Sla inhoud over

KC 2021/015

Datum uitspraak:
03/09/2020
Artikel:
50, 51, eerste en vijfde lid Pbw
Samenvatting:
Klager beklaagt zich over de aan hem opgelegde disciplinaire straf van vijf dagen uitsluiting van de arbeid, omdat de werkmeester op het toilet schroeven heeft aangetroffen. Hierop is de hele groep gestraft met eenzelfde disciplinaire straf. Daarnaast is klager het niet eens met het feit dat hij ten gevolge van de opgelegde disciplinaire straf is teruggezet op het basisloon van € 3,04 per dagdeel terwijl hij jarenlang € 6,08 prestatieloon ontving per dagdeel. Dit loon is plotseling, zonder overleg, waarschuwing of een schrijven, gehalveerd. De beklagrechter oordeelt dat op grond van artikel 51, vijfde lid Pbw en de jurisprudentie van de RSJ sprake dient te zijn van individuele verwijtbaarheid. Een collectieve verwijtbaarheid kan geen grondslag vormen voor een disciplinaire straf. Uit het schriftelijk verslag blijkt niet wat de individuele rol van klager is geweest en welke gedragingen aan hem kunnen worden toegerekend. De directeur mocht hierop klager geen disciplinaire straf opleggen. Het beklag wordt gegrond verklaard en de beslissing van de directeur vernietigd. Hiermee is de grondslag voor het intrekken van de privileges van klager komen te vervallen. De beklagrechter acht de beslissing van de directeur onredelijk en onbillijk. Het beklag zal gegrond worden verklaard en klager komt een tegemoetkoming toe van € 972,80.
Uitspraak:

UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE VAN DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ PENITENTIAIRE INRICHTING NIEUWEGEIN
De beklagrechter heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschriften van:

[…], verder te noemen klager en op dit moment verblijvend in de PI Nieuwegein.

Het klaagschrift is gericht tegen:
a. de oplegging van een disciplinaire straf van vijf dagen uitsluiting van de arbeid;
b. naar aanleiding van deze disciplinaire straf:
- het loon van klager per dagdeel terugbrengen naar het basisuurloon;
- klager niet langer in de gelegenheid te stellen hele dagen te werken.
Klager wordt in deze procedure bijgestaan door mr. J.C. Reisinger.

In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagrechter kennisgenomen van de volgende informatie:
- Klaagschriften van 12 en 18 november 2019, binnengekomen bij het secretariaat op respectievelijk 18 en 21 november 2019, met bijlage (schriftelijke mededeling disciplinaire straf van 13 november 2019);
- Verweerschriften van de directeur van 5 en 25 maart 2020 met twee bijlagen (schriftelijk verslag van 12 november 2019; schriftelijke mededeling disciplinaire straf van 13 november 2019);
- Schriftelijke reactie van de advocaat van klager van 19 maart 2020 op het verweerschrift;
- Schriftelijke reactie van de directeur van 2 april 2020.

De beklagrechter van de beklagcommissie zal op grond van artikel 62, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) als alleensprekend beklagrechter het klaagschrift afdoen. De beklagrechter acht zich daarnaast op basis van de stukken voldoende geïnformeerd. Er zal, in verband met de coronacrisis, met instemming van de advocaat van klager en de directeur, op grond van artikel 64, eerste lid, van de Pbw geen mondelinge behandeling plaatsvinden.

Standpunt klager

klacht a
Klager is het niet eens met de aan hem opgelegde disciplinaire straf van vijf dagen uitsluiting van de arbeid. Er is één gedetineerde die een kinderlijke actie uithaalt en de rest, waaronder klager, is hiervan de dupe. Daarnaast blijkt uit artikel 51 van de Pbw dat een gedetineerde niet kan worden gestraft indien hij voor het feit niet verantwoordelijk kan worden gesteld. Klager is niet betrokken geweest bij hetgeen hem verweten wordt. Hij wenst een vergoeding voor het mislopen van loon (€ 12,16 per dag), een excuses en een correctie in zijn penitentiair dossier.

Klacht b
Klager is het niet eens met het feit dat hij is teruggezet op het basisloon van € 3,04 per dagdeel terwijl hij € 6,08 prestatieloon ontving per dagdeel. Klager heeft jarenlang hard gewerkt en zich ingezet om dit loon te krijgen. Nu is dit plotseling, zonder overleg, waarschuwing of een schrijven, teruggebracht naar € 3,04 per dagdeel. Klager wenst dat dit besluit wordt teruggedraaid wordt en dat hij een tegemoetkoming krijgt voor het gemiste uurloon.

Namens klager voegt de advocaat toe dat klager vermoedt dat de straf is aangegrepen om de jaren geleden aan klager toegekende privileges te beëindigen. Deze privileges betreffen een hoger arbeidsloon en hele dagen werken. Nog voordat de schriftelijke beslissing van de disciplinaire straf aan klager was uitgereikt, stond al in het systeem dat klager hier geen recht meer op had. De disciplinaire straf die aanleiding was voor deze beslissing, is onterecht opgelegd en kan daarom geen grond vormen voor deze beslissing. Bovendien is er hierdoor in feite sprake van een dubbele bestraffing. Verzocht wordt dan ook om deze privileges weer aan klager terug te geven en klager een tegemoetkoming toe te kennen.

Standpunt directie
Klacht a
De directeur geeft aan dat er op 12 november 2019 een groep gedetineerden is aangesproken naar aanleiding van hun gedrag en werkhouding op de arbeid. De groep gaf hier geen gehoor aan. Even later constateerde de werkmeester dat er een grote hoeveelheid aan schroeven in het toilet lag. De werkmeester heeft vervolgens de hele groep aangesproken en aangegeven dat de verantwoordelijke zich kenbaar dient te maken. Dat is echter niet gebeurd. De gehele groep is vervolgens een verslag aangezegd. De gehele groep heeft een disciplinaire straf opgelegd gekregen van vijf dagen uitsluiting van de arbeid. De directeur verwijst naar de jurisprudentie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) waaruit blijkt dat beide gedetineerden op een MPC verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het aantreffen van contrabande. Deze uitspraak is toepasbaar omdat het gaat om de vondst van schroeven in het toilet en dus een afgesloten ruimte. De directeur acht de straf niet onredelijk of onbillijk en verzoekt het beklag ongegrond te verklaren.

Klacht b

De directeur geeft aan dat naar aanleiding van het incident op de arbeidszaal op 12 november 2019 klager een disciplinaire straf is opgelegd.  Naar aanleiding hiervan mocht klager geen hele dagen meer werken. Uit een aantekening in het D&R plan van klager naar aanleiding van het incident van 12 november 2019 blijkt dat klager zich niet heeft opgesteld als een voorman. Van een voorman wordt verwacht dat hij de gehele groep aanspreekt en dus een bepaalde voorbeeldfunctie aanneemt. Dit heeft klager nagelaten. Daarnaast is het werken van hele dagen geen recht. De directeur acht het besluit niet onredelijk of onbillijk en verzoekt het beklag ongegrond te verklaren.

De directie acht daarnaast de klacht in de reactie van de advocaat op het verweerschrift, over het beëindigen van de gunst aan klager tot het werken van hele dagen en daarmee het ontvangen van minder loon, een ongeoorloofde vermeerdering van eis (RSJ 12/2093/GA; 12/2184/GA; R-18/2472/GA).

Beoordeling

Klacht a
Klager heeft conform artikel 60 van de Pbw tijdig beklag ingediend tegen een door of namens de directeur genomen beslissing. Hij kan daarom worden ontvangen in zijn beklag.

Op grond van artikel 51, eerste lid, van de Pbw kan de directeur een disciplinaire straf opleggen wegens het begaan van feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel de ongestoorde tenuitvoerlegging. Dit kan onder meer betekenen de uitsluiting van activiteiten voor ten hoogste veertien dagen. Geen straf kan worden opgelegd, indien de gedetineerde voor het begaan van een feit als bedoeld in artikel 50, eerste lid, niet verantwoordelijk kan worden gesteld.

De beklagrechter stelt vast dat uit het schriftelijk verslag blijkt dat een groep gedetineerden tijdens de arbeid is aangesproken op hun gedrag en werkhouding. Een kwartier later trof het personeelslid een grote hoeveelheid schroeven in het toilet bij de arbeid aan. De groep is bij elkaar geroepen met de vraag wie daarvoor verantwoordelijk was. Toen niemand naar voren stapte is de gehele groep verslag aangezegd. De directeur heeft vervolgens aan de gehele groep, waaronder klager, een disciplinaire straf opgelegd van vijf dagen uitsluiting van de arbeid.

Blijkens artikel 51, vijfde lid, van de Pbw en de jurisprudentie van de RSJ[1] dient er sprake te zijn van individuele verwijtbaarheid. Een collectieve verwijtbaarheid kan geen grondslag vormen voor een disciplinaire straf. De beklagrechter is van oordeel dat uit het schriftelijk verslag niet kan worden opgemaakt wat de individuele rol van klager is geweest en welke gedragingen aan hem kunnen worden toegerekend. Gelet hierop mocht de directeur klager geen disciplinaire straf opleggen. Het beklag wordt gegrond verklaard en de beslissing van de directeur vernietigd.

Nu de gevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt acht de beklagrechter een tegemoetkoming op zijn plaats. Klager heeft ten gevolge van de disciplinaire straf vijf dagen geen arbeidsloon ontvangen. Klager heeft onweersproken gesteld dat hij € 12,16 per dag betaald krijgt, wat betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op € 60,80. Daarnaast zal de beklagrechter de directeur opdragen om de disciplinaire straf uit het penitentiair dossier van klager te verwijderen, of indien dit niet mogelijk is, een rectificatie daarin op te nemen.

Klacht b
Allereerst dient beoordeeld te worden of klager kan worden ontvangen in zijn beklag. Conform artikel 60, eerste lid, van de Pbw kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een door of namens de directeur genomen beslissing die hem betreft. Uit de jurisprudentie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming volgt dat er sprake kan zijn van een ‘ongeoorloofde vermeerdering van eis’ indien klager zijn beklag aanvult met dusdanig andere feiten dat sprake is van een ander beklag.[2]

In zijn eerste klaagschrift geeft klager aan dat zijn beklag zich richt tegen het terugbrengen van zijn basisuurloon van €6,08 naar €3,04 per dagdeel ten gevolge van een aan hem opgelegde disciplinaire straf. In de schriftelijke reactie van de advocaat van klager op het verweerschrift van de directeur wordt aangegeven dat klager na jarenlang zich te hebben ingezet op de arbeid bepaalde privileges heeft opgebouwd. Deze privileges betreffen een hoger uurloon en het werken van hele dagen. Ook dit laatste privilege is naar aanleiding van de disciplinaire straf ingetrokken. De beklagrechter overweegt dat beide besluiten zien op privileges ten aanzien van de arbeid en beide naar aanleiding van de straf zijn ingetrokken. De directeur is daarnaast in zijn verweerschrift, als reactie op het klaagschrift van klager, begonnen over dat klager niet langer hele dagen meer mocht werken. Gelet hierop en de samenhang tussen de besluiten is de beklagrechter van oordeel dat er geen sprake is van dusdanig andere feiten die maken dat er sprake is van een ongeoorloofde vermeerdering van eis. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van de beroepscommissie van 27 maart 2009 met kenmerk 08/2710/GA. Klager is daarom ten aanzien van beide punten ontvankelijk in zijn beklag.

De beklagrechter stelt vast dat klager, na zich jarenlang te hebben ingezet bij de arbeid, twee privileges genoot. Dit betrof het mogen werken van hele in plaats van halve dagen en het ontvangen van een hoger loon van €6,08 per dagdeel. De directeur heeft dit niet weersproken. Naar aanleiding van een aan klager opgelegde disciplinaire straf op 12 november 2019 zijn deze twee privileges introkken. De beklagrechter heeft hierboven zojuist geoordeeld dat deze disciplinaire straf niet aan klager mocht worden opgelegd. Het beklag is gegrond verklaard en de beslissing van de directeur vernietigd. De grondslag voor het intrekken van de privileges van klager is hiermee komen te vervallen. De beklagrechter is daarom van oordeel dat de beslissing van de directeur als onredelijk en onbillijk moet worden beschouwd. Het beklag zal gegrond worden verklaard.

Nu de gevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt acht de beklagrechter een tegemoetkoming op zijn plaats. Klager heeft ten gevolge van de beslissing van de directeur in de periode van 12 november 2019 tot en met in ieder geval 2 april 2020 (laatste reactie directeur) zijn privileges niet meer gehad. Dit betreft (ruim) twintig weken (100 werkdagen) waarin klager € 3,04 per dagdeel betaald kreeg voor halve dagen werken. Dit komt neer op € 304,-. Indien klager hele dagen had gewerkt conform zijn dagloon van € 12,16 had klager € 1216,- verdiend. Dit is een verschil van € 912,-. De tegemoetkoming zal daarom op dit verschil worden vastgesteld.

BESLISSING
De beklagrechter verklaart: 
- het beklag met nummers a en b beide gegrond;
- kent aan klager een tegemoetkoming toe van € 972,80.

Aldus gegeven op 3 september 2020 door de beklagrechter dhr. mr. E.J. Willekers, bijgestaan door mw. mr. A. Knol, secretaris.

Er is door de directie beroep ingesteld bij de RSJ onder kenmerk R-8053.
--------------------------------------------------------------------------------

[1] RSJ 16 juli 2007, 07/1033/GA.
[2] RSJ 25 juni 2008 , kenmerk 08/0829/GA.