Sla inhoud over

KC 2021/013

Datum uitspraak:
16/11/2020
Artikel:
23, 24 Pbw
Samenvatting:
Klager beklaagt zich onder andere over een langdurig verblijf in afzondering, zonder dat hieraan enige beslissing ten grondslag ligt. De directeur geeft aan dat op 2 augustus 2019 aan klager een ordemaatregel is opgelegd van 7 dagen plaatsing in afzondering, in afwachting van een voorstel tot overplaatsing naar een BPG-afdeling aan de selectiefunctionaris. Op 11 augustus 2019 is deze ordemaatregelen verlengd met 14 dagen. Na afloop hiervan is de ordemaatregel niet opnieuw verlengd, terwijl klager wel in afzondering op eigen cel verbleef. De beklagrechter is van oordeel dat de enkele onderbouwing dat in afwachting van de externe overplaatsing voor de orde en veiligheid verlengd wordt, zonder nadere motivering de beslissing niet kan dragen. Aan de verdere afzondering van klager heeft geen beslissing ten grondslag gelegen, hetgeen betekent dat klager onrechtmatig in de afzondering heeft verbleven. Deze onderdelen van het beklag worden gegrond verklaard. Klager heeft in totaal vijf weken en een dag in de afzondering verbleven op eigen cel. Aan klager wordt daarom conform de standaardbedragen voor tegemoetkomingen van de RSJ een tegemoetkoming toegekend van 37 dagen x €7,50,- = €277,50,-.
Uitspraak:

UITSPRAAK VAN DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT

BIJ PENITENTIAIRE INRICHTING NIEUWEGEIN

De beklagrechter heeft kennisgenomen van het bij het secretariaat ingekomen klaagschrift van:

[…], verder te noemen klager en op dit moment verblijvende in PI Vught.


Het klaagschrift is gericht tegen:

  • Een langdurig verblijf in afzondering van 28 juli 2019 tot 16 september 2019, zonder dat hieraan enige beslissing ten grondslag ligt ([X]);
  • Het niet kunnen luchten tijdens deze afzondering op 5 september 2019 ([Y]).


In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de beklagrechter kennisgenomen van de volgende informatie:

  • Twee klaagschriften van 8 september 2019, binnengekomen bij het secretariaat op 10 september 2019;
  • Verweerschrift van de directeur van 21 november 2019;
  • Het proces-verbaal van horen van klager door de Commissie van Toezicht van P.I. Vught van 5 augustus 2020.


De beklagrechter van de beklagcommissie zal op grond van artikel 62, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) als alleensprekend beklagrechter het klaagschrift afdoen. De beklagrechter acht zich daarnaast op basis van de stukken voldoende geïnformeerd. Er zal op grond van artikel 64, eerste lid, van de Pbw geen mondelinge behandeling plaatsvinden.

 

Het standpunt van klager

Klager geeft aan dat hij al sinds 28 juli 2019 in afzondering blijft en dat dit inmiddels al twee maanden voortduurt. Aan deze insluiting ligt bovendien geen beslissing ten grondslag. De directeur heeft een compensatie aangeboden van €172,50. Dat bedrag vindt klager te laag voor vier weken. Door de afzondering zijn klager langdurige activiteiten ontnomen.

Het standpunt van de directie

De directeur geeft aan dat op 2 augustus 2019 aan klager een ordemaatregel is opgelegd van zeven dagen plaatsing in afzondering. Op 11 augustus 2019 is deze ordemaatregelen verlengd met veertien dagen. Na afloop hiervan is de ordemaatregel echter niet opnieuw verlengd, terwijl klager wel in de afzondering, op eigen cel, verbleef. Klager is uiteindelijk op 16 september 2019 overgeplaatst naar PI Vught. Op 8 november 2019 is aan klager een schikking aangeboden van 172,50 voor het formele gebrek. Klager was hiermee niet akkoord. Ondanks dat de ordemaatregel niet schriftelijk is verlengd, is de directeur van mening dat klager op juiste gronden in afzondering heeft verbleven.

Beoordeling

Klager heeft conform artikel 60 van de Pbw tijdig beklag ingediend tegen een door of namens de directeur genomen beslissing. Hij kan daarom worden ontvangen in zijn beklag.

Op grond van artikel 23 en 24 van de Pbw kan de directeur een gedetineerde in afzondering plaatsen indien dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting of de eigen veiligheid van de gedetineerde noodzakelijk is. De plaatsing in afzondering kan maximaal twee weken duren. De directeur kan de maatregel telkens met twee weken verlengen indien de noodzaak tot afzondering nog steeds bestaat. Uit de Memorie van Toelichting van de Pbw volgt dat afzondering een uiterste maatregel betreft die pas in aanmerking komt indien niet met minder ingrijpende maatregelen kan worden volstaan.[1]

Periode 28 juli 2019 t/m 11 augustus 2019
De beklagrechter stelt vast dat aan klager op 24 juli 2019 een disciplinaire van zeven dagen strafcel is opgelegd. Deze is ten uitvoer gelegd van 28 juli 2019 13.15 uur tot 4 augustus 2019 om 13.15 uur. Op 28 juli 2019 is vervolgens aan klager nogmaals een disciplinaire straf opgelegd van zeven dagen strafcel. Deze is ten uitvoer gelegd van 28 juli 2019 13.15 uur tot 4 augustus 2019 om 13.15 uur. Tegen deze straf heeft klager beklag ingediend met kenmerk […], welk beklag door de commissie ongegrond is verklaard. Op 2 augustus 2019 is aan klager een ordemaatregel opgelegd van zeven dagen plaatsing in afzondering. Vanwege meerdere incidenten heeft de directeur besloten klager bij de selectiefunctionaris voor te stellen voor overplaatsing naar een beheersproblematische gedetineerden (BPG)-afdeling. In afwachting van deze overplaatsing heeft de directeur een ordemaatregel van zeven dagen plaatsing in afzondering opgelegd in afwachting van deze overplaatsing. Deze is aansluitend aan de laatste straf ten uitvoer gelegd van 4 augustus 2019 13.15 uur tot 11 augustus 2019 13.15 uur. Tegen deze ordemaatregel heeft klager eveneens beklag ingediend met kenmerk […], welk beklag door deze commissie ongegrond is verklaard. Voor zover klager zich beklaagt over de periode van 28 juli 2019 tot en met 11 augustus 2019 is het beklag daarom ongegrond.

Periode 11 augustus 2019 t/m 25 augustus 2019

Aan klager is vervolgens op 9 augustus 2019 opnieuw een ordemaatregel opgelegd, te weten de verlenging van de ordemaatregel van 2 augustus 2019. Deze ordemaatregel is opgelegd voor de duur van twee weken. Als onderbouwing is aangevoerd: ‘In afwachting van uw externe overplaatsing wordt uw verblijf voor de orde en veiligheid voor 14 dagen verlengd in de afzonderingscel.’ De beklagrechter is van oordeel dat dit argument, zonder nadere motivering, de beslissing niet kan dragen.[2] Het argument vormt op zichzelf immers geen titel voor oplegging van een ordemaatregel en geeft ook geen blijk van de noodzaak van de maatregel in het kader van de orde en veiligheid. Dit geldt temeer omdat het hier de verlenging van een al eerder opgelegde maatregel betreft. Indien een maatregel wordt verlengd en daarmee (steeds) langer voortduurt, dient de directeur goed te onderbouwen waarom er nog steeds noodzaak bestaat voor de ordemaatregel. Daartoe kan niet zonder meer telkens hetzelfde argument worden aangehaald dat van toepassing was bij de eerste beslissing. Het beklag zal daarom in zoverre gegrond worden verklaard.

Periode 25 augustus 2019 tot en met 16 september 2019

Na afloop van de eerste verlenging van de ordemaatregel, heeft klager tot zijn overplaatsing op 16 september 2019 steeds in afzondering verbleven. Aan deze afzondering heeft echter geen beslissing ten grondslag gelegen. De directeur heeft nagelaten hiertoe telkens een beslissing te nemen. Dit betekent dat klager onrechtmatig en zonder tussentijdse toets, waarbij hij middels het horen zijn zienswijze kenbaar kan maken, voor de duur van vier weken en zes dagen in de afzondering heeft verbleven. De directeur heeft hiermee ook niet telkens een belangenafweging gemaakt over de noodzaak van het voortduren van de afzondering. De beklagrechter is van oordeel dat hiermee uiterst onzorgvuldig is omgegaan met een zeer ingrijpend middel als de plaatsing in afzondering en dat het ook een ernstige schending heeft opgeleverd van de rechten van klager. Het beklag zal daarom ook in zoverre gegrond worden verklaard.

Luchten

Klager heeft aangegeven dat hij op 5 september 2019, tijdens zijn verblijf in de afzondering, niet in de gelegenheid is gesteld om te luchten. Uit inlichtingen van de directeur volgt dat aan klager wel degelijk een luchtmoment is aangeboden in de ochtend. Klager heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt. Gelet hierop zal deze klacht ongegrond worden verklaard.

Tegemoetkoming

Omdat de gevolgen van de bestreden beslissingen niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, acht de beklagrechter een tegemoetkoming op zijn plaats. Klager heeft, ten aanzien van het gegronde deel van zijn klacht, van 11 augustus 2019 tot en met 16 september 2019 in totaal vijf weken en een dag in de afzondering verbleven. De directeur heeft aangegeven dat klager de afzondering op eigen el heeft doorgebracht. Aan klager zal daarom conform de standaardbedragen voor tegemoetkomingen van de Raad voor Strafrechtstoepassing & Jeugdbescherming een tegemoetkoming worden toegekend van 37 dagen x €7,50,- = €277,50,-.

BESLISSING

De beklagrechter verklaart het beklag inzake [X]:

  • Gericht tegen de plaatsing in afzondering voor de periode van 28 juli 2019 tot en met 11 augustus 2019 ongegrond;
  • Gericht tegen de ordemaatregel van 9 augustus 2019 gegrond;
  • Gericht tegen het voortduren van de plaatsing in afzondering vanaf 25 augustus 2019 gegrond;
  • Kent aan klager een tegemoetkoming toe van €277,50,-.

 
De beklagrechter verklaart het beklag inzake [Y] ongegrond.


Aldus gegeven op 16 november 2020 door dhr. mr. P.F. Emmelot, beklagrechter, bijgestaan door mw. mr. A. Knol, secretaris.


[1] Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24 263, nr. 3, p. 43

[2] RSJ 11 maart 2019, R-18/261/GA & RSJ 31 maart 2019, R-18/2055/GA