Sla inhoud over

KC 2021/017

Datum uitspraak:
22/12/2020
Artikel:
Artt. 26 Pbw en 34-40 Rtvi
Samenvatting:
Klaagster wil graag strafonderbreking voor het volgen van haar studie en het zorgen voor haar kind. Klaagsters verzoek hiertoe van oktober 2020 is niet in behandeling genomen. De directeur stelt dat er contact is opgenomen met het Bureau Selectiefunctionarissen (BSF) en dat BSF heeft gemeld dat aan klaagster kenbaar gemaakt kan worden dat haar nieuwe verzoek tot SOB niet in behandeling wordt genomen. Dit omdat er reeds een beroepsprocedure loopt en het nieuwe SOB verzoek op dezelfde gronden berust. De beklagcommissie overweegt dat de directeur aan klaagster op 20 oktober 2020 een schriftelijke beslissing toegezonden heeft waarin is besloten dat het verzoek van klaagster niet in behandeling zal worden genomen. Aangezien deze beslissing niet is voorbehouden aan de directeur, maar aan de Minister, is de beslissing niet rechtmatig genomen. Het had op de weg van de directeur gelegen het verzoek van klaagster ter beoordeling door te zenden aan de Minister. Nu dit niet is gedaan, is de beklagcommissie van oordeel dat het beklag gegrond is. De beklagcommissie draagt de directie dan ook alsnog op het verzoek van klaagster te voorzien van een onderbouwd advies en door te zenden naar de Minister.
Uitspraak:

Beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij de Penitentiaire Inrichtingen Zuid-Oost, locatie Ter Peel te Evertsoord

 

Uitspraak naar aanlei­ding van het indienen van het klaagschrift van:


[klaagster]


Klaagster zat in de Penitentiaire Inrichtingen (P.I.) Ter Peel toen zij haar beklag indiende.


De stukken

  • Een klaagschrift, gedateerd 26 oktober 2020, ontvangen door het secretariaat op 27 oktober 2020waarin klaagster erover klaagt dat haar verzoek tot strafonderbreking niet is doorgezonden [1], zij geen beslissing heeft ontvangen op haar verzoek tot algemeen verlof [2], en de onjuiste berekening van de datum van haar vervroegde invrijheidsstelling [3].

  • Schriftelijke inlichtingen en opmerkingen van de directie van genoemde inrichting, gedateerd 13 november 2020, aan de beklagcommissie overgelegd op 23 november 2020. De inhoud is bij het standpuntvan de directie weergegeven.

  • Een brief van klaagster, gedateerd 17 november 2020 en door het secretariaat ontvangen op 24 november 2020, met nadere informatie.


De inhoud van voormelde stukken maakt onderdeel uit van deze uitspraak.


Op  8 december 2020 heeft de mondelinge behandeling van het beklag plaatsgevonden. Aanwezig waren:

  • klaagster,
  • A. de Korte (vestigingsdirecteur).


De raadsvrouw I.J.K. van der Meer, advocate te Haarlem is niet ter zitting verschenen.


Al hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht en is verklaard, is in deze beschikking zakelijk weergegeven, tenzij anders is vermeld.


Deze uitspraak zal alleen klacht [1] betreffen. De andere twee klachten worden in een aparte uitspraak beoordeeld.


Standpunt van klaagster

[1]

Klaagster wil strafonderbreking om haar studie af te kunnen ronden aan de Universiteit Utrecht en om voor haar dochter van 2 jaar te kunnen zorgen. Op 22 oktober 2020 heeft de casemanager gemeld dat haar verzoek om SOB niet in behandeling wordt genomen omdat er geen wijzigingen zijn ten opzichte van het eerdere verzoek SOB dat op 7 september 2020 door de Selectiefunctionaris (SF) is afgewezen.

Klaagster stelt dat ze extra tijd heeft voor haar studie, omdat de stof voor haar onbekend is. Het studeren in de gevangenis valt klaagster zwaar omdat ze niet ongestoord kan leren. Ze wordt regelmatig tijdens haar studie-uren gestoord door het personeel of als er alarm is. Inmiddels heeft ze ook al drie keer college gemist omdat ze verplicht in quarantaine moest in verband met de besmetting van een medegedetineerde met het Covid-19 virus.


Klaagster vindt dat de directeur haar verzoek om strafonderbreking in behandeling moet nemen. Er zijn geen gronden om haar een SOB te weigeren. Klaagster heeft haar verzoek beargumenteerd. Klaagster verwijst naar de uitspraken van de RSJ bekend onder kenmerk 15/1966/GV en 15/0827/GV.  


Uit de regeling tijdelijk verlaten inrichting (RTVI) blijkt dat een verzoek om SOB meerdere keren mag worden ingediend. De directeur dient alleen een advies te formuleren en dat voor te leggen aan de Minister. Door haar verzoek niet door te leiden naar de Minister is klaagster in haar belangen geschaad. Zij verzoekt haar beklag gegrond te verklaren omdat zijn beslissing onrechtmatig is en niet op wettelijke voorschriften berust.


Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag heeft klaagster gemeld dat de directeur verplicht is haar verzoek om SOB door te sturen naar de Minister. Hij heeft geen enkele beslissingsbevoegdheid.


Standpunt van de directie

Niet in behandeling nemen verzoek tot strafonderbreking [1]

Opgemerkt dient te worden dat klaagster reeds een verzoek tot SOB heeft ingediend. Dit verzoek is door de selectiefunctionaris (SF) op 7 september 2020 afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft klaagster een beroepschrift ingesteld bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Klaagster heeft vervolgens op 20 oktober 2020 tijdens een gesprek met haar casemanager verzocht tot wederom een verzoek tot SOB aangaande haar studie. Het nieuwe verzoek van klaagster is geagendeerd en besproken in het MDO en voorgelegd aan de VC (vrijhedencommissie).


Vervolgens is telefonisch informatie opgevraagd bij Bureau SF (BSF) om te achterhalen hoe gehandeld dient te worden. Vorenstaande omdat klaagster haar reeds ingediende verzoek is afgewezen en ze hiertegen een beroepsprocedure heeft lopen. Daarbij ziet het SOB-verzoek van klaagster eveneens op dezelfde gronden als weergegeven in haar afgewezen SOB-verzoek. BSF geeft weer dat middels een officieel schrijven aan klaagster kenbaar gemaakt kan worden dat haar nieuwe verzoek tot SOB niet in behandeling wordt genomen. Dit omdat er zoals bovenstaand aangegeven reeds een beroepsprocedure loopt en het nieuwe SOB verzoek op dezelfde gronden berust. Het schrijven is opgemaakt en overhandigd aan klaagster.


Beoordeling

Allereerst merkt de beklagcommissie op dat klaagster in haar klaagschrift klaagt over meerdere onderwerpen. In haar aanvullende brief blijft ze niet alleen bij het onderwerp waarover eerder is geklaagd, maar komen ook nieuwe klachten naar voren. Dit maakt het onduidelijk waarover klaagster wil klagen. Een uitbreiding van de klacht hoeft niet te worden gehonoreerd door de beklagcommissie. De beklagcommissie geeft klaagster daarom mee per klacht een apart formulier in te vullen en als ze later nog aanvullende informatie heeft dit per klacht door te sturen.


Omdat er tijdens de beklagzitting meerdere klachten van klaagster zijn behandeld is alle informatie van de diverse klachten bekend bij zowel de beklagcommissie als de directie. De schriftelijke reactie van de directie paste echter niet altijd bij het onderwerp van de klacht zoals die door het secretariaat was ingeschreven. In dit geval heeft de directie ook schriftelijk gereageerd op klachten die later door het secretariaat zijn ingeschreven onder het kenmerk [2] en [3]. De beklagcommissie zal bij haar beoordeling rekening houden met het verweer zoals hoort bij de klacht waarover het gaat.


Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun op- en aanmerkingen bij de juiste klacht kunnen plaatsen. De beklagcommissie zal in deze uitspraak alleen ingaan op het onderwerp zoals genoemd onder de kenmerken [1].


Het staat vast dat klaagster reeds eerder een verzoek om strafonderbreking heeft gedaan. Dit verzoek tot SOB is afgewezen. Tegen deze beslissing heeft klaagster beroep ingesteld bij de RSJ. De RSJ heeft nog geen beslissing genomen over dit beroep.


De beslissing tot strafonderbreking wordt niet genomen door de directeur van de inrichting, maar door de minister van justitie (art. 570b van het Wetboek van Strafvordering). Het is echter de directeur van de inrichting –feitelijk de VC- die het verzoek tot strafonderbreking in ontvangst neemt, de relevante gegevens verzamelt en een en ander doorgeleidt naar de minister.


Door de directeur is gesteld dat het verzoek van klaagster om SOB in verband met haar studie op dezelfde gronden is aangevraagd. Op advies van de SF heeft de directeur aan klaagster op 20 oktober 2020 een schriftelijke beslissing toegezonden waarin is besloten dat het verzoek van klaagster niet in behandeling zal worden genomen. Aangezien deze beslissing niet is voorbehouden aan de directeur, maar aan de Minister, is de beslissing niet rechtmatig genomen. Het had op de weg van de directeur gelegen het verzoek van klaagster met een mogelijk negatief advies ter beoordeling door te zenden aan de Minister. Nu dit niet is gedaan, is de beklagcommissie van oordeel dat het beklag gegrond is.


De beklagcommissie draagt de directie dan ook alsnog op het verzoek van klaagster voorzien van een onderbouwd advies door te zenden naar de Minister. 


BESLISSING

De beklagcommissie:

  • verklaart het klaagschrift gegrond;
  • draagt de directeur op het verzoek om strafonderbreking alsnog voorzien van een onderbouwd advies door te zenden aan de Minister ter beoordeling.


Aldus gegeven op 22 december 2020 door mr. A.J.D.D. Burhenne, plv. voorzitter, mw. I.C.P. van Kempen en dhr. T.H. Bergmans, leden, bijgestaan door P. van Kaam-Wolfswinkel, secretaris.


Er is door de directie beroep ingesteld bij de RSJ onder het kenmerk R-21/16939/GA.