Sla inhoud over

KC 2021/037

Datum uitspraak:
06/04/2021
Artikel:
50, 51, 58 lid 1 Pbw, 1d Spog
Samenvatting:
Klager beklaagt zich over een naar aanleiding van een positieve urinecontrole aan hem opgelegde disciplinaire straf van 7 dagen opsluiting in eigen cel of verblijfsruimte zonder tv en terugplaatsing in het basisregime. Klager stelt nog nooit cocaïne te hebben gebruikt of positief gescoord te hebben en hij vermoedt dat dit aan zijn eten of drinken is toegevoegd vanwege een situatie op de afdeling. De directie betwist niet dat klager een voorbeeld gedetineerde is en dat het vinden van cocaïne in de urine ook moeilijk valt te rijmen met klagers gedrag binnen de inrichting. Echter de stelling dat klager 'erbij gelapt' is kan niet hard worden gemaakt. De disciplinaire straf is niet binnen 24 uur uitgereikt. Klager is op grond van de huidige sanctiekaart en het hernieuwde toetsingskader gedegradeerd naar het basisregime. De voorzitter acht onvoldoende aannemelijk dat er sprake is geweest van opzettelijk cocaïnegebruik door klager. Het beklag 1) wordt gegrond verklaard. Gelet hierop is de directe degradatiegrond komen te vervallen. Niet is gebleken van enig negatief gedrag van klager en verder ontbreekt een schriftelijke belangenafweging die de degradatie zou rechtvaardigen. Beklag 2) wordt gegrond verklaard. Klager komt een tegemoetkoming toe van € 35,=.
Uitspraak:

De beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij Penitentiaire Inrichting Arnhem te Arnhem.
De beklagcommissie heeft kennisgenomen van de klaagschriften van […], verblijvende in P.I. Arnhem te Arnhem.

De procedure
Het klaagschrift gedateerd op 17 februari 2021, is ingekomen op 24 februari 2021.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de stukken waaronder de schriftelijke reactie van de directie op het beklag van 8 maart 2021.

Ter zitting van de beklagcommissie van 26 maart 2021 zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsman en, namens de directie, […].

De inhoud van het beklag

1) Klager beklaagt zich over het feit dat aan hem op 11 februari 2021 een disciplinaire straf is opgelegd inhoudende 7 dagen opsluiting in eigen cel of verblijfsruimte zonder televisie:

2) Klager beklaagt zich over het feit dat klager bij beslissing van de directeur van 11 februari 2021 is teruggeplaatst naar het basisregime.

De beoordeling ten aanzien van de ontvankelijkheid
Op grond van artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan een gedetineerde beklag doen over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. Het onderwerp waarover wordt geklaagd, wordt aangemerkt als een beslissing waartegen krachtens artikel 60 van de Pbw beklag open staat, zodat klager in zoverre in zijn beklag kan worden ontvangen. Nu het beklag ook binnen de wettelijke termijn (uiterlijk op de zevende dag na de dag waarop klager bekend raakte met de beslissing waarover hij klaagt) is ingediend, is het beklag ontvankelijk.

De standpunten en de beoordeling
Het standpunt van klager
Door klager is, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat hij nog nooit cocaïne heeft gebruikt. Klager denkt dat medegedetineerde [A] of [B] de cocaïne aan zijn eten of drinken heeft toegevoegd. Klager stelt dat er veel spanningen waren op de afdeling. Klager heeft de situatie ook duidelijk aan het personeel en de directie uitgelegd. Klager vermoedt dat dit te maken heeft met het feit hij een medegedetineerde  heeft verdedigd die werkzaam is in de huisdienst. Deze man werd ook bedreigd door dhr. [A]. Nadat hij zijn medegedetineerde had verdedigd, scoorde klager opeens positief op het gebruik van cocaïne. Er gebeurden volgens klager rare dingen op de BO. Ook het personeel heeft tegen klager gezegd dat zij het raar vinden dat klager positief heeft gescoord op het gebruik van cocaïne. Klager is van mening dat hij onevenredig zwaar is gestraft omdat hij ook is teruggeplaatst naar het basisregime. Dit voelt onrechtvaardig omdat hij is teruggeplaatst op grond van een feit waarvoor hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Klager stelt dat hij al drie jaar in detentie verblijft en zich altijd perfect heeft gedragen. Hij bemoeit zich verder met niemand en kookt alleen. Hij neemt altijd verantwoordelijkheid voor zijn daden. Klager stelt dat hij het geld dat hij in de inrichting verdient rechtstreeks overboekt op de rekening van zijn vrouw. Omdat hij al het geld rechtstreeks overboekt naar de rekening van zijn vrouw heeft hij ook geen geld op zijn rekeningcourant. Klager stelt dat zijn vrouw nu ook de dupe is van dit gebeuren. Zij heeft nu geen inkomen meer en raakt mogelijk haar huis kwijt. Klager stelt dat bij het personeel en de afdelingshoofden ook bekend is welke gedetineerden voor spanningen op de afdeling hebben gezorgd. Medegedetineerde [A] is volgens klager inmiddels ook overgeplaatst naar een andere inrichting en medegedetineerde [B] is intern overgeplaatst. Klager voelt zich genaaid en zijn familie is nu de dupe van deze actie.

Het standpunt van de directie
De directie heeft begrip voor klagers frustratie. Er is uitvoerig onderzoek gedaan naar de spanningen en de signalen die er waren op de BO maar het was niet mogelijk om er  de vinger op te leggen. Veel mensen zijn gehoord en ook met het personeel is gesproken. Het onderzoek heeft geen duidelijkheid gebracht. Twee gedetineerden zijn overgeplaatst. Feit blijft dat bij klager cocaïne in de urine is aangetroffen. Niet betwist wordt dat klager een voorbeeld gedetineerde is en dat het vinden van cocaïne in de urine ook moeilijk valt te rijmen met het gedrag van klager binnen de inrichting. Klager stelt dat hij 'erbij gelapt' is maar deze stelling kan niet hard worden gemaakt. Klager is destijds in afwachting van de uitslag van de urinecontrole op een ordemaatregel geplaatst. Er waren namelijk serieuze zorgen over de vraag of zijn veiligheid gewaarborgd kon worden. De disciplinaire straf is aan klager opgelegd op 11 februari. Het is juist dat de beslissing niet binnen 24 uur is uitgereikt. Verzocht wordt om deze overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten: er is sprake van een geringe overschrijding van de 24-uurs termijn die, daarnaast, is toe te schrijven aan de onrust en de grote druk die het ingestelde onderzoek heeft gegenereerd.

Klager is op grond van de huidige sanctiekaart en het hernieuwde toetsingskader rechtstreeks gedegradeerd naar het basisregime. Het gebruik van drugs wordt gezien  als ontoelaatbaar gedrag.

De voorzitter overweegt als volgt.
Ten aanzien van klacht 1)
Op grond van het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de Pbw dient een schriftelijke mededeling van een disciplinaire straf onverwijld aan de gedetineerde te worden uitgereikt. Uitgangspunt is daarbij dat een dergelijke mededeling binnen 24 uur wordt uitgereikt. Uit de stukken blijkt dat de schriftelijke beslissing tot oplegging van de disciplinaire straf op 12 februari 2021 om 19:00 uur aan klager is uitgereikt hetgeen neerkomt op een overschrijding van iets meer dan 2 uur na het ingaan van de disciplinaire straf. Gelet op het ter zitting verhandelde en de stukken in het dossier is de voorzitter van oordeel dat door de directeur verschoonbare redenen zijn aangevoerd voor deze geringe overschrijding van de 24-uurs termijn zodat de klacht op de inhoud kan worden afgedaan.


Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Regeling Urinecontrole penitentiaire inrichtingen in verbinding met artikel 50 en 51 van de Pbw kan de gedetineerde een disciplinaire straf worden opgelegd indien gebruik van gedrag beïnvloedende middelen is vastgesteld. Klager betwist niet dat hij ook na herhalingsonderzoek positief is bevonden op het gebruik van cocaïne met een waarde van meer dan 1000 POS. Naar aanleiding van deze positieve uitslag van de urinecontrole is aan klager op 11 februari 2021 een disciplinaire straf opgelegd. Klager zat daarvoor in afwachting van de uitslag van het herhalingsonderzoek op een ordemaatregel omdat werd gevreesd voor zijn veiligheid op de afdeling. Klager is van mening dat hem onrecht is aangedaan. Hij stelt dat hij niet zelf de cocaïne heeft gebruikt en dat dit mogelijk aan zijn eten of drinken is toegevoegd.

Dienaangaande overweegt de voorzitter dat klager van meet af aan consistent is geweest in zijn ontkenning dat hij cocaïne heeft gebruikt en dat de aanwezigheid van deze stof in zijn lichaam moet worden verklaard door omstandigheden die buiten zijn invloed of toedoen liggen. Hij wijst er voorts op dat hij in de inrichting nooit eerder positief is bevonden bij een urinecontrole. Dit is door de directeur niet weersproken. De directeur heeft aangegeven dat een en ander kan hebben plaats gevonden op de wijze als door klager aangegeven maar dat - voor de aanname van de juistheid van klagers verweer - geen concrete aanwijzingen zijn aangetroffen. Klager is daarentegen vasthoudend, overtuigend en consistent in zijn betoog. Tegen die achtergrond acht de voorzitter onvoldoende aannemelijk geworden dat er in dit geval sprake is geweest van opzettelijk cocaïnegebruik door klager. Daarom kan de bestreden beslissing niet in stand blijven en moet het beklag gegrond worden verklaard. Nu de rechtsgevolgen van deze beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, komt aan klager een tegemoetkoming toe van hierna te noemen hoogte. Deze tegemoetkoming komt klager toe zodra deze uitspraak onherroepelijk is.

Ten aanzien van klacht 2)
Op grond van artikel 1d van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (de Regeling) besluit de directeur over promotie en degradatie van een gedetineerde. Op grond van artikel 1d, derde lid, van de Regeling kan de directeur besluiten tot degradatie indien de gedetineerde die is gepromoveerd, op één van de onderdelen van goed gedrag verzaakt. De directeur dient voorafgaande aan een beslissing over degradatie een belangenafweging te maken. Bij die belangenafweging dient de directeur het 'oranje-gedrag' dan wel het 'rode gedrag' van de gedetineerde af te zetten tegen het structurele gedrag, waaronder al het 'groene gedrag', van de gedetineerde. Uit die belangenafweging dient duidelijk te blijken waarom dat gedrag van de gedetineerde, bezien in het licht van het uitgangspunt van het beleidskader 'Dagprogramma, beveiliging en toezicht op maat', dat gedetineerden zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun re-integratie, dient te leiden tot degradatie. Die belangenafweging moet op schrift gesteld zijn, zodat die ook inzichtelijk is voor de betreffende gedetineerde, zoals blijkt uit de uitspraak van de beroepscommissie, RSJ 16 maart 2015, 14/3222/GA.


De voorzitter stelt op basis van de stukken vast dat klager voorafgaand aan de degradatie in het plus plus-regime verbleef. Wegens een positieve urinecontrole hetgeen wordt gezien als ontoelaatbaar gedrag en daarmee leidt tot directe degradatie naar het basisregime of geen recht op promotie voor minimaal 6 weken, is klager op 11 februari 2021 overgeplaatst naar het basisregime. Nu de voorzitter de klacht tegen de disciplinaire straf gegrond heeft bevonden omdat hij het onvoldoende aannemelijk acht dat klager opzettelijk cocaïne heeft gebruikt, is de directe degradatiegrond als bedoeld in het toetsingskader promoveren en degraderen, komen te vervallen. Van enig negatief gedrag van klager is de voorzitter niet gebleken en enig andere, door de directie op schrift gestelde, belangenafweging waaronder die de degradatie zou rechtvaardigen ontbreekt. Daarom kan de bestreden beslissing van de directeur niet in stand blijven en moet het beklag gegrond worden verklaard. Nu de rechtsgevolgen van deze beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, komt aan klager een tegemoetkoming toe van hierna te noemen hoogte. Deze tegemoetkoming komt klager toe zodra deze uitspraak onherroepelijk is.

BESLISSING
De voorzitter verklaart het beklag gegrond en bepaalt dat aan klager een tegemoetkoming toekomt van € 35 zodra deze uitspraak onherroepelijk is.

Aldus gegeven op 6 april 2021 door mr. M.P. Pomper, voorzitter en  mr. M.G.W. Wijnveen-te Rietstap, secretaris.

Er is door klager en de directie beroep ingesteld bij de RSJ onder kenmerk R-21/20964/GA.