Sla inhoud over

Jurisprudentie

Jurisprudentie beklagcommissie

23 maart 2016, KC 2016/029
Door de beklagcommissie dient te worden beoordeeld of in het geval van klager sprake is van ongeoorloofd verzuim van klager en dat hij daarom voor een bepaalde periode geen aanspraak heeft kunnen maken op uitbetaling van ziektegeld. Naar het oordeel van de beklagcommissie is in dit geval niet aannemelijk geworden dat klager aanspraak heeft kunnen maken op uitbetaling van een vergoeding voor dagbesteding voor 16 uur per week. Immers gelet op de behandelplanbespreking op 29 september 2015 en het vastgestelde behandelplan is klagers aantal uren dagbesteding bijgesteld op minimaal 10 uur, volgens afspraak. Naar het oordeel van de beklagcommissie heeft de kliniek niet in redelijkheid kunnen beslissen klager voor de periode van 29 september 2015 tot 5 oktober 2015 wegens ongeoorloofd verzuim geen ziektegeld uit te betalen. De kliniek heeft niet inzichtelijk gemaakt waarop is gebaseerd dat sprake is van ongeoorloofde verzuim bij klager, nu niet is geconcretiseerd welke vervangende dagbesteding klager is aangeboden en vervolgens door hem is geweigerd. De beklagcommissie acht dit een onredelijke gang van zaken. De beklagcommissie verklaart het beklag (voor zover dat betrekking heeft op de periode van 29 september 2015 tot 5 oktober 2015) gegrond, verklaart het beklag voor het overige ongegrond, klager komt een tegemoetkoming toe van € 13,12 zodra deze uitspraak onherroepelijk wordt. Het ingestelde beroep door klager is door de beroepscommissie ongegrond verklaard.

26 november 2018, KC 2018/030

Klaagster klaagt erover dat zij een disciplinaire straf, inhoudende dat zij twee weken niet mag deelnemen aan de arbeid, opgelegd heeft gekregen. Deze straf heeft zij opgelegd gekregen, omdat zij weigerde deel te nemen aan de verplichte activiteit arbeid. Klaagster stelt zich op het standpunt dat zij zich op de betreffende dag ziek heeft gemeld, omdat ze ’s nachts veel moest overgeven en veel pijn had. Dit zijn dezelfde klachten als die ze had voordat zij twaalf keer geopereerd is aan kanker. Volgens de directie heeft klaagster deze straf opgelegd gekregen, omdat de verpleegkundige heeft geoordeeld dat klaagster niet ziek was en kon gaan werken. Volgens klaagster heeft de verpleegkundige deze conclusie zonder enig onderzoek getrokken. De beklagcommissie overweegt dat de rapportage van de verpleegkundige alleen de bevindingen van de verpleegkundige en geen beslissing van de arts inhoudt. De beklagcommissie acht dat niet voldoende om de beslissing om een disciplinaire straf op te leggen van 14 dagen uitsluiting van arbeid te dragen en acht de klacht gegrond.

1 juni 2018, KC 2018/012

Klager beklaagt zich over het opleggen van een disciplinaire straf van 3 dagen opsluiting in eigen cel of verblijfsruimte zonder tv, vanwege een rapport van werkweigering. Klager ontkent dat hij heeft geweigerd om naar de arbeid te gaan. Klager verkeerde in de veronderstelling dat hij op de vrijdag voor zijn ontslag niet meer hoefde te werken, omdat hem door een personeelslid is meegedeeld dat hij de laatste dag voor zijn ontslag op maandag niet hoefde te werken. Klager heeft, toen duidelijk werd dat hij wel op de werkzaal verwacht werd, alsnog aangeboden om naar de arbeid te gaan. Dit werd hem niet toegestaan en hij heeft een rapport gekregen voor werkweigering en werd ingesloten. Door de directie is aangevoerd dat klager het rapport heeft gekregen vanwege een opeenstapeling van gedragingen. Door de directie is niet nagevraagd bij het desbetreffende personeelslid of hij deze afspraak met klager heeft gemaakt. Naar het oordeel van de beklagcommissie had de directie ter zitting moeten aantonen dat een dergelijke afspraak niet is gemaakt met klager. Bovendien heeft klager aangeboden om alsnog naar de arbeid te gaan toen duidelijk werd dat hij op de arbeidszaal verwacht werd. Dit werd hem echter niet toegestaan en door deze handelswijze is klager boos geworden. De klacht is derhalve gegrond.

Jurisprudentie beroepscommissie


RSJ 21 augustus 2014, 14/1296/GA
Op grond van art. 47 lid 3 Pbw zijn gedetineerden verplicht de aan hen opgedragen arbeid te verrichten. De beroepscommissie constateert dat penitentiaire arbeid is gericht op de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in de maatschappij. In geval van een levenslange gevangenisstraf is er van terugkeer in de samenleving geen sprake, tenzij in een uitzonderlijk geval gratie wordt verleend. Hoewel penitentiaire arbeid meerdere doelen dient, de verplichting tot arbeid is gericht op de terugkeer op de maatschappij. Gegeven de duur van de levenslange straf en de beperkte perspectieven op in vrijheidstelling pas het niet onverkort vast te houden aan de arbeidsverplichting. De directeur die geconfronteerd wordt met een levenslang gestrafte die weigert arbeid te verrichten, dient zijn detentieomstandigheden uitdrukkelijk te betrekken in zijn beslissing om hiertegen sanctionerend op te treden.

RSJ 1 augustus 2014, 14/0944/GA

Gedetineerden die tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld, zijn verplicht de aan hen opgedragen arbeid te verrichten. In art. 1 Pbw is bepaald dat onder vrijheidsstraf ook (vervangende) hechtenis wordt verstaan. Vervangend gehechten zijn gehouden de aan hen opgedragen arbeid te verrichten. Van strijd met art. 4 lid 2 EVRM is geen sprake.

RSJ 6 december 2011, 11/2453/GA
In beginsel geldt in het regime van algehele gemeenschap het uitgangspunt dat gedetineerden zich tijdens de momenten van het dagprogramma dat er geen activiteiten zijn tezamen in woon- en werkruimten bevinden. Indien de arbeid uitvalt, dient de directeur er zorg voor te dragen dat gedetineerden in de gelegenheid worden gesteld om zich vrijelijk in de woon-werkruimten te bevinden.


RSJ 12 mei 2010,10/0472/GA
Directeur heeft een inspanningsverplichting om arbeid aan te bieden. Incidenteel uitvallen van arbeid levert geen schending van verplichting op. Het ligt dan op de weg om redelijk alternatief aan te bieden. Door ziekte van werkmeester onvoldoende arbeid beschikbaar. Klager is druk persoon, reden dat hij niet voor wel beschikbare arbeid werd geselecteerd. Aan klager is extra persoonlijke verzorging geboden. Klagers loon is doorbetaald. Beslissing directeur dan ook niet onredelijk of onbillijk. Beroep gegrond, beklag alsnog ongegrond.

 

RSJ 17/0293/GA, 22 mei 2017

Vaststaat dat klager met een piw-ster een discussie heeft gehad, waarbij hij zijn stem heeft verheven en met zijn hand op tafel geslagen. Van een reiniger mag voorbeeldgedrag worden verwacht, uiteraard ook richting het personeel. Beslissing tot straf en ontheffing uit baantje niet onredelijk.

RSJ 17/1028/GA, 20 oktober 2017

Klager is levenslang gestrafte. Bij ziekmelding ontvangt hij 80% van het loon. Uit eerdere uitspraak in gelijkluidende zaak is overwogen dat niet kan worden opgemaakt dat een levenslang gestrafte in geen geval hoeft te werken. Kennelijk ruimte in p.i. om individuele afspraken te maken m.b.t. arbeid. Niet onredelijk of onbillijk om klager, wanneer hij niet aan de arbeid wenst deel te nemen, in te sluiten. Dit onderdeel van beklag alsnog ongegrond. Beroep voor het overige ongegrond.

 

RSJ 17/2519/GA, 13 december 2017

Blijkens schriftelijk verslag heeft werkmeester klager uitleg gegeven omtrent uit te voeren werkzaamheden. Na controle bleek klager nieten compleet naast plank te hebben geplaatst. Beroepscommissie acht voldoende aannemelijk dat klager bewust ondermaats heeft gepresteerd en derhalve verwijtbaar heeft gehandeld. Disciplinaire straf kon in redelijkheid worden opgelegd.

 

RSJ 17/4148/GM, 12 april 2018

Bij beoordeling of klager arbeidsgeschikt kan worden verklaard is niet van doorslaggevend belang of klager in andere inrichtingen (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is verklaard, aangezien inrichtingen verschillende mogelijkheden van passende arbeid bieden. Beroep ongegrond.

RSJ 17/3430/GA, 1 juni 2018

Klager in klacht m.b.t. bejegening door personeel niet-ontvankelijk nu bejegening niet aan directeur kan worden toegerekend. Klacht gegrond m.b.t. ontslag op de arbeid op 1 juni 2017 als 'hele-dagen-werken' nu het ontslag niet deugdelijk is gemotiveerd. Beslissing om klager niet meer te laten werken op werkzaal 7 is niet onredelijk of onbillijk, gelet op het gedrag van klager en het veiligheidsaspect. Dat klager niet eerder weer hele dagen kon werken is niet onredelijk of onbillijk. Dit is afhankelijk van gedrag van klager en beschikbaarheid van arbeidsplek. Beroep deels gegrond, deels ongegrond.

 

RSJ 17/3891/GA, 18 juni 2018

(a.) Personeel heeft zich onvoldoende ingespannen om de afspraken met de fysiotherapeut doorgang te laten vinden. Beroep in zoverre gegrond en tegemoetkoming van € 20,= toegekend.  (b.) Toegekende tegemoetkoming ivm openen post in lijn met de standaardbedragen die de beroepscommissie hanteert. (c.) Interne overplaatsing van klager naar een andere afdeling niet afdoende gemotiveerd, mede gelet op het feit dat klager veel (persoonlijke) problematiek ervoer na de overplaatsing. Beroep in zoverre gegrond en tegemoetkoming van € 10 toegekend. (d.) Niet duidelijk is of klager zich heeft ziekgemeld, terwijl hij naar de arbeid moest. Geen reden te twijfelen aan hetgeen klager hieromtrent heeft gezegd. Directeur heeft geen stukken overhandigd waaruit het tegendeel blijkt. Beroep in zoverre gegrond en alsnog uitbetaling van niet ontvangen loon.

 

RSJ R-573, 11 oktober 2018

Klager werd niet arbeidsongeschikt verklaard. Hij heeft een arbeidsplicht, met dien verstande dat het moet gaan om lichte werkzaamheden. Er is sprake van een impasse. Klager wordt opgehaald voor de arbeid, gaat naar de arbeid en wordt vervolgens weggestuurd door de werkmeester vanwege zijn fysieke klachten. Het behoort tot de zorgplicht van de directeur om voor passende arbeid te zorgen. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de directeur niet aan die zorgplicht voldeed. Beroep ongegrond.

 

RSJ R-977, 6 november 2018

Het incidenteel uitvallen van arbeid levert geen schending van artikel 47, tweede lid, Pbw op. Als gevolg van ziekmelding van vier medewerkers kon directeur in redelijkheid de werkzaal sluiten. Daardoor kon klager niet naar de arbeid gaan en is hij ingesloten. Nu de insluiting zich heeft beperkt tot één dag en klager wel zijn salaris heeft ontvangen, is de beroepscommissie van oordeel dat deze incidentele insluiting niet onredelijk en onbillijk is. Beroep ongegrond.

 

RSJ 13 december 2018, 18/1695/GA

Klacht a. Ten tijde van klagers verblijf in een hvb voorzag zijn dagprogramma niet in arbeid. Gelet op Regeling arbeidsloon gedetineerden kon klager geen aanspraak maken op een loonvervangende financiële tegemoetkoming. Beroep ongegrond. Klacht b. Beklagrechter heeft niet op beklag beslist. Toen klager in een hvb verbleef, was geen sprake van langdurige of permanente arbeidsongeschiktheid op grond waarvan directeur zou zijn gebonden aan de inspanningsverplichting klager uit te sluiten en vervangend programma aan te bieden. Hoewel klager tijdens zijn verblijf in ISD-regime arbeidsongeschikt is verklaard, heeft klager  niet, althans onvoldoende onderbouwd dat hij aldaar structureel tijdens de arbeidsmomenten werd ingesloten. Beklag ongegrond.

 

RSJ 25 januari 2019, 18/1205/GA

De directeur heeft voldoende invulling gegeven aan zijn inspanningsverplichting met betrekking tot het vinden van passend werk voor klager. Beroep ongegrond.