Sla inhoud over

KC 2021/043

Datum uitspraak:
09/07/2021
Artikel:
16, 23, 24, 42 Pbw
Samenvatting:
Klacht 1: Plaatsing in een MPC - Klaagster verbleef sinds maart 2021 met een medegedetineerde op cel. Op 2 april 2021 testte deze celgenoot positief op Covid-19. Klaagster moest zich op deze dag ook laten testen en zij werd naar de quarantaine afdeling verplaatst. In eerste instantie verbleef zij daar alleen, maar later die dag moest ook de celgenoot weer op bij klaagster intrekken. De testuitslag van klaagster was op 2 april 2021 negatief, op 6 april 2021 testte klaagster positief. De beklagcommissie is van oordeel dat de directie de gezondheid van klaagster in gevaar heeft gebracht door haar op 2 april 2021 tot 6 april 2021 samen met een besmette persoon op cel te plaatsen, terwijl zij zelf nog niet besmet bleek te zijn. Het beklag is gegrond, de beklaggcommissie kent een tegemoetkoming van € 75,- toe. Klacht 2: Ordemaatregel - Op 12 april is aan klaagster een ordemaatregel opgelegd, waarmee de quarantaine met maximaal vijf dagen werd verlengd. Omdat klaagster blijkbaar klachten heeft gehad, geldt dat zij minimaal 24 uur zonder klachten dient te zijn voordat de quarantaine kon worden opgeheven en dat ze weer kon deelnemen aan activiteiten. Op 12 april 2021 was klaagster volgens de medische dienst nog niet 24 uur klachtenvrij. Het is daarom niet onredelijk en onbillijk dat haar op 12 april 2021 een ordemaatregel is opgelegd voor de duur van maximaal 5 dagen uitsluiting van deelname aan activiteiten. In de maatregel staat vermeld dat dagelijks zal worden bekeken of de maatregel moet worden voortgezet. De ordemaatregel is op 13 april 2021 om 8.00 uur opgeheven. De duur van de ordemaatregel is dan ook niet onredelijk of onbillijk. Het beklag is ongegrond.
Uitspraak:

BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ DE PENITENTIAIRE INRICHTINGEN ZUID-OOST LOCATIE TER PEEL TE EVERTSOORD

UITSPRAAK

van de beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij de Penitentiaire Inrichtingen Zuid-Oost, locatie Ter Peel te Evertsoord naar aanlei­ding van het indienen van het klaagschrift van:

Mevrouw [……] (detentienummer […..])

Klaagster zat in de Penitentiaire Inrichtingen (P.I.) Ter Peel toen zij haar beklag indiende.

ALGEMEEN

De inhoud van de hierna genoemde stukken maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

  • Op 9 april 2021 heeft mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, een e-mail gezonden waarin hij namens klaagster klaagt over de plaatsing van klaagster in een Meerpersoonscel (MPC) met een medegedetineerde die positief is getest op Covid-19.
  • Op 12 april 2021 heeft klaagster een verzoek ingediend bij de voorzitter van de beroepscommissie van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) om de ten uitvoer legging van de beslissing van de directeur om haar een ordemaatregel op te leggen te schorsen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 21/20862/SGA. 
  • Op 13 april 2021 is het verzoek van klaagster afgewezen door RSJ.
  • De directie van genoemde inrichting heeft op 29 april 2021 gereageerd middels schriftelijke inlichtingen en opmerkingen, waarin het standpuntvan de directie is weergegeven. Deze reactie is ontvangen op 30 april 2021.
  • Op 17 mei 2021 heeft de raadsman via een e-mail bericht schriftelijk gereageerd op het verweer van de directie. Tevens heeft hij zich akkoord verklaard met de schriftelijke afdoening van de klachten.
  • Op 11 juni 2021 is de reactie van de directeur ontvangen naar aanleiding van de opmerkingen van de advocaat.

Op 6 juli 2021 is de mondelinge behandeling van het beklag ingepland. Aanwezig waren:

klaagster, bijgestaan door haar juridisch medewerker A. Knol, namens de raadsman;
[…], vestigingsdirecteur en mr. […], juridisch medewerker.

ONDERWERP

Klacht 1: plaatsing in een MPC.

Klacht 2: ordemaatregel.

STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN HAAR RAADSMAN

Klacht 1:

Klaagster stelt dat haar celgenoot op 4 april 2021 naar Brazilië zou vliegen. In dat kader moest deze celgenoot een Coronatest laten afnemen. Op donderdag 1 april 2021 heeft zij zich laten testen en op 2 april 2021 bleek dat de celgenoot positief testte op Covid-19. Hierop is de vlucht van haar geannuleerd en is zij in quarantaine geplaatst. Klaagster is op 2 april 2021 opgeroepen om zich ook te laten testen. Zij werd ook naar de quarantaine afdeling geplaatst, waar zij in eerste instantie alleen op cel verbleef. Enige tijd later die dag stond de voormalig celgenote van klaagster voor de celdeur om weer bij haar in te trekken. Klaagster heeft bij het personeel aangegeven hiertegen bezwaar te hebben, omdat haar eigen uitslag nog niet bekend was. De geïnfecteerde medegedetineerde werd toch bij haar op cel geplaatst. Op 6 april 2021 kreeg klaagster een negatieve testuitslag. Op dezelfde dag is klaagster opnieuw getest. Toen bleek zij positief te testen. Vervolgens is klaagster een brief uitgereikt waaruit blijkt dat zij samen met de medegedetineerde tot 12 april 2021 samen op de quarantaine afdeling moest blijven.

Volgens klaagster heeft een medewerker van de medische dienst haar op 8 april 2021 bezocht en heeft toen verteld dat de uitslag van de test al op 3 april 2021 bekend was. Desondanks is de uitslag pas op 6 april 2021 aan haar doorgegeven. Ook heeft de medewerker zijn/haar verbazing uitgesproken dat klaagster op een cel was geplaatst met de positief geteste medegedetineerde.

Klaagster heeft zich ernstig zorgen gemaakt over haar gezondheid. Zij is van mening dat de directeur haar gezondheid ernstig in het geding heeft gebracht door haar bewust met deze medegedetineerde in één cel te plaatsen, terwijl klaagster geen positieve testuitslag had. Gelet op deze omstandigheden is het zeer aannemelijk dat klaagster door het verblijf met deze medegedetineerde op één cel besmet is geraakt met het coronavirus.

Op grond van artikel 16, tweede lid van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) wijst de directeur een gedetineerde een verblijfsruimte toe. Op grond van artikel 42 van de Pbw heeft de directeur een medische zorgplicht. Verder heeft de directeur een algemene zorgplicht om de veiligheid van medewerkers en gedetineerden te waarborgen. Klaagster is van mening dat de directeur zijn zorgplicht heeft geschonden. Klaagster verzoekt gegrondverklaring van haar klacht en een tegemoetkoming.

Naar aanleiding van het verweer heeft de raadsman de volgende reactie toegezonden.

Klacht 1:

Allereerst merkt de raadsman op dat de directeur bij de beslissing om twee gedetineerden met elkaar op één cel te plaatsen, zorgvuldig dient om te gaan.[1] Vanwege de uitbraak van het corona-virus betekent de plaatsing op een MPC dat de door het RIVM aanbevolen afstand van 1,5 meter niet in acht kan worden genomen. Deze omstandigheden dient de directeur derhalve mee te nemen in zijn beslissing.

De directeur geeft aan dat de celgenoot van klaagster - volgens de medische dienst -

'met grote waarschijnlijkheid' niet de bron was van de besmetting van klaagster. Deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet op de omstandigheden is het naar mening van klaagster juist aannemelijker dat de bron van besmetting wel degelijk haar celgenoot is geweest. De test van klaagster van 2 april 2021 was immers negatief waarna zij op cel is geplaatst met haar positief geteste celgenoot. Haar daaropvolgende test van 6 april 2021 bleek vervolgens positief. De testuitslagen zijn als bijlage gevoegd bij de stukken.

Bovendien is niet relevant of achteraf gezegd kan worden of de celgenoot al dan niet de bron is geweest van de besmetting van klaagster met het coronavirus. Klaagster had -in afwachting van haar testuitslag dan wel met een negatieve testuitslag- niet op cel mogen worden geplaatst met haar celgenoot die een positieve testuitslag had. Dat geldt ook indien klaagster daarvoor contact heeft gehad met haar celgenoot doordat zij samen op cel verbleven. Er kan immers niet gesteld worden dat klaagster - omdat haar celgenoot besmet was - op dat moment ook besmet moet zijn geweest. Klaagster had op dat moment nog niet besmet hoeven zijn. Zolang klaagster dan ook geen positieve testuitslag had, diende uitgesloten te worden dat zij (alsnog) besmet zou kunnen raken. Daarom had zij nooit op cel mogen worden geplaatst met haar positief geteste celgenoot. Door dit toch te doen heeft de directeur het risico genomen dat klaagster (alsnog) besmet zou worden met het coronavirus. De directeur is met dit handelen tekortgeschoten in zijn (medische) zorgplicht.

Ten overvloede merkt de raadsman op dat de directeur stelt dat volgens de richtlijnen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) klaagster niet per se op een enkelcel in quarantaine hoeft te worden geplaatst, omdat zij voorheen ook samen op cel verbleven. De raadsman is niet bekend met deze regel. Uit de richtlijnen van het RIVM volgt dat bij quarantaine vanwege een besmette huisgenoot, 1,5 meter afstand dient te worden gehouden van huisgenoten, de besmette persoon zoveel als mogelijk alleen op een eigen kamer moet verblijven en het contact met huisgenoten dient te vermijden. Daarbij merkt hij op dat volgens de RSJ, de vergelijking tussen een gezinssituatie en een MPC overigens niet op gaat. "Gezinnen waren er al toen het coronavirus uitbrak en kunnen en willen niet uit elkaar met als doel om de 1,5 meter afstand in acht te nemen. De omstandigheid dat mensen (zoals in gezinssituaties) niet in staat zijn om in alle gevallen 1,5 meter afstand van elkaar te houden, rechtvaardigt nog niet het creëren van extra gezondheidsrisico's voor anderen. Het plaatsen van een gedetineerde in een MPC betekent dat de door het RIVM aanbevolen afstand van 1,5 meter niet in acht kan worden genomen en vergroot het risico op besmetting met het coronavirus voor verzoeker en zijn toekomstige celgenoot. Dat verzoeker en zijn celgenoot weer van elkaar worden gescheiden op het moment dat de een klachten ontwikkelt, maakt dit niet anders, omdat de ander dan al besmet kan zijn geraakt."[2]

Klacht 2:

Klaagster is het niet eens met de beslissing van de directeur van 12 april 2021 om de ordemaatregel om haar in quarantaine te houden wordt verlengd met 5 dagen. Klaagster was op 2 april 2021 negatief getest op Covid-19. Op 6 april 2021 bleek klaagster alsnog positief te testen. Als klaagster op 13 april 2021 geen klachten heeft ontwikkeld, zou de quarantaine kunnen worden opgeheven. Klaagster heeft vervolgens het besluit ontvangen dat zij tot 17 april 2021 in quarantaine zou moeten blijven. Klaagster is het niet eens met de beslissing dat zij zo lang in quarantaine dient te blijven, temeer omdat dit niet klopt met de landelijke richtlijnen.

De raadsman heeft aanvullend het volgende aangevoerd.

De directeur stelt dat de medische dienst de gezondheid van klaagster heeft gemonitord, dat daaruit bleek dat klaagster nog klachten had en dat de ordemaatregel om die reden noodzakelijk was. Klaagster betwist dit. De medische dienst is niet regelmatig langs geweest en heeft nooit haar temperatuur gemeten. De medische dienst is voor het laatst op 12 april 2021 omstreeks 10: 00 uur langs geweest waarbij klaagster heeft aangegeven geen klachten meer te hebben. De medische dienst heeft hierop medegedeeld dat klaagster op 13 april 2021 om 08:00 uur uit quarantaine mocht omdat zij dan 24 uur klachtenvrij zou zijn. Vervolgens wordt om 13:30 uur een nieuwe ordemaatregel aan klaagster uitgereikt inhoudende de uitsluiting van activiteiten voor de duur van vijf dagen. De quarantaine van klaagster is echter alsnog de volgende ochtend beëindigd. Hieruit blijkt ook dat klaagster in de ochtend van 12 april 2021 reeds klachtenvrij was. De oplegging van een ordemaatregel voor de duur van vijf dagen is daarom naar mening van klaagster disproportioneel.

Daarnaast dient de directeur op grond van artikel 57, eerste lid onder b en c van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw) de gedetineerde in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord alvorens hij beslist over de oplegging van een ordemaatregel.

Hoewel in de beslissing is opgenomen dat klaagster zou zijn gehoord, betwist zij dit. Klaagster heeft de schriftelijke mededeling van de ordemaatregel uitgereikt gekregen van […] op 12 april 2021 te 13:30 uur in aanwezigheid van het afdelingshoofd. Daarbij is de inhoud van de ordemaatregel mondeling medegedeeld. De directeur is voor deze uitreiking niet bij klaagster geweest om haar te horen over zijn voorgenomen beslissing. Derhalve is er geen sprake geweest van hoor en wederhoor. Daarbij is de raadsman bekend met het feit dat de vermelding ten aanzien van het horen van de gedetineerde een standaardclausule betreft die met een vinkje in het systeem in de beslissing terecht komt. Hierdoor is het mogelijk dat er per abuis het verkeerde vakje is aangevinkt. Gelet op deze omstandigheden kan er worden getwijfeld aan de juistheid van de schriftelijke mededeling. Verzocht wordt het beklag gegrond te verklaren, de beslissing te vernietigen en aan klaagster een tegemoetkoming toe te kennen conform de standaardbedragen van de RSJ.

De directeur stelt dat in het dossier van klaagster niet kan worden teruggevonden dat zij heeft verzocht om de testuitslagen op schrift te ontvangen. Klaagster heeft echter meerdere malen aan het afdelingspersoneel, waaronder […], verzocht om de schriftelijke uitslagen. Klaagster heeft deze uiteindelijk ontvangen. Dit is volgens klaagster pas gebeurd nadat zij had opgemerkt dat haar advocaat deze nodig had.

Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag is door klaagster naar voren gebracht dat haar beklag klacht 1 voldoende duidelijk is. Zij verbleef sinds maart 2021 met de medegedetineerde op een MPC. Toen de medegedetineerde positief bleek te zijn getest had zij apart in een enkelcel moeten worden geplaatst tijdens de quarantaineperiode, zeker nu zij in eerste instantie negatief testte. Door dit niet te doen heeft klaagster in angst gezeten of zij niet alsnog besmet zou worden door haar celgenote. De mogelijke gevolgen van besmetting met het Covid-19 virus zijn ernstig. Daarnaast zijn andere celgenoten die in een MPC zaten wel apart in quarantaine gezet.

De juridisch medewerker merkt op dat in het verweer niet wordt ontkend dat de medecelgenote positief getest was op Covid-19, terwijl niet duidelijk was of de test van klaagster al dan niet positief zou uitvallen. De argumenten van de directeur rechtvaardigen de beslissing om de dames bijeen te laten niet. De bron van de besmetting is niet relevant. Men had apart geplaatst moeten worden conform het protocol van het RIVM. De directeur heeft ter zitting zijn mening gewijzigd en gesteld dat hij alles overziende er nu niet voor zou hebben gekozen om de dames samen in een MPC in quarantaine te houden.

Gelet op voorgaande dient het beklag gegrond te worden verklaard. Omdat de gevolgen niet ongedaan kunnen worden gemaakt, wordt verzocht om een tegemoetkoming vast te stellen van € 75,--. Dit bedrag wordt gevraagd in verband met de ernst van de mogelijke gevolgen voor klaagster door de beslissing.


De juridisch medewerker meldt over beklag klacht 2 tijdens de mondelinge behandeling, dat klaagster erbij blijft dat zij niet vooraf is gehoord door de directeur. Zij heeft alleen het afdelingshoofd en een medewerker […] gesproken. Het beklag moet daarom formeel gegrond worden verklaard.

Klaagster meldt dat zij in de periode tot 12 april 2021 slechts twee keer is bezocht door iemand van de medische dienst. Zij is niet onderzocht en er is geen temperatuur opgemeten. Men ging af op hetgeen klaagster zelf vertelde. Als klaagster een paracetamol wilde hebben moest ze daar om smeken. Klaagster had op 12 april 2021 geen klachten meer. De medische dienst heeft haar bezocht en op 12 april gemeld dat zij de dag erna uit quarantaine zou mogen. Een half uur later werd haar een nieuwe ordemaatregel opgelegd. Klaagster snapt daar niets van.

Klaagster is het niet mee eens dat zij lang heeft moeten wachten op de schriftelijke testresultaten. Zij heeft hier meerdere keren om gevraagd en ook gemeld dat zij die resultaten nodig had voor haar raadsman.

Klaagster meldt dat zij geen adres in Nederland heeft. Alle post dient naar haar raadsman te worden gezonden.

STANDPUNT VAN DE DIRECTEUR

Aan klaagster is op 2 april 2021 een ordemaatregel opgelegd voor de duur van acht dagen, omdat haar celgenote positief was getest op Covid-19. Klaagster is later op 6 april 2021 positief getest op Covid-19.

Nader onderzoek leert dat de medische dienst de gezondheid van klaagster heeft gemonitord, waaruit bleek dat er bij haar nog sprake was van klachten. Klaagster moest derhalve nog tot 13 april 2021 in quarantaine verblijven. Op 12 april 2021 was klaagster nog geen 24 uur klachtvrij, waardoor aan haar een volgende ordemaatregel is opgelegd voor de duur van vijf dagen. Dit is een standaard maatregel waarbij de medische dienst heeft aangegeven de gezondheid van klaagster elke dag te monitoren, om te beoordelen of ze uit quarantaine geplaatst mag worden. Met deze maatregelen dient de directeur de gezondheid van klaagster, haar medegedetineerden en het personeel te waarborgen. De beslissing tot het opleggen van deze ordemaatregel is daarom niet onredelijk of onbillijk.

Klaagster klaagt tevens over een plaatsing in een meerpersoonscel. Navraag bij de medische dienst heeft opgeleverd dat de celgenote van klaagster met grote waarschijnlijkheid niet de bron was. Tevens is klaagster de eerste keer te vroeg getest voor een betrouwbare negatieve uitslag, aangezien ze nog contact heeft gehad met de bron. De tweede test volgens het bron- en contactonderzoek was

positief. Deze test is afgenomen conform de incubatietijd van vijf dagen. Beide testen zijn afgenomen met een PCR-test. In samenspraak met de GGD heeft de medische dienst geconcludeerd dat klaagster niet besmet is geraakt door haar celgenote. Voorts dient te worden opgemerkt dat klaagster volgens de richtlijnen van het RIVM niet per se op een enkelcel in quarantaine hoeft te worden geplaatst, omdat zij en haar celgenote voorheen ook samen op een cel verbleven. Derhalve is ook deze beslissing om klaagster met haar celgenote op een meerpersoonscel te plaatsen in alle redelijkheid en billijkheid genomen.

Voor wat betreft de testuitslagen, aangezien de uitslagen geregistreerd worden op datum van afname, kan de medische dienst niet achterhalen wanneer de uitslagen binnen zijn gekomen. Dit is voor de quarantainemaatregelen echter niet relevant, omdat deze worden gerekend vanaf de datum van de positieve test. Klaagster stelt dat zij deze testresultaten niet heeft ontvangen. Er is in haar dossier nergens terug te vinden dat zij een verzoek heeft gedaan om deze op schrift te ontvangen.

Vanzelfsprekend is het geen probleem om deze alsnog aan klaagster uit te reiken.

Verzocht wordt de klachten ongegrond te verklaren.

Naar aanleiding van de reactie van de raadsman heeft de directeur het volgende aangevoerd.

Klacht 1:

De testresultaten van een Covid-19 onderzoek zijn pas betrouwbaar indien ze in relatie met bron- en incubatietijd geïnterpreteerd worden. Dat betreft maatwerk en gebeurt in overleg met de GGD. Op basis van het beroepsgeheim en de AVG kan niet worden vermeld welke medegedetineerde de bron van de besmetting is. Daarom ontbreekt een verdere onderbouwing.

De uitspraak waar de raadsman naar refereert betreft de plaatsing van een toekomstig medegedetineerde in een MPC. De situatie van klaagster is een andere. Zowel klaagster als de medegedetineerde waren beide al in quarantaine geweest en konden daarom in een MPC geplaatst worden. Er was daarom geen sprake van een toekomstige celgenote. De keuze om hem samen in een MPC te plaatsen werd mede onderbouwd door het gegeven dat zij ook buiten de cel een goed contact hadden.

De gezondheid van klaagster is gemonitord volgens de richtlijnen van het RIVM. De nieuwe ordemaatregel is opgelegd om de periode tussen 12 en 13 april 2021 te kunnen monitoren. Dit volgt uit het advies op basis van het bron- en contact onderzoek. Als klaagster op 13 april 2021 nog klachtenvrij was, mocht zij om 8.00 uur uit quarantaine. Dit is ook gebeurd.

Anders dan de raadsman stelt is er geen sprake van het aanvinken van vakjes, dat onzorgvuldig zou zijn gebeurd. Klaagster is voorafgaand aan de oplegging gehoord door de directeur. De maatregel wordt vervolgens zorgvuldig door het personeel ingevuld.

Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag heeft de directeur over klacht 1 gemeld dat hij de beslissing nu niet meer zo zou hebben genomen en klaagster in een enkelcel zou hebben geplaatst tijdens haar quarantaine, totdat duidelijk was of klaagster al dan niet positief testte. Op dat moment was het een bewuste keuze. De medische dienst heeft navraag gedaan bij de GGD en die hebben gemeld dat men niet per se op een aparte cel zouden hoeven te worden geplaatst, omdat het niet aannemelijk was dat de celgenote de bron van de besmetting was.

De directeur verzet zich niet tegen gegrondverklaring en kan zich vinden in de hoogte van de gevraagde tegemoetkoming.

Voor wat betreft klacht 2 meldt de directeur dat hij van de medische dienst informatie heeft ontvangen dat klaagster gedurende haar quarantaine zeer regelmatig is bezocht. Op 12 april 2021 heeft de medische dienst geconcludeerd dat klaagster klachtenvrij was en dat zij daarom op 13 april vanaf 8.00 uur uit quarantaine kon.

Klaagster is voorafgaande aan de oplegging van de ordemaatregel door hemzelf gehoord. Omdat klaagster op 12 april 2021 nog geen 24 uur klachtenvrij was, diende de quarantaine nog enige dagen voort te duren. Een periode van 5 dagen is dan billijk. Zodra klaagster klachtenvrij is, wordt de ordemaatregel opgeheven. Dat bleek een dag later zo te zijn.

BEOORDELING

De beklagcommissie overweegt het volgende.

Klacht 1:

Het staat vast dat klaagster op 1 april 2021 verbleef in een MPC. Haar celgenoot is op 1 april 2021 positief getest op het Covid-19 virus. Klaagster is op 2 april 2021 getest. Deze test bleek negatief te zijn.

In de brief voor iemand die positief getest is op Covid-19 van het RIVM staat het volgende vermeld:

“2. Hoe ga ik met de mensen om die bij mij in huis wonen?

Het juist toepassen van de leefregels is belangrijk, zo voorkomt u dat uw huisgenoten besmet raken met het coronavirus.

  • Blijf zoveel mogelijk in uw eigen kamer. Daar slaapt u ook en u slaapt alleen.
  • De andere mensen in huis komen zo weinig mogelijk in uw kamer.
  • U heeft zo weinig mogelijk contact met de mensen in huis en u blijft op 1,5 meter afstand van elkaar (…).”

De beroepscommissie van de RSJ overweegt in de uitspraak van 22 april 2021, R-20/6708/GA, dat de directeur bij de beslissing om twee gedetineerden met elkaar op één cel te plaatsen zorgvuldig dient om te gaan (vgl. RSJ 21 juli 2020, R-19/3798/GA). Hierbij dient de directeur onder meer te kijken naar de beschikbaarheid van de cellen en eventuele contra-indicaties. In dit verband merkt de beroepscommissie op dat het samenplaatsen van een gedetineerde met een medegedetineerde in een MPC vanwege de uitbraak van het coronavirus in beginsel betekent dat de door het RIVM aanbevolen afstand van 1,5 meter niet in acht kan worden genomen. Het risico op besmetting met het coronavirus voor klager en zijn celgenoot wordt hiermee vergroot.

Uit de klacht blijkt dat klaagster en haar celgenote in eerste instantie van elkaar gescheiden zijn en beiden in een enkelcel zijn geplaatst.

Op 2 april 2021 heeft de directeur besloten om beiden weer samen in een MPC te plaatsen. Het zou volgens de directeur niet noodzakelijk zijn dat beiden op enkelcel zouden moeten blijven en omdat men eerder samen heeft gezeten zou de plaatsing op een MPC niet onredelijk zijn. Tijdens de beklagzitting heeft de directeur zijn mening gewijzigd en gemeld dat hij nu deze beslissing niet zou nemen op deze manier.

De beklagcommissie kan deze laatste gedachtegang volgen. De medegedetineerde was op 2 april 2021 besmet met het Covid-19 virus en van klaagster was dat op dat moment nog niet bekend. Zij testte weliswaar negatief, maar de test was mogelijk te vroeg afgenomen. Als men de regels van het RIVM zou volgen, had het op de weg van de directeur gelegen klaagster en de celgenote pas samen op cel te plaatsen wanneer beiden op dat moment Covid-19 zouden hebben of beiden geen klachten meer zouden hebben. Door klaagster op 2 april 2021 tot 6 april 2021 samen met een besmette persoon op cel te plaatsen, terwijl zij zelf nog niet besmet bleek te zijn, heeft de directie de gezondheid van klaagster in het gevaar gebracht. Dat klaagster uiteindelijk op 6 april 2021 toch besmet bleek te zijn, maar door een andere persoon dan haar celgenote doet hier niet aan af. Het beklag is gegrond. Klaagster krijgt gelijk.

Omdat de gevolgen van de beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt komt klaagster een tegemoetkoming toe. De beklagcommissie stelt de vergoeding vast op € 75,--.

Klacht 2:

Allereerst zal worden ingegaan op het formele aspect van de klacht, te weten of klaagster al dan niet is gehoord voordat de maatregel is opgelegd en de wijze waarop de maatregel aan klaagster is medegedeeld.

Uit het verweer van de directeur blijkt dat deze stellig is in zijn mening dat hij klaagster voordat de maatregel is opgelegd heeft gehoord. De beklagrechter heeft geen redenen om aan te nemen dat dit niet zou zijn gebeurd. De opmerking van de raadsman dat het personeel dit vakje onzorgvuldig heeft aangevinkt, kan ook niet door de beklagrechter worden gevolgd. Als een gedetineerde niet kan worden gehoord voordat de beslissing wordt genomen, wordt dit altijd vermeld in de beslissing met de reden waarom dat niet kon. Dat is hier niet het geval.

Daarnaast dient een beslissing van de directeur zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de gedetineerde worden uitgereikt. Uit jurisprudentie blijkt dat deze periode maximaal 24 uur mag zijn. De ordemaatregel is op 12 april 2021 om 13.00 uur uitgereikt, zo blijkt uit de meegezonden maatregel. Dit is tijdig. Klaagster stelt weliswaar dat dit pas om 13.30 uur is gebeurd, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Klaagster is ook mondeling op de hoogte gesteld van de inhoud van de beslissing.

Het beklag wordt daarom ongegrond verklaard op dit punt. Klaagster krijgt geen gelijk.

Daarnaast wordt gesteld dat de medische dienst klaagster niet of onvoldoende heeft gemonitord en geen temperatuur heeft opgenomen bij klaagster. De beklagcommissie kan alleen een uitspraak doen over de toegang tot de medische dienst. klachten over de inhoudelijke behandeling kunnen bij het hoofd van de Medische Dienst worden ingediend. Dit onderdeel van de klacht is niet-ontvankelijk.

Ten overvloede overweegt de beklagrechter dat de Medische Dienst klaagster ook kan monitoren door op de afdeling na te gaan of klaagster klachten heeft.

Inhoudelijk overweegt de beklagcommissie het volgende.

Het staat vast dat klaagster op 1 april 2021 verbleef in een MPC. Haar celgenoot is op 1 april 2021 positief getest op het Covid-19 virus. Klaagster is op 2 april 2021 getest. Deze test bleek negatief te zijn. Op 6 april 2021 is klaagster conform de regels van het RIVM opnieuw getest. Toen bleek de test een positieve uitslag te geven.

Klaagster heeft op 2 april 2021 een ordemaatregel opgelegd gekregen te weten uitsluiting van deelname aan activiteiten voor de duur van 8 dagen. De beklagrechter merkt op dat de maatregel eindigt op 12 april 2021. Deze datum klopt niet als uitgegaan wordt van 2 april. De maatregel had dan tot uiterlijk 10 april 2021 moeten voortduren. Klaagster heeft echter geen beklag ingediend tegen deze beslissing, zodat de beklagrechter voorbij zal gaan aan deze kennelijke fout van de directie.

Volgens de RIVM moet een persoon die positief is getest in quarantaine blijven. In de brief voor iemand die positief getest is op Covid-19 van het RIVM staat het volgende vermeld: U mag weer uit isolatie als u 24 uur geen klachten meer heeft die passen bij Covid-19 én het minimaal 7 dagen is na het begin van uw klachten.

Bent u zonder dat u klachten heeft positief getest? En krijgt u ook geen klachten? Dan mag u uit isolatie 5 dagen na de testafname. Bespreek dit ook altijd met de GGD.

Omdat klaagster blijkbaar klachten heeft gehad, geldt dat zij minimaal 24 uur zonder klachten dient te zijn voordat de quarantaine kon worden opgeheven en dat ze weer kon deelnemen aan activiteiten.

Op 12 april 2021 was klaagster volgens de medische dienst nog niet 24 uur klachtenvrij. Het is daarom niet onredelijk en onbillijk dat haar op 12 april 2021 een ordemaatregel is opgelegd voor de duur van maximaal 5 dagen uitsluiting van deelname aan activiteiten. In de maatregel staat vermeld dat dagelijks zal worden bekeken door een gedragskundige/arts of de maatregel moet worden voortgezet. Uit het verweer blijkt dat de ordemaatregel op 13 april 2021 om 8.00 uur is opgeheven, omdat klaagster op dat moment 24 uur klachtenvrij was. De duur van de ordemaatregel is dan ook niet onredelijk of onbillijk. Klaagster krijgt geen gelijk.

 

Aan het verzoek tot tegemoetkoming komt de beklagrechter niet meer toe.

 

BESLISSING

De beklagcommissie verklaart:

  • het klaagschrift klacht 1 gegrond;
  • kent klaagster een tegemoetkoming toe van € 75,--;
  • het klaagschrift klacht 2 ongegrond voor wat betreft de opgelegde ordemaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2021 door mr. P. van Blaricum (voorzitter) en G.G. Dirks en I.C.P. van Kempen (leden), bijgestaan door P. van Kaam-Wolfswinkel, secretaris.

[1] RSJ 21 juli 2020, R-19/3798/GA

[2] RSJ 29 april 2020, S-20/3503/SGA