Sla inhoud over

KC 2021/036

Datum uitspraak:
24/03/2021
Artikel:
Art. 22 Rspog en circulaire GVM
Samenvatting:
Klager beklaagt zich over de op 11 december 2020 opgelegde toezichtmaatregelen behorende bij de GVM-status “Hoog”. Door klager wordt bovendien gesteld dat de maatregelen niet individueel conform de GVM-status zijn opgelegd maar dat alle gedetineerden op de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) dezelfde toezichtmaatregelen opgelegd hebben gekregen. Door de directeur wordt gesteld dat alle gedetineerden die op de AIT verblijven individueel toezichtmaatregelen opgelegd hebben gekregen. Op grond van het GRIP rapport van 26 november 2020 heeft het OO met ingang van 9 december 2020 de status van klager opgeschaald naar “Hoog” vanwege acute dreiging op het leven van klager. Het OO heeft na toetsing de informatie als voldoende betrouwbaar en juist beoordeeld. De beklagcommissie is van oordeel dat de oplegging van de toezichtmaatregelen aan klager vatbaar is voor beklag. De directeur is hierbij in beginsel gebonden aan de toezichtmaatregelen die horen bij de toegekende GVM-status. Afwijkingen van dat beleid moeten worden gemotiveerd. Bij oplegging of verlenging van toezichtmaatregelen moet daarnaast worden voldaan aan een aantal aanvullende eisen. De beklagcommissie is van oordeel dat de beslissing van de directeur voldoet aan de daaraan te stellen eisen, zodat de beklagcommissie de klacht voor wat betreft de oplegging van de toezichtmaatregelen ongegrond zal verklaren.
Uitspraak:

De beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij Penitentiaire Inrichting Leeuwarden te Leeuwarden


Beslissing van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij bovenvermelde inrichting op het ingekomen klaagschrift van:


[…] (verder te noemen klager), verblijvende in de P.I. Leeuwarden.


Procesgang


Op 29 december 2020 is bij de secretaris van de Commissie van Toezicht het door klager ingediende klaagschrift binnengekomen.


Op 14 januari 2021 is de schriftelijke reactie, met bijlagen, van de inrichting binnengekomen.


Op 26 januari 2021 is een nadere reactie, met bijlagen, van klager binnengekomen.


Op 18 februari 2021 heeft mr. W.B.O van Soest zich gesteld als advocaat van klager.


Op 19 maart 2021 is de klacht behandeld ter zitting.


D
e klacht

Klager beklaagt zich over de op 11 december 2020 opgelegde toezichtmaatregelen behorende bij de GVM-status “Hoog”. Klager betwist de indicatie waarop deze toezichtmaatregelen zijn gebaseerd en stelt dat de indicatie liquidatiegevaar en dreiging gebaseerd is op onbetrouwbare en onjuiste informatie. Door klager wordt bovendien gesteld dat de maatregelen niet individueel conform de GVM-status zijn opgelegd maar dat alle gedetineerden op de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) dezelfde toezichtmaatregelen opgelegd hebben gekregen. Ook stelt klager dat de directeur niet voldoet aan het gestelde in artikel 6 lid 3 EVRM, door hem niet te voorzien van een kopie van het politierapport. Klager stelt dat hij deze stukken nodig heeft om bezwaar te kunnen maken bij het Operationeel Overleg (OO) over de toekenning van de status “Hoog”. Bij brief van 26 januari 2021 stelt klager dat hij niet in beklag is gegaan tegen het opgelegde risicoprofiel door het OO maar tegen de door de directeur conform dit risicoprofiel opgelegde toezichtmaatregelen. Ook trekt klager in de brief van 26 januari 2021 zijn klacht betreffende de schending van artikel 6 lid 3 EVRM in omdat hij thans in de gelegenheid wordt gesteld kopieën te maken.


Het standpunt van de directeur

Door de directeur wordt gesteld dat alle gedetineerden die op de AIT verblijven individueel toezichtmaatregelen opgelegd hebben gekregen. Er is geen sprake van een collectieve oplegging van toezichtmaatregelen voor de gedetineerden die op de AIT verblijven. De plaatsing van een gedetineerden op de GVM-lijst en de toekenning van de GVM-status is een beslissing van het OO en daarover staat geen beklag open. Wel kan klager een klaagschrift indienen tegen de bij de toegekende status behorende toezichtmaatregelen die door de directeur worden opgelegd. Op grond van het GRIP rapport van 26 november 2020 heeft het OO met ingang van 9 december 2020 de status van klager opgeschaald naar “Hoog” vanwege acute dreiging op het leven van klager. Het OO heeft na toetsing de informatie als voldoende betrouwbaar en juist beoordeeld. Ten aanzien van de schending van artikel 6 lid 3 EVRM stelt de directeur dat de normale procedures gevolgd worden. De directeur verzoekt klager voor wat betreft zijn bezwaar tegen de indicaties die door het OO zijn vastgesteld, niet-ontvankelijk te verklaren en voor wat betreft de oplegging van de toezichtmaatregelen, de klacht ongegrond te verklaren.


De beoordeling van de klacht

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat klager op 11 december 2020 een mededeling GVM-maatregelen heeft ontvangen, na hierover gehoord te zijn op 4 december 2020. Deze GVM-maatregelen zijn klager door de directeur opgelegd op grond van de GVM-status zoals weergegeven in de mededeling en de daarin vermelde indicaties. Door de advocaat van klager wordt gesteld dat het onduidelijk is welke informatie ten grondslag ligt aan de indicaties en dat de informatie onjuist is. Uit de stukken blijkt dat de indicaties gebaseerd zijn op een recente rapportage van het GRIP van 26 november 2020. Het OO heeft de informatie als voldoende betrouwbaar en juist beoordeeld en op grond van deze informatie is de GVM-status van klager opgeschaald naar “Hoog”. De plaatsing van klager op de GVM-lijst en het toewijzen van de GVM-status “Hoog” aan klager, is geen beslissing van de directeur maar van het OO. Daartegen staat geen beklag open op grond van artikel 60 lid 1 Pbw. De oplegging van de toezichtmaatregelen behoort wel tot de bevoegdheid van de directeur en is daarom vatbaar voor beklag. Blijkens de circulaire Beleid gedetineerden met vlucht-/maatschappelijk risico is de directeur hierbij in beginsel gebonden aan de toezichtmaatregelen die horen bij de toegekende status. Afwijkingen van dat beleid moeten worden gemotiveerd.


Bij oplegging of verlenging van toezichtmaatregelen moet ook voldaan worden aan deze eisen:

  1. er dient een noodzaak te zijn voor de oplegging van die toezichtmaatregelen;
  2. de gedetineerde dient te worden gehoord alvorens de maatregelen worden opgelegd;
  3. de directeur dient een eigen belangenafweging te maken, die voldoende inzichtelijk en kenbaar moet zijn voor de gedetineerde en de beklag- en beroepscommissies;
  4. indien de toezichtmaatregelen worden opgelegd voor meerdere maanden, dient de directeur maandelijks te toetsen of er een noodzaak is tot voortzetting ervan.

  5. Door de directeur is naar het oordeel van de beklagrechter genoegzaam aangetoond dat de door het GRIP verstrekte informatie betrouwbaar en actueel is, mede gelet op het feit dat het laatste GRIP rapport dateert van 26 november 2020. Uit deze informatie, in onderlinge samenhang bezien, heeft de directeur kunnen afleiden dat klager een gevaar is voor de orde, rust en veiligheid in de inrichting en de ongestoorde vrijheidsbeneming. Naar het oordeel van de beklagrechter blijkt hieruit afdoende dat het noodzakelijk was om deze toezichtmaatregelen op te leggen.

  6. Uit de tekst van de mededeling blijkt dat klager is gehoord door de directeur. Klager heeft daarbij aangegeven dat hij de toegekende indicatie “liquidatiedreiging” niet herkent en het beschouwt als een spel van het GRIP en/of het OM.

  7. Uit de overwegingen in de mededeling blijkt dat de directeur heeft meegewogen welke impact de opgelegde toezichtmaatregelen op klager hebben en geeft de directeur aan rekening te houden met hetgeen klager het afgelopen half jaar met hem heeft gedeeld.


Naar het oordeel van de beklagcommissie blijkt uit de stukken dat de directeur een voldoende inzichtelijke en zelfstandige belangenafweging heeft gemaakt. In de mededeling is aangekondigd dat de directeur maandelijks zal toetsen of er aanleiding is voortijdig over te gaan tot aanpassing van de maatregelen. Gelet op het voorgaande voldoet de beslissing van de directeur aan de daaraan te stellen eisen, zodat de beklagcommissie de klacht voor wat betreft de oplegging van de toezichtmaatregelen ongegrond zal verklaren. Nu klager in zijn brief van 26 januari 2021 stelt geen klacht betreffende de indicaties die ten grondslag liggen aan de toekenning van de GVM-status ingediend te hebben en zijn klacht voor wat betreft de schending van artikel 6 lid 3 onder B van het EVRM intrekt, zal de beklagcommissie de beoordeling daarvan achterwege laten.


BESLISSING

De beklagcommissie verklaart de klacht van […] met klachtnummer […] ongegrond.


Aldus gegeven op 24 maart 2021 door door mr. L.Ph. den Hollander, voorzitter, mevr. M. Visser en dhr. L. Diepenhorst, leden, in tegenwoordigheid van E. Heebink, secretaris.