Sla inhoud over

KC 2021/042

Datum uitspraak:
01/07/2021
Artikel:
Art. 26 Pbw, artt. 4, 21 en 32 Rtvi
Samenvatting:
Klager klaagt (KC-2021/41) over de afwijzing van het verzoek om incidenteel verlof dat hij heeft aangevraagd omdat zijn moeder ernstig ziek is en op korte termijn zal komen te overlijden. De beklagcommissie is van oordeel dat de directeur bevoegd was te beslissen op het verzoek van klager, nu klager niet behoort tot één van de bijzondere categorieën als bedoeld in artikel 32, tweede lid onder i van de Rtvi en dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 23 van de Rtvi. Zij acht de aan het besluit gelegde weigeringsgronden van artikel 4 van de Rtvi onvoldoende onderbouwd en draagt de directeur op een nieuwe beslissing te nemen. Tegen deze nieuwe afwijzende beslissing heeft klager wederom geklaagd (KC-2021/42). De beklagcommissie oordeelt dat de opgevoerde weigeringsgronden wederom onvoldoende zijn gemotiveerd en dat klager onvoldoende is betrokken bij de totstandkoming van de beslissing, doordat niet is onderzocht of het verlof zo nodig onder begeleiding of bewaking kan plaatsvinden. De beklagcommissie concludeert dat sprake is van een onredelijke belangenafweging en besluit om het verlofverzoek van klager in te willigen, met dien verstande dat klager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen achtenveertig uur na bekendmaking van de beslissing, gedurende één uur, en onder begeleiding en bewaking, zijn moeder te bezoeken.
Uitspraak:

Deze uitspraak hangt samen met KC2021/41.

De beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij Penitentiaire Inrichting Middelburg, locatie Torentijd te Middelburg.

 

Beslissing van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht van de Penitentiaire Inrichting Middelburg, locatie Torentijd te Middelburg op het klaagschrift, ingediend door:

[…], hierna genoemd klager, destijds verblijvende in de P.I. Middelburg, locatie Torentijd.

gemachtigde: mr. S.G.H. van de Kamp, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

Het procesverloop 

Klagers gemachtigde heeft op 24 juni 2021 per e-mail namens klager een klaagschrift ingediend.


De directeur heeft geen schriftelijk verweer gevoerd.


Op 28 juni 2021 zijn klager, zijn gemachtigde en de directeur via een beeldverbinding gehoord door de beklagcommissie.

Het geschil en de beoordeling daarvan    

Klager heeft verzocht om verlening van incidenteel verlof om zijn moeder te bezoeken. Dit verzoek is bij beslissing van 8 juni 2021 afgewezen door de directeur. De beklagcommissie heeft in haar beslissing van 16 juni 2021 het beklag daartegen gegrond verklaard en de beslissing van 8 juni 2021 vernietigd . Daarbij heeft de beklagcommissie de directeur opgedragen om vóór vrijdag 18 juni om 17.00 uur met inachtneming van de beslissing van de beklagcommissie opnieuw te beslissen. De directeur heeft op 18 juni 2021 opnieuw afwijzend beslist. Het beklag richt zich tegen deze beslissing.

De beklagcommissie heeft in haar beslissing van 16 juni 2021 vastgesteld dat het verlofverzoek in aanmerking kan komen voor inwilliging op grond van artikel 23 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi). Klagers moeder is zeer ernstig ziek, zij heeft nog maar kort te leven en zij is voornemens euthanasie te laten uitvoeren. Zij wil haar zoon nog een laatste maal ontmoeten. De beklagcommissie heeft vervolgens overwogen dat de aan het vernietigde besluit ten grondslag gelegde weigeringsgronden onvoldoende waren onderbouwd.

Aan de thans bestreden beslissing heeft de directeur opnieuw ten grondslag gelegd dat er een ernstig vermoeden bestaat dat klager zich aan zijn detentie zal proberen te onttrekken . De directeur verwijst hiervoor naar het advies van de Officier van Justitie, waaruit zou volgen dat klager zich eerder aan zijn aanhouding heeft onttrokken door naar het buitenland te vertrekken. Ook heeft de directeur meegewogen dat klager een geschiedenis heeft van gewelddadig gedrag, zowel binnen als buiten detentie. Uit het dossier van klager zou blijken van een veroordeling in mei 2016 wegens mishandeling, een veroordeling in mei 2017 wegens geweldpleging tegen een politieagent, een nog lopende melding wegens huiselijk geweld tegen zijn partner, een sanctie in juli 2017 wegens geweld naar een medegedetineerde, een sanctie in april 2020 wegens ernstig geweld jegens inrichtingspersoneel en een sanctie in juni 2021 wegens het dreigen met ernstig geweld. De directeur leidt hieruit af dat er bij klager sprake is van een lage drempel waar het gaat om de inzet van geweld.

Daarnaast overweegt de directeur wederom dat het risico bestaat van maatschappelijke onrust . Hij stelt dat sprake is van een zeer mediagevoelig dossier. Hiervoor wijst de directeur naar de hoeveelheid nieuwsberichten over de zaak op sociale media en in landelijke en regionale dagbladen. De directeur wijst er verder op dat klager zijn betrokkenheid bij de moord voor de rechtbank heeft toegegeven, hetgeen door de berichtgeving over de zaak bij iedereen en zeker ook bij de nabestaanden bekend is geworden. De nabestaanden zullen moeten worden bericht over het verlenen van verlof en dit zal bij hen zeker een reactie oproepen. Alleen al het melden van verlof brengt met zich dat de slachtoffers worden geconfronteerd met een situatie die door hen als ernstig grievend zal worden ervaren. Het is meer dan waarschijnlijk dat de melding van verlof tot nieuwe onrust zal leiden bij de nabestaanden en in de maatschappij, aldus de directeur.

Verder is in de beslissing van de directeur overwogen dat de Officier van Justitie op 18 juni uitgebreid telefonisch heeft gereageerd op de beslissing van de beklagcommissie en daarbij heeft aangegeven onverkort achter zijn eerdere advies te staan. De Officier van Justitie adviseert het verlof niet toe te kennen vanwege de risico’s die daaraan verbonden zijn.

De directeur stelt het belang van klager om bij leven afscheid van zijn moeder te kunnen nemen te zien, maar meent dat de aan het verlenen van verlof verbonden risico’s, in combinatie met het belang van de nabestaanden, zwaarder dienen te wegen.

Klager stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de directeur opnieuw onvoldoende is gemotiveerd en dat geen sprake is geweest van een deugdelijke belangenafweging.

Hij betwist de beide opgevoerde weigeringsgronden. Klager voert daarbij aan dat de raadkamer van de rechtbank bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis geen vluchtgevaar heeft aangenomen en dat klager nooit de status ‘vluchtgevaarlijk’ heeft gehad binnen de inrichting. Klager is voorafgaand aan zijn aanhouding in het buitenland geweest, maar niet met het doel om zich aan strafrechtelijke vervolging te onttrekken. Het betrof een vakantie van enkele weken in Spanje, waarvandaan hij gewoon is teruggekeerd naar Nederland.

Van de gestelde oude strafrechtelijke veroordelingen wegens gewelddadig gedrag is die uit mei 2016 niet terug te vinden in de justitiële documentatie. De andere veroordeling uit 2017 ziet op feiten uit 2014. Onduidelijk is verder wat precies wordt bedoeld met een nog lopende melding van huiselijk geweld. Voor zover daarmee wordt gedoeld op een zaak die nog in hoger beroep loopt, gaat het om een verdenking van mondelinge bedreiging. Ook dit is onvoldoende om te onderbouwen dat sprake is van een geschiedenis van geweld en daarmee een kennelijk risico op onttrekking, zo stelt klager. Klager erkent dat er in april 2020 in de inrichting waar hij toen verbleef sprake is geweest van een incident. Dit betrof een oplopende discussie, waarbij het personeel alarm heeft geslagen vanwege klagers gedrag en waarbij klager met fors geweld naar de grond is gewerkt en ook klager gewond is geraakt. Klager betwist dat hij voor de twee andere door de directeur genoemde incidenten, in juli 2017 en juni 2021, disciplinair is bestraft. Bovendien heeft de directeur het recente gedrag van klager niet meegewogen; er is in de huidige inrichting, de PI Middelburg, geen enkel incident is geweest.

Voor wat betreft het gestelde risico van maatschappelijke onrust verwijst klager allereerst naar zijn eerdere klaagschrift. Het enkele feit dat sprake is van een mediagevoelige zaak kan volgens hem niet leiden tot de conclusie dat er een risico op maatschappelijk onrust bestaat. Bovendien loopt een medeverdachte aan wie een soortgelijk feitencomplex ten laste is gelegd al ruime tijd buiten rond en verblijven ook andere medeverdachten niet (meer) in voorlopige hechtenis. Klager wijst opnieuw op de onschuldpresumptie en stelt dat hij voor de rechtbank alleen uitleg heeft gegeven over zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit van onttrekken van een lijk aan nasporing.
Ten slotte voert klager aan dat niet is gekeken naar mogelijkheden om het verlof onder begeleiding of bewaking te laten plaatsvinden.

De beklagcommissie overweegt als volgt.

Als uitgangspunt geldt de eerder beslissing van de beklagcommissie van 16 juni 2021. Dit betekent dat de directeur een nieuwe afwijzing van het verlofverzoek beter diende te motiveren.

De beklagcommissie heeft in haar eerdere beslissing overwogen dat de directeur het verlofverzoek niet op grond van vluchtgevaar heeft kunnen afwijzen. Zij stelt vast dat de directeur het ernstige vermoeden dat klager zich zal proberen te onttrekken aan de detentie niet nader heeft weten te onderbouwen. Voor zover de directeur hiervoor heeft verwezen naar het advies van de Officier van Justitie, geldt dat in de beslissing van de beklagcommissie van 16 juni jl. al is vastgesteld dat dat advies niet ingaat op het gestelde vluchtgevaar. Voor zover thans is verwezen naar uitgebreid telefonisch overleg met de Officier van Justitie op 18 juni jl., overweegt de beklagcommissie dat de concrete inhoud van dit overleg niet met de beklagcommissie is gedeeld en daarmee het gestelde vluchtgevaar evenmin is onderbouwd. Ten slotte valt niet in te zien dat het gestelde gewelddadige gedrag van klager een zelfstandige grondslag kan vormen om dat vluchtgevaar aan te nemen.

Dit betekent dat de directeur het verlof niet heeft kunnen afwijzen met een verwijzing naar vluchtgevaar en de weigeringsgrond van artikel 4, onder a, van de Rtvi.

De beklagcommissie stelt vervolgens vast dat de directeur het verzoek om verlof niet heeft afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 4, onder e, van de Rtvi (risico voor een ongestoord verlof als gevolg van de gestoorde of agressieve persoonlijkheid van de gedetineerde). Voor zover niettemin betekenis zou toekomen aan het gestelde agressieve gedrag van klager, is het opmerkelijk dat dit eerder niet is genoemd als risico bij het verlenen van verlof. Het advies van de Officier van Justitie vermeldt hierover evenmin iets. Verder moet worden getwijfeld aan de waarde van het opgevoerde overzicht van gestelde gewelddadige incidenten. Zo is ter zitting komen vast te staan dat geen sprake is geweest van een geweldsincident in juni van dit jaar. Daarnaast is niet duidelijk geworden of klager daadwerkelijk strafrechtelijk is veroordeeld in mei 2016. Voorts is de precieze aard en achtergrond van de melding over huiselijk geweld en van de gerapporteerde incidenten in april 2020 en juni 2020 onduidelijk gebleven. Wel heeft klager onbestreden gesteld dat hij gedurende zijn verblijf in de PI Middelburg niet betrokken is geweest bij enige vorm van geweld. Ten slotte merkt de beklagcommissie in dit verband nogmaals op dat verlof zo nodig onder begeleiding of bewaking kan plaatsvinden. De directeur heeft echter niet onderzocht of eventuele risico’s niet voldoende kunnen worden weggenomen met maatregelen.

Het gestelde risico van maatschappelijke onrust heeft de directeur thans onderbouwd door in het algemeen te verwijzen naar eerdere berichtgeving over de zaak waarin klager verdachte is. Zoals de beklagcommissie in haar beslissing van 16 juni jl. heeft overwogen, brengen ernstige strafbare feiten in het algemeen een groter risico op maatschappelijke onrust met zich. Ernstige strafbare feiten genereren in het algemeen ook media-aandacht. Dat betekent echter nog niet dat daarmee een concreet risico op maatschappelijke onrust is gegeven. Uit de bestreden beslissing en de toelichting van de directeur ter zitting blijkt niet van bijzonderheden in dit verband. Evenmin is gebleken van een concrete beoordeling door de Officier van Justitie op dit punt. Klager daarentegen heeft wel onbestreden gesteld dat zijn medeverdachten in de strafzaak niet langer zijn gedetineerd. Dit is mogelijk een contra-indicatie voor de vrees voor maatschappelijke onrust. De directeur heeft vooral benadrukt dat eventueel verlof van klager naar zijn inschatting door de nabestaanden van het slachtoffer als grievend zal worden ervaren. Die omstandigheid is naar het oordeel van de beklagcommissie onvoldoende om het gevraagde incidenteel verlof op voorhand te weigeren. Hiertoe zal een zorgvuldige belangenafweging moeten plaatsvinden.

Nog altijd is niet in geschil dat klager een zwaarwegend belang heeft bij het verlenen van verlof voor een bezoek aan zijn terminaal zieke moeder. Uit het bovenstaande volgt dat de directeur de opgevoerde weigeringsgronden wederom niet voldoende heeft gemotiveerd. Verder is het belang van klager wederom onvoldoende betrokken bij de totstandkoming van de bestreden beslissing, doordat niet is onderzocht of het verlof zo nodig onder begeleiding of bewaking kan plaatsvinden.

Het beklag zal daarom gegrond worden verklaard en de beslissing van de directeur zal worden vernietigd. De directeur is er andermaal niet in geslaagd om te onderbouwen dat weigeringsgronden zoals genoemd in de Rtvi in de weg staan aan het verlenen van incidenteel verlof. De beklagcommissie komt daarom tot de conclusie dat het niet toestaan van verlof onder de huidige omstandigheden gelet op alle betrokken belangen, getuigt van een onredelijke belangenafweging.

Het verlofverzoek van klager zal daarom worden ingewilligd, met dien verstande dat klager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen achtenveertig uur na bekendmaking van deze beslissing, gedurende één uur, en onder begeleiding en bewaking, zijn moeder te bezoeken. De beklagcommissie zal daarbij bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing.

BESLISSING

De beklagcommissie

  • verklaart het beklag gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de directeur van 18 juni 2021;
  • willigt het verlofverzoek van klager in, met dien verstande dat klager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen achtenveertig uur na bekendmaking van deze beslissing, gedurende één uur, en onder begeleiding en bewaking, zijn moeder te bezoeken;
  • bepaalt dat de uitspraak van de beklagcommissie in de plaats treedt van de vernietigde beslissing.


Aldus gegeven op 1 juli 2021 door mr. J.F.I. Sinack, voorzitter, S.C.J. Labrujère en mr. I.J.J. Bats, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, als secretaris.

Deze uitspraak hangt samen met KC2021/41.