Sla inhoud over

KC2021/039

Datum uitspraak:
15/06/2021
Artikel:
Artt. 24 en 24a Pbw
Samenvatting:
Klager is bij binnenkomst in de inrichting op de ‘bollenafdeling’ geplaatst waar hij onder constant cameratoezicht stond en uitgesloten werd van deelname aan alle activiteiten m.u.v. dagelijks één uur verblijf in de buitenlucht. Klager stelt dat er t.a.v. hem geen vermoeden bestond hij contrabande in zijn lichaam zou hebben en dat de uitzondering van deelname aan activiteiten en het cameratoezicht daarom onterecht is. De directeur stelt dat klager een ‘bollenindicatie’ had en dat het beperkte dagprogramma en het cameratoezicht onderdeel is van het regime op de bollenafdeling. De beklagcommissie oordeelt, allereerst, dat er in het DCS enkel een regime van beperkte gemeenschap geldt waarin geen ruimte is voor de standaardtoepassing van cameratoezicht dan wel afzondering. De beklagcommissie oordeelt voorts dat niet is gebleken dat ten aanzien van klager een vermoeden bestond dat hij contrabande in zijn lichaam had. Gelet hierop is de beklagcommissie van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat er op 2 februari 2021 een noodzaak bestond om klager onder constante cameraobservatie te plaatsen en uit te sluiten van deelname aan activiteiten of dat de directeur deze noodzaak redelijkerwijs aan heeft mogen nemen. De beklagcommissie verklaart het beklag gegrond en kent aan klager een tegemoetkoming van € 45,- toe.
Uitspraak:

De beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp.


De beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij het Detentiecentrum Schiphol (DCS) heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:


[…], verder te noemen klager en op dit moment niet langer gedetineerd.  


Het klaagschrift is gericht tegen de beslissing van beslissing van 2 februari 2021 om klager op een afdeling te plaatsen waar klager dag en nacht onder cameratoezicht staat en waar klager, met uitzondering van een uur verblijf in de buitenlucht, niet aan activiteiten deel kan nemen.


Klager wordt in deze procedure bijgestaan door mr. V. Mes. De directeur heeft schriftelijk gereageerd op de klacht. Klager en zijn raadsman hebben van deze reactie kennis kunnen nemen. De klacht is behandeld op een beklagzitting, in aanwezigheid van klagers raadsman en namens de directie, dhr. R. Moree. Klager heeft vanuit het DCS telefonisch aan de zitting deelgenomen. Vanwege de geldende maatregelen tegen de verspreiding van het coronavirus, heeft de zitting via videobellen plaatsgevonden. Voorafgaand aan de zitting heeft klagers raadsman een aanvullend stuk overlegd. De directeur heeft van dit stuk kennis kunnen nemen en hier ter zitting op gereageerd.


In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagcommissie kennisgenomen van de volgende informatie:

  • klaagschrift van 3 februari 2021, door het secretariaat ontvangen op 4 februari 2021;
  • verweerschrift van de directeur van 10 maart 2021, inclusief bijlagen;
  • aanvullend stuk van klager van 29 januari 2021, door het secretariaat ontvangen op 17 mei 2021;
  • het verhandelde ter zitting van 17 mei 2021, hieronder kort uiteengezet voor zover niet gebleken uit de schriftelijke bescheiden.


Het standpunt van klager

Klager is na zijn aanhouding in het politiebureau in een observatiecel geplaatst omdat het vermoeden bestond dat er zich bolletjes drugs in zijn lichaam bevonden. Later is klager teruggeplaatst in een reguliere cel. Klagers raadsman voert aan dat uit het aanvullende stuk van 29 januari 2021, betreffende een pagina uit klagers dossier, kan worden opgemaakt dat een arts en de Officier van Justitie hebben verklaard dat het vermoeden van aanwezigheid van contrabande in klagers lichaam niet langer bestond. Kennelijk verkeerde de directeur in de veronderstelling dat klager een zogenaamde ‘bollenindicatie’ had waardoor hij bij binnenkomst in het DCS direct op een afdeling is geplaatst waar hij onder constant cameratoezicht stond en niet aan activiteiten deel mocht nemen. Deze indicatie had klager niet. De door de directeur genomen beslissing is erg ingrijpend geweest voor klager. De maatregel is disproportioneel en bovendien strijdig met artikel 8 EVRM. Er is daarnaast onvoldoende met klager gecommuniceerd over deze beslissing. Klagers raadsman voert aan dat het een beslissing is van de directeur die klager betreft en dat klager daarom moet worden ontvangen in zijn beklag. Het is hierbij niet relevant of deze beslissing deel uitmaakt van een standaardprocedure in het DCS. Klagers raadsman voert tot slot aan dat een mogelijke miscommunicatie over de indicatie van klager niet af doet aan het feit dat de directeur een ingrijpende beslissing heeft genomen ten aanzien van klager en hiervoor verantwoordelijkheid draagt.


Het standpunt van de directie

De directeur stelt dat klager bij binnenkomst in het DCS op 2 februari 2021 een ‘bollenindicatie’ had. Hij is om die reden direct op de bollenafdeling (B3B) geplaatst. Hier worden alle gedetineerden 24 uur per dag onder cameratoezicht gehouden. Dit is ter bescherming van klager. Op de bollenafdeling geldt voor alle gedetineerden hetzelfde regime, namelijk constant cameratoezicht en als enkele activiteit één uur per dag luchten. Na drie maal schone ontlasting worden gedetineerden overgeplaatst naar een reguliere afdeling. Bij klager was dit op 5 februari 2021. Volgens de directeur staat er geen beklag open tegen deze beslissing omdat dit regime voor alle gedetineerden op de afdeling geldt. Ter zitting stelt de directeur dat hij niet de verantwoordelijkheid draagt over gedetineerden die via de Koninklijke Marechaussee binnenkomen.  Nu klager op 1 februari 2021 is voorgeleid aan de rechter-commissaris, geeft de directeur aan dat klager op 2 februari 2021 kennelijk onder zijn verantwoordelijkheid viel. Aan klager is de standaardmaatregel opgelegd omdat het vermoeden bestond dat er contrabande in zijn lichaam aanwezig was. Dit vermoeden volgde uit het voorgeleidingsformulier dat bij het verweerschrift is gevoegd.


De beoordeling

Klager heeft zijn beklag gedaan binnen de wettelijke termijn en gegrond op artikel 60 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).


Ten aanzien van de stelling van de directeur dat het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden omdat het een klacht betreft die zich richt tegen het ‘algemene regime op de afdeling’, overweegt de beklagcommissie het volgende. Uit de bestemmingsaanwijzing van het DCS van 1 juli 2020 volgt dat op alle afdelingen in het DCS, waaronder afdeling B3B, een regime van beperkte gemeenschap geldt. Uit artikel 21 van de Pbw volgt dat dit regime niet voorziet in de mogelijkheid om gedetineerden standaard te onderwerpen aan constante cameraobservatie of uitsluiting van deelname aan activiteiten. Dit betekent dat er op de afdeling B3B geen sprake is van een regime in de zin van artikel 1 onder q van de Pbw waarbij sprake is van constant cameratoezicht en als enkele activiteit één uur per dag luchten. De keuze om een gedetineerde te onderwerpen aan constant cameratoezicht en uitsluiting van deelname aan activiteiten is een beslissing van de directeur die klager betreft. Dit bekent dat klager kan worden ontvangen in zijn beklag.


Op grond van artikel 23 en 24 van de Pbw kan de directeur een gedetineerde in afzondering plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, indien dit ter bescherming van de betrokken gedetineerde noodzakelijk is, in geval van ziekmelding of ziekte van de gedetineerde of indien de gedetineerde hierom verzoekt en de directeur dit verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt. Ingevolge artikel 24a van de Pbw kan een gedetineerde die in een afzonderingscel verblijft, dag en nacht door middel van een camera worden geobserveerd mits dit ter bescherming van de geestelijke of lichamelijke toestand van de gedetineerde noodzakelijk is. Op grond van artikel 58 lid 1 van de Pbw dient een gedetineerde van een dergelijke beslissing een schriftelijke en met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling te ontvangen.


De beklagcommissie stelt vast dat klager op 2 februari 2021 op afdeling B3B is geplaatst. Dit is de zogenaamde ‘bollenafdeling’ waar gedetineerden dag en nacht onder cameratoezicht staan en niet deelnemen aan activiteiten, met uitzondering van één uur verblijf in de buitenlucht per dag. Klager heeft op deze afdeling verbleven tot 5 februari 2021.


Aan klager is op 2 februari 2021 een beschikking uitgereikt. Deze beschikking is bij het verweerschrift van de directeur van 10 maart 2021 gevoegd. Na navraag bij het DCS is gebleken dat de leesbaarheid van deze bijlage overeenkomt met de leesbaarheid van de beschikking die aan klager is uitgereikt. De beklagcommissie stelt vast dat de beschikking dusdanig slecht leesbaar is dat naar haar oordeel niet aan de vereisten van artikel 58 van de Pbw is voldaan. Klager heeft uit deze beschikking immers niet op kunnen maken welke beslissing ten aanzien van hem is genomen, op grond waarvan deze beslissing is genomen, voor hoe lang de maatregelen duren en op welke manier klager schorsing aan kan vragen bij de beroepscommissie hangende een eventuele beklagzaak. Dit is, gelet op de ingrijpende aard van de aan klager opgelegde maatregel, een ernstig formeel gebrek.


De beklagcommissie overweegt dat bij een redelijk vermoeden van aanwezigheid van contrabande in het lichaam van een gedetineerde, er redelijkerwijs een ordemaatregel aan deze gedetineerde opgelegd kan worden die inhoudt dat de gedetineerden in afzondering en onder constant cameratoezicht wordt geplaatst. De wettelijke grondslag voor een dergelijk besluit is artikel 23 lid 1 onder b jo. artikel 24 en 24a van de Pbw.


Het is de beklagcommissie echter niet gebleken dat dit daadwerkelijk de wettelijke grondslag is geweest voor de opgelegde maatregel. Dit is uit de beschikking van 2 februari 2021 immers niet op te maken, wordt niet vermeld in het verweerschrift en de directeur heeft dit ook ter zitting niet gesteld. De beklagcommissie overweegt, daarnaast, dat ten aanzien van klager niet is gebleken dat hij een zogenaamde ‘bolletjesindicatie’ had. Uit het voorgeleidingsformulier dat bij het verweerschrift van de directeur is gevoegd, blijkt slechts dat klager is aangehouden met ‘32 (verse) bolletjes cocaïne’ en dat klager op het politiebureau tijdelijk in een observatiecel heeft verbleven. Kennelijk bevonden de bolletjes zich bij klager zijn aanhouding niet in het lichaam van klager en is hij al voor dat hij is overgeplaatst naar het DCS teruggeplaatst naar een reguliere cel op het politiebureau. Uit het aanvullend stuk van klagers raadsman van 29 januari 2021 blijkt zelfs dat volgens de dienstdoende hulpofficier van justitie het vermoeden dat klager bolletjes in zijn lichaam heeft of heeft gehad, niet bestond en dat een inwendig onderzoek om die reden niet noodzakelijk was. Gelet hierop is de beklagcommissie van oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er op 2 februari 2021 een noodzaak bestond om klager dag en nacht onder cameraobservatie te plaatsen en daarnaast uit te sluiten van deelname aan activiteiten. Het is volgens de beklagcommissie evenmin aannemelijk geworden dat de directeur deze noodzaak redelijkerwijs heeft mogen aannemen op grond van de informatie uit het voorgeleidingsformulier. Dit formulier was immers drie dagen voor klagers binnenkomst in het DCS opgesteld. Het had op de weg van de directeur gelegen om, bij het opleggen van een dusdanig ingrijpende maatregel, na te gaan of en zo ja, op grond waarvan er een vermoeden bestond dat klager op 2 februari 2021 contrabande in zijn lichaam had.


Gelet op het voorgaande is de beklagcommissie van oordeel dat de op 2 februari 2021 door de directeur genomen beslissing strijdig is met wet- en regelgeving. De beklagcommissie zal het beklag daarom gegrond verklaren.


Nu de gevolgen van de aan klager opgelegde beperkende maatregel niet meer ongedaan te maken zijn, zal de beklagcommissie met inachtneming van het bepaalde in artikel 68 lid 7 van de Pbw aan klager een financiële tegemoetkoming toekennen. Volgens de standaardbedragen voor tegemoetkomingen van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) geldt voor een onterecht verblijf in een afzonderingscel een tegemoetkoming van €10,- per dag. De beklagcommissie ziet aanleiding om dit bedrag met 50% te verhogen omdat klager niet alleen in afzondering heeft verbleven, maar tevens onder constant cameratoezicht is geplaatst. Nu klager drie dagen heeft verbleven in een afzonderingscel waarin hij dag en nacht onder cameratoezicht stond, zal de beklagcommissie aan klager een tegemoetkoming van in totaal €45,- toekennen.


BESLISSING

De beklagcommissie verklaart het beklag gegrond en kent aan klager een tegemoetkoming van €45,- toe.


Aldus gegeven op 15 juni 2021 door mr. M.P.M. Loos (voorzitter), drs. E.M.S. Arduin en mr. J.C. Hooker-Martins Rodrigues (leden), bijgestaan door de secretaris mr. J.M. Grubben.