Koppelingen

Sla inhoud over

KC 2015/005

Datum uitspraak:
22/05/2014
Artikel:
35, 42, 60, 61 Pbw, 10 Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen, 6.2 van de Vervoersinstructie Dienst Vervoer en Ondersteuning
Samenvatting:
Klager beklaagt zich over de beslissing om zonder aanleiding met de broekstok aangelegd te worden vervoerd naar het ziekenhuis. Ambtenaren behorende tot de DV&O kunnen aan artikel 35 van de Pbw een bevoegdheid tot geweldsgebruik ontlenen met het oog op de uitvoering van een door hem genomen beslissing of de voorkoming van onttrekking van de gedetineerde aan het op hem uitgeoefende toezicht. Bij de aanwending van vrijheidsbeperkende middelen staat het noodzakelijkheidsvereiste voorop. Gebleken is dat de transportgeleiders bij binnenkomst in de ruimte waar klager verbleef de broekstok al bij zich hadden, terwijl voorafgaand aan transport niet door de directie is aangegeven dat het aanleggen van een broekstok bij klager noodzakelijk was. Overeenkomstig artikel 6.2 van de Vervoersinstructie DV&O behoort een broekstok niet tot de standaard bewapening van de transportgeleider, maar tot de inventaris van het transportvoertuig. De beklagrechter is van oordeel dat de broekstok niet standaard had mogen worden meegenomen de wachtruimte in. Door dit toch te doen is een voor klager onduidelijke situatie ontstaan die een verbale en emotionele reactie bij klager opriep waardoor hij niet wilde meewerken. Het beklag wordt gegrond verklaard en klager wordt een tegemoetkoming toegekend voor het geleden ongemak ter hoogte van € 10,--.
Uitspraak:

De alleensprekende beklagrechter van de commissie van toezicht bij Detentiecentrum […] te […] heeft kennis genomen van het op 17 maart 2014 bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:

[…], verder te noemen klager.

Het klaagschrift, gedateerd 27 februari 2014, is gericht tegen de beslissing dat klager met broekstok aangelegd werd vervoerd naar het ziekenhuis op 27 februari 2014.

De directeur heeft schriftelijk gereageerd op de klacht. Klager heeft hiervan kennis kunnen nemen.

De klacht is behandeld ter zitting van 24 april 2014 in het bijzijn van klager, […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur, […], afdelingshoofd, […], transportgeleider en wachtcommandant, […], transportgeleider.

Standpunt klager
Klager beklaagt zich erover dat hij - zonder goede reden-  voor transport naar het ziekenhuis boeien en broekstok aangelegd heeft gekregen. Klager is van mening dat hij geen aanleiding heeft gegeven; hij heeft geen agressief gedrag vertoont, noch heeft klager een vluchtgevaarlijk verleden. Klager voelt zich behandelt als een crimineel, terwijl hij dat niet is. Klager vind het onterecht om in de boeien afgevoerd te worden voor een simpel transport naar het ziekenhuis, onder het toeziend oog van brave burgers in het ziekenhuis. Voor klager voelt dit als een zware inbreuk op zijn integriteit. Klager hoopt dat de ernst van de situatie wordt ingezien en stelt dat men niet werkelijk acht heeft geslagen op de situatie. 

Ter zitting herkent klager bij binnenkomst de medewerkers van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (hierna te noemen DV&O) als zijnde de transportgeleiders bij het bezoek naar het ziekenhuis. Desgevraagd beperkt klager zijn klacht en verklaart dat hij enkel broekstok, maar geen koppelboeien aangelegd heeft gekregen. Klager was op de dag van het transport vrolijk als altijd. Klager heeft nog nooit problemen in het detentiecentrum veroorzaakt en zit hier ook niet vanwege strafbare feiten. Tegen klager is direct gezegd dat hij een broekstok zou krijgen. Klager reageerde hierop niet agressief tegen de transportgeleiders, hooguit verbaasd. Klager begreep niet waarom hij een broekstok kreeg. Klager vroeg: “Is dat voor mij?” Klager begreep dat transportgeleider [X] hem mondig vond. Klager gaf aan dat je al gauw mondig word gevonden als je aardig Nederlands kan spreken. Klager vond juist transportgeleider [X] mondig en agressief toen hij zei dat klager zijn mond moest houden en anders terug naar de afdeling ging, toen klager aangaf geen broekstok te willen dragen. Beide transportgeleiders vertelden klager dat het aanleggen van de broekstok een bevel van hogerhand betrof. Gedurende het transport voelde klager zich geïntimideerd door transportgeleider [Y], toen deze transportgeleider tijdens een vriendelijk praatje vertelde dat hij aan vechtsport deed. Klager en de transportgeleiders hebben verder een goed gesprek gehad, ook over het verleden van klager. Klager wil hiermee aangeven dat hij niet agressief was, wellicht emotioneel, maar er was zeker geen mot, anders hadden ze nooit zo’n goed gesprek kunnen hebben tijdens het transport. In gesprek met medegedetineerden en het afdelingshoofd kwam klager erachter dat men normaal tijdens transport naar het ziekenhuis niet wordt geboeid.

Standpunt directie
De directie heeft nadrukkelijk bij DV&O aangegeven op de transportorder en in eerdere afspraken dat zij hun ingeslotenen tijdens transport niet geboeid willen hebben. Helaas is in deze situatie door de betreffende medewerkers van DV&O tegen de afspraken in toch besloten om deze middelen te gebruiken. Dat dit is gebeurd, betreurt de directie maar dit kunnen zij helaas niet ongedaan maken. De directie gaat opnieuw met DV&O in gesprek over deze afspraken.

Ter zitting verklaart de directie dat van tevoren aan DV&O geen bijzonderheden zijn aangegeven ten aanzien van het vervoer van klager. De algemene afspraak/instructie is niet boeien, tenzij een ingeslotene op de transportrisicolijst staat of eerder ontvlucht is geweest. Er was geen reden om aan te geven dat klager tijdens transport zou moeten worden geboeid.

Standpunt Dienst Vervoer & Ondersteuning
Ter zitting hebben de transportgeleiders verklaard dat klager op het moment van ophalen niet zo rustig was als op de zitting. Klager was verbaal behoorlijk aanwezig. Bij binnenkomt hebben de transportgeleiders standaard koppelboeien en broekstok bij zich voor hun eigen veiligheid. Klager reageerde hier agressief op en zei “Wat is dat? Ga ik niet dragen.” Er viel met klager verder niet te praten. Daarop hebben de transportgeleiders gezegd dat dit al voldoende was om een broekstok aan te leggen. Ze vertrouwden het niet en waren bang voor problemen. Besloten is geen boeien aan te leggen, omdat klager zei dat hij last had van zijn pols. Klager wilde zijn advocaat bellen, nadat hij hoorde over het aanleggen van de broekstok. De transportgeleiders hebben klager meegedeeld dat door hem niet mag worden gebeld voor aanvang van het transport. Klager is apart genomen in de fouilleringskamer voor het aanleggen van de broekstok. Tijdens transport hebben de transportgeleiders met klager een praatje gemaakt. Vanwege het postuur van klager heeft transportgeleider [Y] klager gevraagd of hij aan vechtsport deed, dat bleek zo te zijn. Transportgeleider [Y] vertelde daarop zelf ook aan vechtsport te hebben gedaan. Bij terugkomst hebben de transportgeleiders klager de hand geschud en tot ziens gewenst. De transportgeleiders gaven aan dat, indien klager boeien had gehad, de boeien al gedurende het transport zouden zijn verwijderd. Het verwijderen van een broekstok kost echter teveel moeite en is vooral in publiek domein een gênante aangelegenheid. De transportgeleiders gaven aan dat het een prettig transport was en dat ze geen klachten hadden verwacht.

In het vlak voor de zitting verstrekte meldingsformulier ‘gebruik vrijheidsbeperkende middelen’ staat vermeld dat klager bij ophaal al agressief en zenuwachtig was. Klager begon al moeilijk te doen bij aankomst en had zowel verbaal als lichamelijk een agressieve houding.

Beoordeling
Ontvankelijkheid
Allereerst dient beoordeeld te worden of klager ontvangen kan worden in zijn beklag.

Klager heeft zijn beklag binnen de wettelijke termijn van artikel 61, vijfde lid van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) ingediend. Klager kan derhalve ten aanzien van de beklagtermijn in zijn beklag worden ontvangen.

Op grond van artikel 60 van de Pbw kan een ingeslotene beklag doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing.
Op grond van artikel 42, vierde lid, onder c, van de Pbw draagt de directeur zorg voor de overbrenging van de gedetineerde naar het ziekenhuis, indien de behandeling van de gedetineerde door een arts aldaar plaatsvindt.  De beklagrechter stelt vast dat uit bestendige jurisprudentie van de RSJ [1] valt af te lezen dat de directeur ook verantwoordelijk is voor de wijze van uitvoering van het vervoer, al wordt het vervoer – in opdracht van de directeur – uitgevoerd door DV&O. Het handelen van een medewerker van DV&O kan onder omstandigheden dan ook worden aangemerkt als een door of namens de directeur genomen beslissing.[2] Derhalve is het aanleggen van een broekstok tijdens transport door DV&O beklagwaardig.

De beklagrechter verklaart klager dan ook ontvankelijk in zijn beklag en zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het beklag.

Inhoudelijk
Op grond van artikel 35 van de Pbw, kan de directeur ter voorkoming van het zich onttrekken door de ingeslotene aan het op hem uitgeoefende toezicht, jegens een ingeslotene vrijheidsbeperkende middelen aanwenden voor zover dit noodzakelijk is.

Blijkens jurisprudentie van de RSJ dient de directeur bij deze beslissing een belangenafweging te maken. Zo dient de directeur per ingeslotene en per transport te bepalen welke beperkende maatregelen noodzakelijk zijn.[3]

De beklagrechter stelt, aan de hand van de transportorder, de registratiekaart en het verweer van de directie, vast dat de directeur voorafgaand aan het vervoer van klager geen bijzonderheden, die het boeien van klager noodzakelijk zouden maken, aanwezig achtte.
Ter zitting verklaart de directie dat klager niet vluchtgevaarlijk was, noch vermeld stond op de lijst van gedetineerden met vlucht- of maatschappelijk risico (GVM-lijst). Er was voorafgaand aan het transport dan ook geen reden om klager tijdens transport een broekstok aan te leggen.

De beklagrechter stelt vast dat DV&O het uitgangspunt hanteert dat vreemdelingen niet geboeid worden tenzij dit noodzakelijk is. Uit de toelichting op de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen valt op te maken dat de bevoegdheid van de directeur ten aanzien het geweldsgebruik en de aanwending van vrijheidsbeperkende middelen, die blijkt uit artikel 35 van de Pbw, evenwel overdraagbaar is. Aldus kunnen ambtenaren, waaronder begrepen ambtenaren behorende tot de Dienst Vervoer & Ondersteuning, indien zij in het kader van detentie een taak vervullen, aan het gestelde in artikel 35 van de Pbw een bevoegdheid tot geweldsgebruik ontlenen met het oog op de uitvoering van een door hem genomen beslissing of de voorkoming van het zich onttrekken van de gedetineerde aan het op hem uitgeoefende toezicht. Bij de aanwending van vrijheidsbeperkende middelen (zoals de broekstok) staat het noodzakelijkheidsvereiste voorop. Transportgeleiders van DV&O kunnen dan ook op grond van artikel 10 van voornoemde Geweldsinstructie,  een ingeslotene ten behoeve van het vervoer een broekstok aanleggen.

De beklagrechter stelt vast dat de transportgeleiders bij binnenkomst in de ruimte waar klager verbleef de koppelboeien en broekstok al bij zich hadden terwijl, zoals hierboven beschreven, voorafgaand aan transport door de directie niet is aangegeven dat het aanleggen van een broekstok bij klager noodzakelijk was.
Overeenkomstig artikel 6.2 van de Vervoersinstructie Dienst Vervoer en Ondersteuning (circulaire van 4 februari 1998, nr. 675240/98/DJI) behoort een broekstok niet tot de standaard bewapening van de transportgeleider, maar tot de inventaris van het transportvoertuig [4].
De beklagrechter stelt zich op het standpunt dat de broekstok, gelet op bovenstaande en het uitgangspunt van DV&O dat vreemdelingen niet geboeid worden tenzij, niet standaard had mogen worden meegenomen de wachtruimte in. Door dit toch te doen is een voor klager onduidelijke situatie ontstaan die een verbale en emotionele reactie bij hem opriep met de mededeling dat hij daaraan niet wilde meewerken. Deze reactie is inherent aan het gedrag van de transportgeleiders. Daarop hebben de transportgeleiders gezegd dat dat al voldoende was om een broekstok aan te leggen. Dit lijkt in overeenstemming met de verklaring van klager dat hem direct is gezegd dat hij een broekstok zou krijgen.

De beklagrechter kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de broekstok is meegenomen met de intentie om deze klager direct aan te leggen. Het enkele feit dat klager verbaal en emotioneel reageerde op de door de transportgeleiders mee naar binnen genomen koppelboeien en broekstok, maakt nog geen noodzaak tot het aanleggen van die broekstok. Indien gekozen was de broekstok in het transportvoertuig te laten, had het in de lijn der verwachting gelegen dat het transport probleemloos was verlopen. Door de transportgeleiders is tevens onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de reactie van klager zodanig agressief was, dat zij niet anders konden dan klager een broekstok aan te leggen, om te voorkomen dat klager zich zou onttrekken aan het op hem uitgeoefende toezicht.

De beklagrechter is dan ook van oordeel dat het beklag gegrond dient te worden verklaard. Er in strijd gehandeld met het uitgangspunt van DV&O dat vreemdelingen niet worden geboeid, tenzij noodzakelijk, nu de transportgeleiders al bij binnenkomst koppelboeien en broekstok bij zich hadden en direct na binnenkomst zijn overgegaan tot het aanleggen van de broekstok, terwijl van enige noodzakelijkheid onvoldoende is gebleken.
De beklagrechter acht enige tegemoetkoming voor het geleden ongemak aan klager geboden ter hoogte van € 10,-- .

BESLISSING

De beklagrechter verklaart de klacht gegrond.
De beklagrechter stelt vast dat aan klager wordt uitbetaald een bedrag van € 10,--.

Aldus gegeven op  22 mei 2014 door de beklagrechter mr. […], bijgestaan door mw. […], secretaris.

 

[1] RSJ 26 augustus 2013, 13/1368/GA.

[2] RSJ 04 mei 2012, 11/4345/GA.

[3] RSJ 21 november 2011, 11/1555/GA.

[4] artikel 2.3 van de Vervoersinstructie Dienst Vervoer en Ondersteuning.