Sla inhoud over

RSJ-advies inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling

De plannen van minister Dekker om het stelsel van voorwaardelijke invrijheidstelling van gedetineerden te wijzigen leiden tot minder toezicht op en begeleiding van gedetineerden die voorwaardelijk vrij komen. Dit kan een grotere recidivekans tot gevolg hebben, is niet in het belang van de slachtoffers en vormt een bedreiging voor de veiligheid van de samenleving. Dat stelt de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing (RSJ) in een vandaag gepubliceerd advies.


Op verzoek van minister Dekker voor Rechtsbescherming heeft de Afdeling advisering van de RSJ advies uitgebracht over een voorstel om de voorwaardelijke invrijheidstelling te veranderen. Met de voorwaardelijke invrijheidstelling komen gedetineerden na het verstrijken van tweederde van hun straf onder voorwaarden vrij. Houdt iemand zich niet aan de voorwaarden, dan moet hij terug de gevangenis in en de rest van zijn straf uitzitten. Jaarlijks komen ongeveer 1.100 gedetineerden op deze manier onder voorwaarden vrij. Door gedetineerden op deze manier te controleren en begeleiden is de kans kleiner dat zij opnieuw delicten plegen. Goed toezicht en begeleiding door bijvoorbeeld de reclassering dragen bij aan resocialisatie en minder recidive. Dat is in het belang van slachtoffers en van de veiligheid van de maatschappij.


Volgens recent uitgevoerd onderzoek functioneert de huidige regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling goed. De Afdeling advisering ziet de noodzaak van de wijzigingen niet en mist onderbouwing daarvan in het voorstel van de minister. Zij meent dat de minister er goed aan zou doen zorg te dragen voor goede voorlichting over het strafrechtstelsel en het belang van voorwaardelijke invrijheidstelling en resocialisatie voor de veiligheid van de samenleving. Daarmee kan ook mogelijk onbegrip over het stelsel worden voorkomen.

Klik hier voor de aanbiedingsbrief en het volledig advies.