Sla inhoud over

KC 2021/040

Datum uitspraak:
29/06/2021
Artikel:
Artt. 24 en 24a Pbw
Samenvatting:
Aan klager is een ordemaatregel opgelegd van veertien dagen verblijf in afzondering. De directeur had signalen gekregen dat klager ‘klappen zou krijgen’ omdat hij werd gezien als dader van een incident op de arbeidszaal waarbij vier medewerkers mogelijk waren vergiftigd. Omdat klager aangaf niet te zullen eten en drinken, heeft de directeur bovendien besloten klager onder cameratoezicht te plaatsen. Klager wijst betrokkenheid bij het incident af en kan zich daarom niet verenigen met de beslissingen van de directeur. De beklagcommissie overweegt allereerst dat niet ter beoordeling staat of klager betrokken is geweest bij de vermoedelijke vergiftiging. Ten aanzien van zowel de ordemaatregel als het cameratoezicht, is de beklagcommissie van oordeel dat de directeur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het noodzakelijk was ter bescherming van klager. De directeur heeft gehandeld in lijn met zijn zorgplicht jegens klager en heeft hierbij de wettelijk procedures gevolgd. De beklagcommissie is bovendien van oordeel dat beide maatregelen niet langer hebben geduurd dan strikt noodzakelijk was. Er is volgens de beklagcommissie dan ook geen sprake van strijdigheid met wet- en regelgeving, noch zijn de beslissingen van de directeur onredelijk of onbillijk. De beklagcommissie verklaart het beklag ongegrond.
Uitspraak:


De beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij Penitentiaire Inrichting Almelo te Almelo.


Beslissing van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht van de P.I. Almelo op het klaagschrift, ingediend door:


[…], hierna genoemd klager, destijds verblijvende in de P.I. Almelo.


De onderliggende stukken

De beklagcommissie heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift ingediend namens klager door mr. V. Poelmeijer, gedateerd 28 mei 2021 en op dezelfde datum ontvangen door de Commissie van Toezicht;
  • het verweerschrift met bijlagen, ingediend door H.C.F. Geers, plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de P.I. Almelo, gedateerd 21 juni 2021 en op dezelfde datum ontvangen door de Commissie van Toezicht.


Inleiding

Op dinsdag 18 mei 2021 na de ochtendarbeid vertoonden de vier werkmeesters van arbeidszaal 6 in de P.I. Almelo verschijnselen die zouden kunnen wijzen op de ongewenste inname van drugs of medicatie. Allen hebben contact gehad met hun huisarts en één van de medewerkers is daarna naar de eerste hulp van het ziekenhuis geweest.


De politie heeft ter plaatse onderzoek verricht en voorwerpen veilig gesteld voor sporenonderzoek. Na een eerste onderzoek ontstond het vermoeden dat er sprake was van vergiftiging door het drinken van koffie tijdens de ochtendpauze met de gedetineerden. Deze koffie is door een gedetineerde aan de medewerkers gegeven. Na overleg met de politie heeft de directeur vervolgens aan alle gedetineerden die op dinsdagochtend 18 mei 2021 in arbeidszaal 6 aanwezig waren geweest een ordemaatregel van zeven dagen verblijf in eigen cel opgelegd, of zoveel korter of langer als dat noodzakelijk zou zijn. Tijdens deze periode is het loon van de gedetineerden doorbetaald en mochten zij de tv in hun cel behouden. Ook heeft de ordemaatregel geen gevolgen gehad voor het regime waarin de gedetineerden verbleven en zij zijn zoals in de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) is bepaald onder meer in de gelegenheid gesteld om dagelijks een uur te luchten, om tien minuten per week te telefoneren en om te douchen. Na zeven dagen, op dinsdagmiddag 25 mei 2021, heeft de politie aan de directeur te kennen gegeven dat de veiliggestelde sporen moesten worden onderzocht door het NFI. Vanwege de hoeveelheid werk bij het NFI zou dit onderzoek waarschijnlijk de nodige tijd kosten. Omdat nog onduidelijk was of en zo ja welke stof er in de koffie heeft gezeten en er (daarom) voor de politie op dat moment te weinig aanknopingspunten waren om gedetineerden te verhoren, is besloten de ordemaatregel per dinsdag 25 mei 2021 om 17:00 uur op te heffen.


Aan klager is vervolgens een ordemaatregel van veertien dagen verblijf in afzondering (de ‘isoleercel’) opgelegd, omdat de directeur signalen had gekregen dat medegedetineerden klager klappen wilde geven omdat zijn naam rond zou gaan als dader van de vergiftiging. Daarnaast heeft de directeur op 26 mei 2021 de maatregel van observatie door middel van cameratoezicht opgelegd, omdat klager had laten weten niet meer te zullen gaan eten en drinken.


Inhoud klaagschrift

Klager is het niet eens met de ordemaatregel van 25 mei 2021 en het daaraan gekoppelde cameratoezicht. Klager wijst iedere betrokkenheid bij de vermoedelijke vergiftiging van de hand en het is voor hem onduidelijk waarom hij na de eerdere ordemaatregel veertien dagen in afzondering moet blijven. Daarnaast stelt hij dat het opleggen van een ordemaatregel juist bijdraagt aan de geruchten dat klager hierbij betrokken zou zijn.


Het verweerschrift van de directeur

Op 26 mei 2021 heeft de directeur vanwege de dreiging een overplaatsingsverzoek voor klager ingediend bij de selectiefunctionaris. In afwachting daarvan is klager voor zijn eigen veiligheid in afzondering geplaatst. De signalen dat medegedetineerden het op klager hadden voorzien kreeg de directeur van medewerkers en meerdere gedetineerden van de afdeling. De directeur is van mening dat hij, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten klager in afzondering te plaatsen. Uiteindelijk is klager op 31 mei 2021 overgeplaatst. Tot dat moment heeft hij in afzondering verbleven.


Omdat klager tijdens zijn verblijf in afzondering weigerde te eten en drinken is hem op 26 mei 2021 een maatregel ter observatie door middel van cameratoezicht opgelegd. Deze maatregel is een dag later weer beëindigd, omdat klager toen weer at en dronk.


Wat de directeur betreft moet de klacht ongegrond worden verklaard.


Behandeling ter zitting

Tijdens de beklagzitting op 29 juni 2021 is de klacht door de beklagcommissie behandeld. Van directiezijde zijn, middels een Skypeverbinding met de rechtbank Almelo, verschenen, de heer Geers, plv. vestigingsdirecteur en mevrouw Huisman, juridisch medewerker. Ook klager en zijn raadsman waren via een (afzonderlijke) Skypeverbinding aanwezig.


Tijdens de zitting hebben klager en zijn raadsman bevestigd dat de klacht niet ziet op de eerste ordemaatregel van 18 mei 2021, maar op de tweede ordemaatregel van 25 mei 2021. Gesteld is dat de directeur nauwelijks concreet maakt dat er aanwijzingen waren dat medegedetineerden het op klager voorzien zouden hebben. Bovendien heeft klager niets van een eventuele dreiging gemerkt.


De directeur heeft tijdens de zitting te kennen gegeven dat observatie door middel van cameratoezicht een standaardregel is als gedetineerden weigeren te eten en drinken. Dat medegedetineerden klager klappen wilden geven heeft de directeur van meerdere personen vernomen. Daarom kon klager niet terug naar de afdeling. Klager is degene geweest die koffie aan de medewerkers heeft gegeven. Toen de tweede ordemaatregel werd opgelegd na afloop van de eerste ordemaatregel op 25 mei 2021 om 17:00 uur kon het overplaatsingsverzoek niet meteen worden gedaan, omdat het al na 17:00 uur was. Het overplaatsingsverzoek is daarom direct op woensdagmorgen 26 mei 2021 bij de selectiefunctionaris gedaan.


Het oordeel van de beklagcommissie

De ontvankelijkheid van het klaagschrift

Het klaagschrift is ingediend binnen de wettelijke termijn en ook overigens ontvankelijk.


De inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift

De beklagcommissie stelt voorop dat geen sprake is van een disciplinaire straf, maar van een ordemaatregel. De directeur is bevoegd tot vergaande ingrepen in de bewegingsvrijheid van gedetineerden, onder meer als dat noodzakelijk is voor handhaving van de orde of veiligheid in de inrichting of ter bescherming van een gedetineerde. Omdat geen sprake is van een disciplinaire straf, staat niet ter beoordeling van de beklagcommissie of klager betrokken is geweest bij de vermoedelijke vergiftiging van medewerkers van de P.I..


Uit artikel 23 lid 1 onder a van de Pbw in samenhang met artikel 24 lid 1 van de Pbw volgt dat de directeur een gedetineerde een ordemaatregel kan opleggen als de gedetineerde tegen zichzelf of tegen anderen moet worden beschermd. Naar het oordeel van de beklagcommissie heeft de directeur aannemelijk gemaakt dat het noodzakelijk was om klager te beschermen. De directeur heeft hierover verklaard dat hij signalen had ontvangen van medewerkers en meerdere gedetineerden dat de dader klappen zou krijgen en dat de naam van klager daarbij zou rondgaan als dader. Dat die signalen door de directeur niet concreter zijn gemaakt – of vanwege de veiligheid van anderen wellicht niet kunnen worden gemaakt – maakt dat niet anders. De directeur heeft een zorgplicht voor de gezondheid van gedetineerden die in zijn inrichting verblijven. Daarom kon de directeur naar het oordeel van de beklagcommissie in dit geval beslissen om een ordemaatregel op te leggen en klager in afzondering te plaatsen. Zoals artikel 24 lid 6 van de Pbw voorschrijft heeft de directeur de Commissie van Toezicht hiervan bovendien terstond op de hoogte gebracht. Op een minder ingrijpende manier had de directeur de gezondheid van klager in dit geval niet kunnen beschermen. De directeur heeft verder uitgelegd waarom het overplaatsingsverzoek op woensdagochtend 26 mei 2021 is ingediend en niet meteen kon worden ingediend op dinsdag 25 mei 2021, gelijktijdig met het opleggen van de ordemaatregel. Gelet daarop stelt de beklagcommissie vast dat de directeur zo snel mogelijk een overplaatsingsverzoek heeft ingediend. Het overplaatsingsverzoek is op 31 mei 2021 toegewezen, waarna klager nog dezelfde dag is overgeplaatst. Tot dat moment heeft hij, in totaal dus zes dagen, in afzondering verbleven. De maatregel heeft daarmee niet langer geduurd dan strikt noodzakelijk. Het opleggen van deze ordemaatregel is naar het oordeel van de beklagcommissie niet in strijd met de wet en ook niet onredelijk of onbillijk.


Voor zover de klacht ziet op de maatregel van observatie met cameratoezicht volgt uit artikel 24a van de PBW dat de directeur, indien dit ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de gedetineerde noodzakelijk is, kan bepalen dat de gedetineerde die in afzondering verblijft, dag en nacht door middel van een camera wordt geobserveerd. Daarvoor dient de directeur het advies van een gedragsdeskundige of inrichtingsarts in te winnen. Tijdens de beklagzitting heeft de directeur te kennen gegeven dat deze maatregel standaard wordt opgelegd als een gedetineerde weigert te eten en drinken. Uit de schriftelijke beslissing blijkt dat deze maatregel is opgelegd in overleg met de inrichtingsarts. Klager heeft zijn klacht op dit punt nauwelijks onderbouwd. De beklagcommissie is van oordeel dat de directeur kon beslissen dat de lichamelijke of geestelijke toestand van klager het opleggen van deze maatregel noodzakelijk maakte. Ook hier geldt dat de directeur een zorgplicht heeft voor de gezondheid van gedetineerden die in zijn inrichting verblijven. Aan de wettelijke eisen van het opleggen van deze maatregel is voldaan. Bovendien heeft de maatregel niet langer geduurd dan strikt noodzakelijk, omdat de observatie is beëindigd toen klager weer at en dronk. De beslissing dat klager geobserveerd zou worden met cameratoezicht is naar het oordeel van de beklagcommissie niet in strijd met de wet en ook niet onredelijk of onbillijk.


Dat betekent dat de klacht ongegrond zal worden verklaard.


BESLISSING

De beklagcommissie verklaart het klaagschrift ongegrond.


Aldus gegeven op 29 juni 2021 door mr. J.P. Ponsteen, voorzitter, M.J.J. Huis in ‘t Veld en mr. M.H. van der Lecq, leden, bijgestaan door W.H. Bomans-Weekhout, secretaris.