Sla inhoud over

KC 2021/041

Datum uitspraak:
16/06/2021
Artikel:
Art. 26 Pbw, artt. 4, 21 en 32 Rtvi
Samenvatting:
Klager klaagt (KC-2021/41) over de afwijzing van het verzoek om incidenteel verlof dat hij heeft aangevraagd omdat zijn moeder ernstig ziek is en op korte termijn zal komen te overlijden. De beklagcommissie is van oordeel dat de directeur bevoegd was te beslissen op het verzoek van klager, nu klager niet behoort tot één van de bijzondere categorieën als bedoeld in artikel 32, tweede lid onder i van de Rtvi en dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 23 van de Rtvi. Zij acht de aan het besluit gelegde weigeringsgronden van artikel 4 van de Rtvi onvoldoende onderbouwd en draagt de directeur op een nieuwe beslissing te nemen. Tegen deze nieuwe afwijzende beslissing heeft klager wederom geklaagd (KC-2021/42). De beklagcommissie oordeelt dat de opgevoerde weigeringsgronden wederom onvoldoende zijn gemotiveerd en dat klager onvoldoende is betrokken bij de totstandkoming van de beslissing, doordat niet is onderzocht of het verlof zo nodig onder begeleiding of bewaking kan plaatsvinden. De beklagcommissie concludeert dat sprake is van een onredelijke belangenafweging en besluit om het verlofverzoek van klager in te willigen, met dien verstande dat klager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen achtenveertig uur na bekendmaking van de beslissing, gedurende één uur, en onder begeleiding en bewaking, zijn moeder te bezoeken.
Uitspraak:

Deze uitspraak hangt samen met KC-2021/042.

De beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij Penitentiaire Inrichting Middelburg, locatie Torentijd te Middelburg.


Beslissing van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht van de Penitentiaire Inrichting Middelburg, locatie Torentijd te Middelburg op het klaagschrift, ingediend door:


[…], hierna genoemd klager, destijds verblijvende in de P.I. Middelburg, locatie Torentijd.
gemachtigde: mr. S.G.H. van de Kamp, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

Het procesverloop
Klager heeft per e-mail door tussenkomst van zijn gemachtigde op 9 juni 2021 een klaagschrift ingediend. 

De directeur heeft op 10 juni 2021 een verweerschrift ingediend.

Op 14 juni 2021 zijn klager, zijn gemachtigde en de directeur via een beeldverbinding gehoord door de beklagcommissie.


Het geschil en de beoordeling daarvan
Klager beklaagt zich over een beslissing van de directeur van 8 juni 2021 waarbij zijn verzoek om incidenteel verlof is afgewezen. Klager heeft dit verlof gevraagd, omdat zijn moeder ernstig ziek is en op korte termijn zal komen te overlijden.


De directeur heeft het verzoek afgewezen, onder verwijzing naar forse risico’s. Allereerst ziet de directeur een gerede kans dat klager zich (opnieuw) aan vervolging zal proberen te onttrekken. Daarnaast betreft het een zaak die voor de nodige sociale onrust heeft gezorgd en zou het bekend worden van het verlenen van verlof opnieuw sociale onrust teweeg kunnen brengen, waarbij een confrontatie met slachtoffers niet uitgesloten kan worden. Het gaat om een zeer ernstig feit, waarbij een zeer forse gevangenisstraf zeker niet ondenkbaar is, aldus de directeur in de bestreden beslissing.


In het klaagschrift erkent klager dat de strafrechtelijke verdenking tegen hem ernstig is, maar hij verzet zich tegen de aanname dat er in dit geval geen enkele ruimte kan zijn voor enige vorm van verlof. Dat zou volgens hem onmenselijk zijn en in strijd met de onschuldpresumptie, nu hij nog niet onherroepelijk is veroordeeld. Klager is van mening dat de afwijzing van zijn aanvraag minimaal is gemotiveerd en zonder dat een belangenafweging heeft plaatsgehad of is gekeken naar eventuele beperkende voorwaarden. Hij wijst erop dat de nabestaanden van het slachtoffer niet in dezelfde regio wonen als zijn moeder en dat het risico op contact zou kunnen worden ondervangen met voorwaarden als een contactverbod/locatiegebod. Het vluchtgevaar kan worden ondervangen door maatregelen als geboeid vervoer, stok in de broek en begeleiding door DV&O / het team bijzonder vervoer. De gestelde maatschappelijke onrust dient te worden afgewogen tegen de bijzondere situatie: het betreft een kortdurend bezoek aan de doodzieke moeder van klager, op een niet-publieke plaats, onder het treffen van beveiligingsmaatregelen.


Op grond van artikel 26 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan het aan de gedetineerde worden toegestaan om de inrichting te verlaten. Ter uitvoering van deze bevoegdheid bevat de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi) nadere regels. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Rtvi beslist de minister over het verlenen van incidenteel verlof, indien het openbaar ministerie anders dan de directeur tot afwijzing adviseert of het een verzoek betreft van een gedetineerde die behoort tot een bijzondere categorie als bedoeld in het tweede lid, waaronder die genoemd onder i: personen die zijn gedetineerd wegens een delict waarbij sprake was of is van een grote mate van maatschappelijke onrust. In de overige gevallen beslist de directeur.


Allereerst moet uit het gegeven dat de directeur op het verzoek heeft beslist worden afgeleid dat deze kennelijk van oordeel is dat klager niet behoort tot de bijzondere categorie als bedoeld in artikel 32, tweede lid, onder i van de Rtvi. Het gestelde risico op maatschappelijke onrust is in de bestreden beslissing toegelicht door te overwegen dat het delict waarvan klager wordt verdacht eerder voor sociale onrust heeft gezorgd en dat het verlenen van verlof opnieuw sociale onrust kan veroorzaken. Buiten de gevreesde confrontatie met slachtoffers is dit niet geconcretiseerd. In het verweerschrift is verwezen naar het advies van de Officier van Justitie. Deze wijst erop dat eiser wordt verdacht van een zeer ernstig feit (het om het leven brengen en in stukken zagen van een slachtoffer) en stelt dat het maatschappelijk belang zwaarder dient te wegen. Volgens de Officier van Justitie komt daar nog bij dat het even op vrije voeten komen van klager in een zaak als deze tot de nodige maatschappelijke commotie kan gaan leiden.


Op grond hiervan kan ook naar het oordeel van de beklagcommissie niet worden geconcludeerd dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 32, tweede lid, onder i, van de Rtvi. Dat ernstige strafbare feiten, zoals die waarvan klager wordt verdacht, in het algemeen een groter risico op maatschappelijke onrust met zich brengen, neemt niet weg dat deze omstandigheid zoveel mogelijk dient te worden geconcretiseerd en geobjectiveerd. In het advies van de Officier van Justitie en de bestreden beslissing wordt slechts verwezen naar een algemeen risico.


Nu in dit geval zowel de Officier van Justitie als de directeur concluderen tot afwijzing van het verzoek en niet is gebleken dat klager behoort tot één van de bijzondere categorieën als bedoeld in het tweede lid, was de directeur bevoegd om op het verzoek van klager te beslissen.


Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Rtvi kan incidenteel verlof worden verleend voor het bijwonen van gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is. Artikel 23 van de Rtvi noemt specifiek de mogelijkheid van incidenteel verlof voor een bezoek aan een in levensgevaar of ernstige psychische nood verkerende ouder. Ingevolge het tweede lid van artikel 21 van de Rtvi kan het verlof indien nodig onder begeleiding of bewaking plaatsvinden.


Niet in geschil is dat de moeder van klager ernstig ziek is. In het bestreden besluit is opgemerkt dat dit door tussenkomst van het Bureau Individuele Medische Aangelegenheden (BIMA) is vastgesteld. In het klaagschrift is de medische situatie van klagers moeder als volgt beschreven: Recentelijk is bij haar longkanker geconstateerd met vele uitzaaiingen, waaronder in het hoofd. Hierdoor heeft zij te kampen met toevallen, is haar rechterkant uitgevallen en wordt haar spraak en denken belast. Ter zitting is besproken dat de toestand van klagers moeder gaandeweg verslechtert. Inmiddels heeft zij een euthanasieaanvraag gedaan. Het voornemen bestaat om op donderdag 17 juni a.s. afspraken te maken over het moment om hieraan uitvoering te geven. Klagers moeder heeft uitdrukkelijk aangegeven dit pas te willen doen na een laatste bezoek van klager.


Uit het voorgaande volgt dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 23 van de Rtvi.


Op grond van artikel 4 van de Rtvi wordt verlof geweigerd indien zich een in dat artikel opgenomen weigeringsgrond voordoet. Artikel 4 noemt hierbij onder meer (onder a) het ernstig vermoeden dat de gedetineerde zich aan de detentie zal proberen te onttrekken, (onder g) het risico van ongewenste confrontatie van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij het door de gedetineerde gepleegde misdrijf, en (onder i) het risico van maatschappelijke onrust.


Klager heeft ter zitting de feitelijke grondslag voor het aannemen van vluchtgevaar betwist. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de directeur in dit verband stelt dat klager voorafgaand aan zijn aanhouding naar het buitenland zou zijn gevlucht om zich aan vervolging te onttrekken. Volgens klager is dit een onjuiste veronderstelling van de directeur, aangezien klager voorafgaand aan zijn aanhouding gewoon contact had met justitie. De beklagcommissie stelt vast dat de Officier van Justitie in zijn advies over de verlofaanvraag niet spreekt over vluchtgevaar. Nu de directeur het standpunt van klager niet gemotiveerd heeft bestreden en het vluchtgevaar ter zitting niet verder heeft toegelicht, is onduidelijk gebleven waar het door hem gestelde ernstige vermoeden op is gebaseerd. Overigens volgt uit de mogelijkheid om het verlof zo nodig onder begeleiding of bewaking te laten plaatsvinden dat deze weigeringsgrond eerst kan worden ingeroepen indien het vluchtgevaar redelijkerwijs niet voldoende met voorwaarden en/of maatregelen valt in te dammen. Niet is gebleken dat de directeur hier onderzoek naar heeft gedaan.


Gelet hierop heeft de directeur de aanvraag niet op grond van vluchtgevaar kunnen afwijzen.


Voor wat betreft het risico van ongewenste confrontatie van slachtoffers (of anderszins betrokkenen) is door klager onbestreden gesteld dat de nabestaanden van het slachtoffer in zijn zaak in België wonen, op grote afstand van zijn moeder, zodat geen sprake is van een reëel risico dat zij ongevraagd met klager zullen worden geconfronteerd. In het verweerschrift is nog wel gewezen op het feit dat het verlenen van verlof moet worden gemeld aan de slachtoffers/nabestaanden. Ter zitting heeft de directeur aanvullend gewezen op het dan aanwezige risico dat zij of anderen de confrontatie met klager zullen opzoeken. De beklagcommissie stelt vast dat uit het advies van de Officier van Justitie, noch anderszins blijkt van enige aanwijzing in dit verband. Daarnaast is niet gebleken dat onderzoek is gedaan naar mogelijke condities waaronder een dergelijke confrontatie kan worden voorkomen en de voorwaarden en/of maatregelen die daartoe redelijkerwijs kunnen worden getroffen.


Gelet hierop heeft de directeur het gestelde risico op confrontatie met slachtoffers of nabestaanden niet aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag kunnen leggen.


Nu ten slotte ook het gestelde risico van maatschappelijke onrust niet is geconcretiseerd en geobjectiveerd, kan de beklagcommissie de door de Officier van Justitie geadviseerde en door de directeur overgenomen belangenafweging niet volgen, omdat hiermee onvoldoende recht wordt gedaan aan de uitzonderlijke situatie waarin klager zich thans bevindt. Voor klager is het gevraagde incidenteel verlof namelijk een laatste kans om bij leven afscheid te nemen van zijn moeder. Waar de Officier van Justitie en de directeur de nadruk leggen op de ernst van het delict en de belangen van de nabestaanden, geldt dat de ernst van het delict als zodanig geen weigeringsgrond is. Daarnaast is klager verdachte en geen veroordeelde.


Dit betekent dat het beklag gegrond zal worden verklaard en dat de beslissing van de directeur zal worden vernietigd. Gezien de omstandigheden waarin de moeder van klager verkeert, zal op korte termijn opnieuw op het verzoek moeten worden beslist. Ter zitting heeft de directeur desgevraagd verklaard dat dit binnen enkele dagen mogelijk moet zijn. De beklagcommissie zal de directeur dan ook opdragen om vóór vrijdag 18 juni om 17.00 uur een nieuwe beslissing te nemen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Dat betekent dat ook het Openbaar Ministerie opnieuw om advies zal moeten worden gevraagd. Indien daarbij een situatie ontstaat als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Rtvi, zal de directeur het verzoek onverwijld voor verdere behandeling moeten doorzenden aan de Minister.

BESLISSING
De beklagcommissie

  • verklaart het beklag gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de directeur van 8 juni 2021;
  • bepaalt dat de directeur vóór vrijdag 18 juni om 17.00 uur opnieuw op het verzoek beslist, met inachtneming van hetgeen in deze beslissing is overwogen.

Aldus gegeven op 16 juni 2021 door mr. J.F.I. Sinack, voorzitter, en S.C.J. Labrujère en mr. I. van der Hoeven, leden, in tegenwoordigheid van R. Ben Sellam, als secretaris.

Deze uitspraak hangt samen met KC-2021/042.