KC 2008/071

Klagers verzoek tot algemeen verlof is afgewezen. De directie stelt dat klagers verblijfstitel ‘lijfsdwang’ is aangezien klager vast zit voor het niet betalen van een ontnemingsvordering en dus geen recht heeft op algemeen verlof. Klager meent dat hij nog onder de regelgeving van vóór 2003 valt en derhalve als verblijfstitel ‘vervangende hechtenis’ heeft en dientengevolge wel recht heeft op algemeen verlof. De beklagrechter stelt vast dat klager voor 1 september 2003 verplicht is wederrechtelijk voordeel te betalen, en bij het niet betalen vervangende hechtenis moet ondergaan. Klagers verblijfstitel is dus ‘vervangende hechtenis’ en komt daarmee eventueel wel in aanmerking voor algemeen verlof. Ondanks dat dit meermalen is aangekaart bij de directie door klager, is de directie bij haar onjuiste standpunt gebleven. Beklag gegrond. De beklagrechter draagt de directie op een nieuwe beslissing te nemen met in achtneming van haar uitspraak. Compensatie € 50,00.

De alleensprekende beklagrechter heeft kennis genomen van het op 3 april 2008 bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:

(…), verder te noemen klager.

Het klaagschrift is gedateerd op 1 april 2008.

De directeur heeft schriftelijk gereageerd. Klager heeft van deze reactie kennis kunnen nemen. De klacht is behandeld ter zitting van 16 april 2008 in het bijzijn van klager en de unitdirecteur dhr. (…).

Ter zitting bleek dat nog nadere informatie verschaft diende te worden om een beslissing te kunnen nemen. Zowel de directie als de raadsman hebben hierop de benodigde aanvullende informatie aan het secretariaat doen toekomen, waarna het secretariaat de nieuwe informatie aan beide partijen heeft doen toekomen, om partijen te kunnen laten reageren. De raadsman heeft hierop gereageerd op 21 mei 2008 en de directie op 23 mei 2008, waarna de beklagrechter een beslissing zal nemen.

Het standpunt van klager en zijn raadsman
Klager heeft meermalen bij de BSD navraag gedaan of hij in aanmerking kwam voor verlof, dan wel deelname aan een penitentiair programma. Klager is ingesloten in verband met het niet betalen van een ontnemingsvordering. Eerder heeft klager ook navraag gedaan bij de BSD en de beklagrechter of hij eventueel in aanmerking zou komen voor verlof. Aan klager is toen laten weten dat nu hij ingesloten is voor een ontnemingsvordering hij op grond van de titel lijfsdwang in de inrichting verblijft en derhalve niet in aanmerking komt voor verlof. Op 27 maart heeft klager van de BSD een briefje gekregen, waarin staat dat hij geen recht heeft om verlof aan te vragen. Klager is het hier niet mee eens. Immers, zijn broer heeft ook vastgezeten voor eenzelfde ontnemingsvordering en heeft wel meermalen verlof genoten. Toch blijft de BSD bij haar stelling dat klager niet met verlof mag en ook niet mag deelnemen aan een penitentiair programma aangezien klager in het kader van lijfsdwang in de inrichting verblijft. Klager bestrijdt dat hij in het kader van lijfsdwang in de inrichting verblijft en heeft hiertoe aan de beklagrechter een uitspraak van de Hoge Raad in zijn ontnemingszaak overgelegd. Hieruit blijkt dat klager d.d. 21 juni 2001 door het Hof is veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk voordeel, en bij het niet betalen daarvan vervangende hechtenis zal moeten ondergaan. Klager valt derhalve niet onder de Wet van 8 mei 2003 waarbij de toepassing van lijfsdwang bij het niet betalen van een ontnemingsvordering is ingevoerd. Nu klager niet op grond van lijfsdwang gedetineerd is, maar op grond van vervangende hechtenis komt klager naar het oordeel van klager en zijn raadsman net als klagers broer in aanmerking voor algemeen verlof als bedoeld in artikel 14 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (RTVI).

In de reactie van 21 mei 2008 blijft de raadsman kort gezegd bij de eerdere conclusie. Hij is van mening dat het in deze kwestie als vaststaand feit gezien moet worden dat klager zich in ouderwetse vervangende hechtenis bevindt en dat van lijfsdwang dus geen sprake is. Klager komt dus wel degelijk in aanmerking voor algemeen verlof.

Het standpunt van de directie
Klager is ingesloten onder de titel lijfsdwang in het kader van een ontnemingsvordering. Gedetineerden welke vastzitten onder de titel lijfsdwang komen niet in aanmerking voor verlof dan wel deelname aan een penitentiair programma. Klagers broer was enkele jaren geleden ingesloten als subsidiair gehechte en is inderdaad geschorst geweest i.v.m. medische omstandigheden. Tevens heeft klagers broer driemaal algemeen verlof gehad. Over de detentie van klager zijn geen duidelijk negatieve zaken te melden.

In de reactie van 23 mei 2008 geeft de directie aan dat na controle van de insluitingstitel door het hoofd BVA is gebleken dat klager onder de juiste titel zit, zijnde ontneming van wederrechtelijk voordeel, lijfsdwang. Dit is gecontroleerd door het gevangeniswezen- expertteam. Dit es een team van ervaren medewerkers die complexe zaken doorlichten om te kijken of de juiste insluitingstitels gebruikt zijn. Ook dit team is van mening dat klager onder de juiste titel is ingesloten.

De beoordeling
Klager heeft zijn beklag binnen de wettelijke termijn gedaan en gegrond op art. 60 Pbw.

Klager beklaagt zich over de afwijzing van zijn verzoek tot verlof d.d. 27 maart 2008.

De beklagrechter stelt vast dat voor algemeen verlof (zie de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting vanaf artikel 14) de tot een vrijheidstraf veroordeelde gedetineerden in aanmerking komen die in een normaal beveiligde inrichting verblijven gedurende het laatste gedeelte van hun straftijd. Algemeen verlof is dus niet mogelijk als de gedetineerde in een inrichting verblijft met regimesgebonden verlof, als de gedetineerde tevens ter beschikking is gesteld, of als de gedetineerde in een extra beveiligde inrichting (EBI) of uitgebreid beveiligde inrichting verblijft óf daarvoor geselecteerd is. Een gedetineerde komt in aanmerking voor algemeen verlof wanneer hij ten minste 1/3 van de al dan niet onherroepelijk en onvoorwaardelijk opgelegde straf heeft ondergaan én zijn strafrestant nog ten minste 3 maanden en ten hoogste een jaar bedraagt. Voorts stelt de beklagrechter vast dat onder het voornoemde strafrestant van belang is dat hieronder ook wordt begrepen de vervangende hechtenis in de zin van de artikelen 24c en 24d Wetboek van Strafrecht en de ‘Mulder-gijzeling’ in de zin van artikel 28 lid 1 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Bovendien, meerdere aaneengesloten straffen worden aangemerkt als één straf.

De directie stelt dat klager gedetineerd is op grond van de titel lijfsdwang.

Echter, uit de door de raadsman overgelegde uitspraak van de Hoge Raad inzake de ontnemingszaak van klager, blijkt dat klager d.d. 22 juni 2001 door het hof de verplichting opgelegd een aan de Staat een niet noodzakelijk hier nader te noemen bedrag te betalen. Bij niet betaling van dat bedrag is aan klager vervangende hechtenis opgelegd.

Van belang bij de beoordeling van het klaagschrift is de Wet van 8 mei 2003, Stb. 2003, 202, hierna aan te duiden als de Wet aanpassing ontnemingswetgeving. Immers, met de invoering van die wet is artikel 24d van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen. Die wetswijziging brengt mee dat de rechter in zijn vonnis of arrest waarbij de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt opgelegd, geen voorziening dient op te nemen voor het geval betaling achterwege blijft en volledig verhaal niet mogelijk is gebleken. Daarvoor in de plaats is de mogelijkheid van lijfsdwang ingevoerd.

Bij Koninklijk Besluit van 11 augustus 2003, Stb. 2003, 321, is bepaald dat de Wet aanpassing ontnemingswetgeving in werking treedt met ingang van 1 september 2003.

Uit het voorgaande volgt in de eerste plaats dat de rechter in op of na 1 september 2003 gewezen vonnissen of arresten waarbij hij de bedoelde betalingsverplichting oplegt, geen voorziening dient op te nemen voor het geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt. In de tweede plaats volgt daaruit dat de toepassing van lijfsdwang achterwege dient te blijven en vervangende hechtenis wordt toegepast indien het vonnis of arrest van de rechter waarbij de bedoelde betalingsverplichting is opgelegd en de toepassing van vervangende hechtenis is bevolen, vóór 1 september 2003 onherroepelijk is geworden, maar op die datum wat betreft de vervangende hechtenis nog niet geheel ten uitvoer is gelegd. In de derde plaats volgt eruit dat vonnissen of arresten die vóór 1 september 2003 zijn gewezen en waarbij de bedoelde betalingsverplichting is opgelegd en de toepassing van vervangende hechtenis is bevolen, maar die op 1 september 2003 nog niet onherroepelijk waren geworden, wat betreft de vervangende hechtenis niet dienen te worden tenuitvoergelegd. In deze laatste reeks van gevallen heeft het openbaar ministerie de bevoegdheid de tenuitvoerlegging van lijfsdwang op de voet van art. 577c, eerste lid, Sv te vorderen, indien volledige betaling achterwege blijft en volledig verhaal niet mogelijk is gebleken.[1]

De beklagrechter stelt vast dat met name het voornoemde tweede punt van belang is. Immers uit de tot haar beschikking staande stukken blijkt dat klager vóór 1 september 2003 onherroepelijk is verplicht tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is door het Hof bepaald dat bij niet betaling van dat voordeel klager vervangende hechtenis moet ondergaan. Aldus komt de beklagrechter tot de conclusie dat de directie bij haar beoordeling van het verzoek van klager tot verlof is uitgegaan van een verkeerde grondslag van klagers verblijfstitel, namelijk lijfsdwang, terwijl dit vervangende hechtenis had moeten zijn. De beklagrechter ziet in dat de directie kennelijk van een verkeerde veronderstelling is uitgegaan, gezien de wetswijziging. Echter, nu klager reeds meermalen heeft aangekaart dat het niet juist was dat zijn verzoeken werden afgewezen, nu zijn broer welke ook in P.I. Nieuwegein gedetineerd heeft gezeten als subsidiair gehechte in dezelfde ontnemingszaak, en dit ook bekend was bij de directie, is de beklagrechter van oordeel dat op de directie een (zorg)plicht lag de grondslag van klagers verblijfstitel te onderzoeken. Nu de beklagrechter is gebleken dat dit niet is geschied althans pas in een veel later stadium en op verzoek van de beklagrechter, en de directie bij haar kennelijke onjuiste standpunt blijft dat klager op basis van lijfsdwang gedetineerd is, ondanks dat dit meermalen betwist is, zal de beklagrechter het klaagschrift gegrond verklaren. De beklagrechter draagt de directie op een nieuwe beslissing te nemen ten aanzien van klagers aanvraag tot algemeen verlof en eventuele deelname aan een penitentiair programma met inachtneming van deze uitspraak.

Compensatie
Klager komt een tegemoetkoming toe ter hoogte van € 50,00, nu de gevolgen van de handelwijze van de inrichting niet meer ongedaan te maken zijn. Aan klager zal een tegemoetkoming worden toegekend voor het door betrokkene ondervonden ongemak. De tegemoetkoming is niet bedoeld als schadevergoeding. Voor het verkrijgen hiervan staan andere wegen open. Zo kan klager ingevolge de circulaire van 13 augustus 1993, kenmerk 383893/93/DJ, een verzoek om schadevergoeding richten aan de directeur van de inrichting, terwijl hij zich ook kan wenden tot de civiele rechter.

BESLISSING
De beklagrechter verklaart de klacht gegrond en draagt de directie op een nieuwe beslissing te nemen ten aanzien van klagers aanvraag tot algemeen verlof en eventuele deelname aan een penitentiair programma met inachtneming van deze uitspraak.

De beklagrechter stelt vast dat aan klager wordt uitbetaald een bedrag van € 50,00.

Aldus gegeven door de beklagrechter …………, bijgestaan door ………….., secretaris, op      2008.