Opnieuw zoeken

Sla inhoud over

KC 2023/005

Datum uitspraak:
22/12/2022
Artikel:
50, 51 Pbw
Samenvatting:
Tijdens een spitactie is in de MPC van klager een iPhone gevonden in de jas van klager. Tijdens het horen heeft klager volgens de directie aangegeven dat hij van de iPhone heeft geweten. Klager geeft aan dat de directie zijn woorden onjuist heeft geïnterpreteerd, hij ontkent wetenschap van de iPhone. De celgenoot van klager heeft erkend dat de telefoon van hem is. De beklagrechter is alles overwegende van oordeel dat het niet aannemelijk dat klager geen enkel verwijt treft voor de iPhone. De iPhone is namelijk in zijn jas gevonden, klager heeft bij het horen verklaard weet te hebben daarvan en zijn celgenoot heeft niet uitdrukkelijk verklaard dat hij de iPhone voor klager had verstopt. Beide gedetineerden kunnen dus worden bestraft voor de aanwezigheid van contrabande in de MPC. De beslissing om aan klager een disciplinaire straf op te leggen van 7 dagen strafcel is daarom niet onredelijk of onbillijk.
Uitspraak:

UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE VAN DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ PENITENTIAIRE INRICHTING NIEUWEGEIN

  1. De procedure

De beklagrechter heeft kennisgenomen van de klacht van:

[…], verder te noemen klager.

De klacht is gericht tegen de beslissing van de directeur van 29 september 2022 waarbij aan klager een disciplinaire straf wordt opgelegd bestaande uit 7 dagen opsluiting in een strafcel.

Klager wordt in deze procedure bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.C. van Bunnik.

De directeur heeft schriftelijk gereageerd. Klager en zijn raadsvrouw hebben een kopie daarvan ontvangen. De klacht is behandeld op de beklagzitting van 8 december 2022, in PI Nieuwegein, waarbij aanwezig waren:

  • klager;
  • zijn raadsvrouw;
  • vestigingsdirecteur PI Nieuwegein, mw. mr. H. J.;
  • juridisch medewerker PI Nieuwegein, mw. M.S.

De beklagrechter van de beklagcommissie zal als alleensprekend beklagrechter de klacht afdoen.[1]

  1. De standpunten in de beklagprocedure

Het standpunt van klager

Klager is in isolatie geplaatst omdat er op zijn cel een mobiele telefoon is gevonden. Hij heeft duidelijk aangegeven dat de mobiele telefoon niet van hem is maar van zijn celgenoot. Klagers celgenoot zou hiervoor ook de verantwoordelijkheid hebben genomen. Toch heeft de directeur besloten om hem hiervoor een sanctie te geven en klager is het daar niet mee eens. Er kan maar één iemand gestraft worden. Hij heeft nooit gebruik gemaakt van de mobiele telefoon.

Ter zitting heeft klager nog aangevuld dat de groene jas zijn winterjas betrof die hij destijds, 28 september 2022, nog niet droeg omdat het redelijk warm was voor de tijd van het jaar. Ook heeft klager aangegeven dat de directeur hetgeen klager heeft verklaard bij het horen verkeerd heeft geïnterpreteerd. Klager heeft naar eigen zeggen enkel verklaard dat hij weet had van de vondst van de iPhone.

Het standpunt van de directeur

De directie geeft aan dat op 28 september 2022 gedurende een spitactie van de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid (hierna: LBB) een iPhone is gevonden in de meerpersoonscel (hierna: MPC) van klager. Dit staat nader beschreven in het schriftelijk verslag. Uit de huisregels volgt dat beide gedetineerden hiervoor verantwoordelijk kunnen worden gevonden, tenzij de vondst aantoonbaar aan een van de gedetineerden toegekend kan worden. De iPhone is aangetroffen in klager zijn jas en tijdens het horen heeft klager aangegeven van de iPhone te hebben geweten. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat de iPhone ook onder de verantwoordelijkheid van klager viel en dat van het uitzonderingsgeval (zoals benoemd in de huisregels) in casu geen sprake is. Binnen de inrichting vormt een mobiele telefoon een groot gevaar voor de orde, rust en veiligheid. Volgens de directie kon klager dan ook worden bestraft voor de vondst op zijn cel. Klager heeft ondanks zijn straf toch deel kunnen nemen aan de vader/kinddag.

  1. De beoordeling

Wat is het juridisch kader?

Op grond van artikel 51, eerste lid, in verbinding met artikel 50, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet kan de directeur een gedetineerde een disciplinaire straf opleggen indien deze betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.

De RSJ heeft in de uitspraak van 17 mei 2021 het volgende overwogen: “Als er contrabande wordt gevonden op een MPC, is het uitgangspunt dat ervan mag worden uitgegaan dat beide gedetineerden voor de contrabande verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Aan beiden kan dus ook een disciplinaire straf worden opgelegd, tenzij er aanknopingspunten zijn die erop wijzen dat de contrabande niet aan een van hen toebehoort en voldoende aannemelijk is geworden dat deze gedetineerde ook niet van de aanwezige contrabande wist of had kunnen weten.”[2]

In de uitspraak van 18 juni 2021 heeft de RSJ nog het volgende overwogen: “Indien twee gedetineerden samen een verblijfsruimte delen, kunnen in beginsel beide gedetineerden verantwoordelijk worden gehouden voor de aanwezigheid van contrabande in de MPC. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat een van de betreffende gedetineerden geen enkel verwijt treft. In verband daarmee is het van betekenis dat in een verslag van aantreffen van de voorwerpen op cel duidelijk wordt gerelateerd welke voorwerpen op welke plaats en onder welke eventuele nadere omstandigheden zijn aangetroffen, zodat bijvoorbeeld blijkt dat het voorwerp voor één of voor beide gedetineerden zichtbaar was of dat het voorwerp zich op een eenvoudig toegankelijke plaats bevond en dat de ontkenning van wetenschap van klager, gezien de omstandigheden, niet aannemelijk is.”[3]

Wat is er gebeurd?

De beklagrechter stelt vast dat op 28 september 2022 tijdens een spitactie van de LBB een iPhone is gevonden in de MPC van klager. De iPhone is aangetroffen in de (winter)jas van klager. Tijdens het horen heeft klager volgens de directie aangegeven dat hij van de iPhone heeft geweten. Klager stelt zich op het standpunt dat een van de leden van het LBB aan hem heeft gevraagd of de jas van hem was. Hierop heeft hij aangegeven dat de jas van hem was. Het LBB-lid gaf daarna aan dat in de jas een iPhone was gevonden. Klager heeft toen aangegeven dat de iPhone niet van hem was. Toen vervolgens de directeur naar hem toe kwam om hem te horen, gaf klager aan dat hij wist dat er een iPhone is gevonden. Volgens klager heeft de directeur dit ten onrechte geïnterpreteerd als dat klager weet zou hebben van de iPhone. Klager stelt zich op het standpunt dat hij geen weet had van de iPhone en hij hiervoor dus ook niet kan worden gestraft.

Heeft de directie de beslissing mogen nemen?

De beklagrechter stelt vast dat het verhaal van klager voor een deel steun vindt in het schriftelijk verslag. Uit het schriftelijk verslag volgt namelijk dat dat klager heeft toegegeven dat de jas van hem was, maar dat hij niks wist van de telefoon. Voor nader onderzoek vond de beklagrechter het daarom noodzakelijk om de disciplinaire straf en het bijbehorende schriftelijk verslag van de celgenoot van klager op te vragen. Hieruit volgt dat de celgenoot heeft aangegeven dat de iPhone van hem is. De celgenoot heeft echter niet verklaard dat klager geen weet had van de iPhone en/of dat hij deze voor klager had verstopt in de jas van klager.

De beklagrechter stelt dus het volgende vast:

  • De iPhone is aangetroffen in de (winter)jas van klager;
  • Klager heeft volgens het schriftelijk verslag verklaard geen weet te hebben van de iPhone;
  • Klagers celgenoot heeft verklaard dat de iPhone van hem is;
  • Klager heeft volgens de directeur bij het horen verklaard dat hij weet had van de iPhone.

Klager ontkent nu (opnieuw) de wetenschap van de iPhone. De beklagrechter moet de vraag beantwoorden of deze ontkenning van wetenschap, gezien de omstandigheden, aannemelijk is. De beklagrechter is van oordeel dat dat niet het geval is. Het is niet aannemelijk dat klager geen enkel verwijt treft voor de iPhone. De iPhone is namelijk in zijn jas gevonden, klager heeft bij het horen verklaard weet te hebben daarvan en zijn celgenoot heeft niet uitdrukkelijk verklaard dat hij de iPhone voor klager had verstopt. Beide gedetineerden kunnen dus worden bestraft voor de aanwezigheid van contrabande in de MPC. De beslissing om aan klager een disciplinaire straf op te leggen van 7 dagen strafcel is daarom niet onredelijk of onbillijk.

Conclusie

De beklagrechter is van oordeel dat het niet aannemelijk is dat klager geen enkel verwijt treft voor de iPhone. De beslissing om aan klager een disciplinaire straf op te leggen van 7 dagen strafcel is daarom niet onredelijk of onbillijk. De beklagrechter zal het beklag ongegrond verklaren.

  1. De uitspraak

De beklagrechter verklaart de klacht ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 22 december 2022 door dhr. mr. P.F. Emmelot, beklagrechter, bijgestaan door mw. mr. L.M. van Bemmelen, secretaris.

[1] Vgl. artikel 62 lid 2 Pbw

[2] RSJ 17 mei 2021, R-20/7647/GA

[3] RSJ 18 juni 2021, R-19/5436/GA

Er is door klager beroep ingesteld bij de RSJ onder kenmerk 23/31318/GA.