Sla inhoud over

KC 2021/018

Datum uitspraak:
03/12/2020
Artikel:
Art. 51 Pbw
Samenvatting:
Het beklag richt zich tegen klagers plaatsing in de strafcel direct na binnenkomst in PI Nieuwegein. Klager had in PI Rotterdam een straf opgelegd gekregen. Deze straf is na zijn overplaatsing naar PI Nieuwegein overgenomen. De beklagrechter oordeelt dat het overnemen van de disciplinaire straf door de directeur van PI Nieuwegein een nieuwe beslissing is, waardoor de beklagrechter bevoegd is kennis te nemen van de klacht en klager ontvankelijk is in zijn beklag. Gelet op de schriftelijke beschikking van PI Rotterdam en het landelijk Sanctiebeleid van DJI , is de beklagrechter van oordeel dat de directeur van PI Nieuwegein in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de tenuitvoerlegging van de opgelegde disciplinaire straf over te nemen. De beklagrechter overweegt voorts dat, door de straf over te nemen, de directeur in PI Nieuwegein een nieuwe beslissing heeft genomen. De beklagrechter is van oordeel dat de directeur van PI Nieuwegein, bij het nemen van de beslissing om klager bij binnenkomst in de strafcel te plaatsen, deze beslissing op schrift had moeten stellen en aan klager had moeten uitreiken. Nu dit niet is gebeurd, verklaart de beklagrechter het beklag formeel gegrond. Omdat de straf wel kon worden overgenomen en klager in de strafcel mocht worden geplaatst, ziet de beklagrechter geen aanleiding voor de toekenning van een tegemoetkoming.
Uitspraak:

De beklagcommissie van de commissie van toezicht bij penitentiaire Inrichting Nieuwegein, te Nieuwegein.


De alleensprekende beklagrechter heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:


[…], verder te noemen klager en op dit moment verblijvende in PI Nieuwegein.


Het klaagschrift is gericht tegen de overname van een door een vorige inrichting opgelegde disciplinaire straf. Klager wordt in deze procedure bijgestaan door dhr. mr. J.N. Hoek.


De directeur heeft schriftelijk gereageerd. Klager heeft van deze reactie kennis kunnen nemen. De klacht is behandeld op de beklagzitting van 3 december 2020 via Skype for Business, in het bijzijn van klager en zijn advocaat, en namens de directie dhr. W. Gevers (plv. vestigingsdirecteur) en mw. I. Bode (afdelingshoofd).


In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagrechter kennisgenomen van de volgende informatie:

  • Klaagschrift van 24 september 2020, diezelfde dag binnengekomen bij het secretariaat;
  • Uitspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing & Jeugdbescherming (RSJ) van 30 september 2020 op het schorsingsverzoek van de disciplinaire straf opgelegd door PI Rotterdam, locatie De Schie;
  • Verweerschrift van de directeur van 24 november 2020 inclusief bijlagen (schriftelijke mededeling disciplinaire straf; selectiebeslissing), binnengekomen bij het secretariaat op 26 november 2020;
  • Het verhandelde ter zitting van 3 december 2020, hieronder kort uiteengezet voor zover niet gebleken uit de schriftelijke bescheiden.


Standpunt klager

Namens klager geeft de advocaat van klager aan dat het beklag zich richt tegen de insluiting van klager in de strafcel na zijn binnenkomst in PI Nieuwegein. Klager is van PI Rotterdam, locatie De Schie overgeplaatst naar PI Nieuwegein. Klager had in PI Rotterdam, locatie De Schie een straf opgelegd gekregen waartegen ook beklag is ingediend. Klager is echter na zijn overplaatsing in Nieuwegein ook direct in de strafcel ingesloten. Hiertegen maakt de advocaat bezwaar.


Op zitting vult de advocaat aan dat hij zich afvraagt of de overname van de disciplinaire straf wel aan de formele eisen voldoet. Over de overname is niets op papier gezet of aan klager kenbaar gemaakt. Dat de directeur van PI Nieuwegein de straf overneemt betekent dat er wel degelijk een verantwoordelijkheid is in de communicatie richting klager. Dat is reden om de klacht gegrond te verklaren.


Standpunt directeur

De directeur stelt dat het beklag zich richt tegen een beslissing van 21 september 2020 van de directeur van PI Rotterdam, locatie De Schie. Klager dient zijn klaagschrift daarom te richten tot de Commissie van Toezicht bij deze inrichting. Verzocht wordt klager niet-ontvankelijk te verklaren.


Op zitting voegt de directeur toe dat hij, afhankelijk van het incident, van een verzendende inrichting het verzoek kan krijgen om al dan niet een opgelegde disciplinaire straf over te nemen. In dit geval is de straf die aan klager is opgelegd in PI Rotterdam, locatie De Schie overgenomen en verder ten uitvoer gelegd in PI Nieuwegein. Daar is in die zin een beslissing over genomen, dat bepaald is om de straf over te nemen. Het is in deze gevallen niet gebruikelijk dat dit wordt geformaliseerd.


Beoordeling

Ontvankelijkheid

Allereerst dient beoordeeld te worden of klager kan worden ontvangen in zijn beklag. Conform artikel 60, eerste lid, kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een door of namens de directeur genomen beslissing die hem betreft.


De beklagrechter stelt vast dat de directeur van PI Nieuwegein de beslissing heeft genomen om de disciplinaire straf die aan klager was opgelegd in PI Rotterdam, locatie De Schie over te nemen. Op het moment dat klager binnenkomt in PI Nieuwegein, valt hij onder de verantwoordelijkheid van de directeur van PI Nieuwegein. Hoewel de straf dus is opgelegd door de directeur van PI Rotterdam, locatie De Schie, is de beslissing tot overname van die straf een (nieuwe) beslissing van de directeur van PI Nieuwegein. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak op een schorsingsverzoek van de RSJ met kenmerk 18/0925/SGA van eenzelfde soort beslissing waarin verzoeker ontvankelijk is verklaard. De beklagrechter is daarom van oordeel dat klager kan worden ontvangen in zijn beklag.


Overname straf

Op 21 september 2020 om 13.00 uur heeft de directeur van PI Rotterdam, locatie De Schie aan klager een disciplinaire straf opgelegd van veertien dagen opsluiting in een strafcel. Klager is vervolgens, gedurende de tenuitvoerlegging van deze straf, op 23 september 2020 overgeplaatst naar PI Nieuwegein. De directeur van PI Nieuwegein heeft vervolgens de beslissing genomen om klager bij binnenkomst direct in de strafcel te plaatsen in het kader van de verdere tenuitvoerlegging van deze straf. De vraag die als eerste moet worden beantwoord is of de directeur van PI Nieuwegein in redelijkheid deze beslissing had kunnen nemen.


Op grond van artikel 51, eerste lid, van de Pbw kan de directeur een disciplinaire straf opleggen wegens het begaan van feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel de ongestoorde tenuitvoerlegging. Dit kan onder meer betekenen de opsluiting in een strafcel voor de duur van ten hoogste twee weken.


Uit de schriftelijke mededeling van de disciplinaire straf opgelegd door de directeur van PI Rotterdam, locatie De Schie blijkt dat klager in de ochtend van 21 september 2020 opdrachten van personeel heeft geweigerd, het personeel heeft uitgescholden en bedreigingen heeft geuit. Hiervoor heeft klager een verslag aangezegd gekregen. Vervolgens is de directeur klager hierover komen horen. Tijdens dit gesprek gaf de directeur na het horen aan dat hij klager een straf van zeven dagen eigen cel wilde opleggen. Klager staat vervolgens op en loopt naar de betreffende medewerker waarmee hij een discussie had die het schriftelijk verslag had aangezegd en opgemaakt. De directeur hoort klager tegen de medewerker zeggen dat hij nu een straf krijgt vanwege hem en klager haalt met zijn arm en vuist uit naar de medewerker. De medewerker ontwijkt dit zodat hij niet geraakt wordt. Er is alarm gemaakt en klager is naar de isoleercel gebracht. Hier is klager opnieuw gehoord door de directeur die hem veertien dagen strafcel heeft opgelegd voor zowel het incident in de ochtend als het uithalen naar de medewerker. Op grond van het landelijk sanctiebeleid kan voor verbale agressie/bedreigen/fysiek geweld naar personeel een disciplinaire straf worden opgelegd van maximaal veertien dagen. De beklagrechter is gelet hierop van oordeel dat de directeur van PI Nieuwegein in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de tenuitvoerlegging van de opgelegde disciplinaire straf verder ten uitvoer te leggen. Daarbij heeft de directeur de duur van de opgelegde straf en de maximale wettelijke termijn in acht genomen. Het beklag zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.


De beklagrechter overweegt dat de directeur deze beslissing niet heeft geformaliseerd. De beslissing is genomen zonder het opmaken van een schriftelijke beslissing en de uitreiking daarvan aan klager. De tweede vraag die zich daarom voordoet is of de beslissing hiermee voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden.


Op grond van artikel 58, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 57, eerste lid, onder k van de Pbw, reikt de directeur de gedetineerde aan wie een disciplinaire straf wordt opgelegd onverwijld een schriftelijke mededeling van die beslissing uit. Een disciplinaire straf, waaronder in dit geval de opsluiting in een strafcel, is een van de meest, zo niet de meest ingrijpende beslissing die over een gedetineerde kan worden genomen. Door het uitreiken van een gemotiveerde schriftelijke mededeling is voor de gedetineerde kenbaar waarom deze beslissing is genomen. Ook staat op deze beslissing vermeld dat en hoe de gedetineerde daartegen beklag kan indienen.


De beklagrechter overweegt dat op het moment dat klager binnenkwam in PI Nieuwegein, de verantwoordelijkheid over klager is overgegaan van de directeur van PI Rotterdam, locatie De Schie naar die van de directeur van PI Nieuwegein. Hiermee is ook de beslissingsbevoegdheid rondom het nemen van beslissingen over klager over gegaan naar de directeur van PI Nieuwegein. Indien de directeur klager bij binnenkomst in de strafcel wil plaatsen, neemt hij hierover dus een eigen beslissing. Hiervoor kan niet enkel worden verwezen naar de opgelegde straf door de directeur van PI Rotterdam, locatie De Schie.

De directeur heeft op zitting toegelicht dat straffen niet standaard worden overgenomen, maar dat dit vaak op verzoek gebeurd. Soms wordt een straf wel overgenomen en een andere keer niet. De ernst en het soort incident kunnen daarbij een rol spelen. Voor een gedetineerde hoeft daarom in deze gevallen dus niet altijd duidelijk te zijn of en waarom hij na een overplaatsing in een strafcel of afzonderingscel wordt geplaatst. Indien dat wel gebeurt, dient de gedetineerde te worden gewezen op de mogelijkheid van beklag.


Gelet op het bovenstaande is de beklagrechter van oordeel dat de directeur van PI Nieuwegein, bij het nemen van de beslissing om klager bij binnenkomst in de strafcel te plaatsen, deze beslissing op schrift had moeten stellen en aan klager had moeten uitreiken. Dat is niet gebeurd. Het beklag zal daarom in zoverre formeel gegrond worden verklaard.


Omdat de straf wel kon worden overgenomen en klager in de strafcel mocht worden geplaatst, ziet de beklagrechter geen aanleiding voor de toekenning van een tegemoetkoming.


BESLISSING

De beklagrecht verklaart het beklag gegrond.


Aldus gegeven op 3 december 2020 door dhr. mr. P.F. Emmelot, beklagrechter, bijgestaan door mw. mr. A. Knol, secretaris, en ondertekend op 15 januari 2021.


Er is door klager beroep ingesteld bij de RSJ onder het kenmerk R-20/8707/GA.