsdeskundige. De oplegging van het cameratoezicht werd daarom geschorst tot het
moment dat de beklagcommissie op de klacht beslist.

 

 

 
[1] Memorie van toelichting 2003-2004, 29 413 nr. 3.[2] C. Cleiren en M. Verpalen, Tekst en commentaar 2014, p. 2210 en ook Sancties 2002 afl. 6, uitspraak 55 met noot van P.A.M. Mevis.
[3] C. Cleiren en M. Verpalen, ‘Tekst en commentaar’, 2014, p. 1811 en 1844 (commentaar bij art. 24a en 51a).
[4] Een Mobifinder is een apparaat dat het signaal van een mobiele telefoon opvangt en zo een mobiele telefoon in de cel kan detecteren. 
[5] G. de Jonge en H. Cremers, ‘Bajesboek, handboek voor gedetineerden’, 2008, p. 229.
[6] EHRM 1 juni 2004, EHRC 2004/9, 81.
[7] Memorie van toelichting 2003-2004, 29 413 nr. 3.
[8] Memorie van toelichting 2003-2004, 29 413 nr. 3.
[9] ISt rapport Plaatsing in Isolatie, mei 2012 p. 36.