Sla inhoud over

KC 2020/030

Datum uitspraak:
23/10/2020
Artikel:
artt. 22, 23, 61, 62 en 66 lid 7 Bjj
Samenvatting:
Klager beklaagt zich erover dat hij nog altijd in het instroomprogramma zit, terwijl dit maximaal 7 dagen mag duren. Klager krijgt ook een instroomprogramma van school, waardoor hij niet aan de minimale uren op de groep komt. Van de verlengingen van het instroomprogramma heeft klager geen beslissingen ontvangen. Klager is tweemaal te laat uitgesloten. De directie voert aan dat het instroomprogramma tot maximaal drie weken mag worden verlengd door de directeur en dat dit besluit in samenspraak met de gedragsdeskundige is genomen. Klager is niet tekort gedaan in het aantal uren van kamer. Artikel 61 lid 1 onder d Bjj bepaalt dat de jeugdige dient te worden gehoord voordat er op een verlenging van de uitsluiting van verblijf in de groep, als bedoeld in artikel 23 lid 2 Bjj, wordt beslist. De jeugdige dient op grond van artikel 62 lid 1 Bjj van die beslissing een schriftelijke mededeling te ontvangen. De beklagrechter stelt vast dat er geen schriftelijke beslissingen zijn opgemaakt, waardoor niet is gebleken dat klager is gehoord en dat er overleg heeft plaatsgevonden met een gedragswetenschapper voordat deze beslissingen zijn genomen. De beklagrechter verklaart het beklag ten aanzien van de twee verlengingen van het inloopprogramma dan ook gegrond, onder toekenning van een tegemoetkoming van € 15,--. Niet is komen vast te staan dat klager op grond van artikel 23 lid 3 of 4 is beperkt in het aantal uren van kamer. Dit onderdeel van het beklag wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak:

DE BEKLAGCOMMISSIE UIT DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ DE JUSTITIËLE JEUGDINRICHTING LELYSTAD TE LELYSTAD

De alleensprekende beklagrechter heeft kennisgenomen van de op 3 en 5 februari en 3 maart 2020 bij het secretariaat ingekomen klaagschriften van:

[…], verder te noemen klager en thans gedetineerd in de PI Zwolle.

De klaagschriften zijn gericht tegen het feit dat klager op 23-1-2020 (1), op 29-1-2020 (2), op 1-2-2020 (3), op 4-2-2020 (4), op 8-2-2020 (5) en op 9-2-2020 (6) nog altijd in het instroomprogramma zit, terwijl dit maximaal 7 dagen mag duren. Hiernaast krijgt klager ook nog een instroomprogramma van school, waardoor hij niet aan de minimale 8.5 uren per dag en 77 uur per week op de groep komt. Tevens heeft hij van de verlengingen van het instroomprogramma geen beslissingen ontvangen. Daarnaast is klager op 8 en 9 februari 2020 te laat uitgesloten.

In het kader van de behandeling van deze klachten heeft de beklagrechter kennisgenomen van de volgende informatie:

  • klaagschriften, gedateerd 23, 30 en 31 januari 2020, 1, 4, 8 en 9 februari 2020 en ontvangen bij het secretariaat op 3 en 5 februari 2020 en 3 maart 2020;
  • een schorsingsbeschikking van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) van 7 februari 2020, waarin klagers schorsingsverzoek is afgewezen.
  • verweerschriften van de inrichting gedateerd 14, 17 februari 2020 en 12 maart 2020.

Voornoemde stukken worden als ingevoegd beschouwd. 

De alleensprekende beklagrechter acht zich op basis van de stukken voldoende geïnformeerd. Er zal op grond van artikel 69 lid 1 Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Bjj) geen mondelinge behandeling plaatsvinden.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
Allereerst dient beoordeeld te worden of klager kan worden ontvangen in zijn beklag. Op grond van artikel 66, zevende lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Bjj) moet het klaagschrift uiterlijk op de zevende dag worden ingediend na die waarop de jeugdige kennis heeft genomen van de beslissing waarover hij wil klagen. Een na afloop van deze termijn ingediend klaagschrift is niettemin ontvankelijk indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de gedetineerde in verzuim is geweest.

De beklagrechter stelt vast dat de klachten 6 en 5 dateren van 8 en 9 februari 2020, maar pas op 3 maart 2020 zijn ingekomen. Dit is ruim na de zeven dagen termijn waarop de klachten moeten worden ingediend. Uit een emailbericht van het Bureau Commissie van Toezicht van 5 maart 2020 blijkt echter dat klager op 27 februari 2020 vanuit P.I. Leeuwarden naar de administratie van de CvT heeft gebeld met de vraag of zijn klaagschriften vanuit JJI Lelystad waren binnengekomen. Toen bleek dat onder andere deze klachten niet waren ingekomen, is hem aangeraden contact op te nemen met JJI Lelystad. Vervolgens heeft het Bureau CvT op 4 maart 2020 een envelop van Pluryn (= JJI Lelystad) ontvangen met daarin de ontbrekende klachten van klager. Gelet op deze informatie, zal de beklagrechter klager ontvangen in zijn beklag ten aanzien van de termijn.

Inhoudelijk

Artikel 22 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Bjj) bepaalt dat in inrichtingen jeugdigen in groepen verblijven en deelnemen aan gemeenschappelijke activiteiten gedurende ten minste 77 uren per week waarvan ten minste acht en een half uren per dag. De jeugdigen houden zich gedurende de voor de nachtrust bestemde uren in hun kamer op, tenzij zij als onderdeel van het regime van de inrichting deelnemen aan meerdaagse activiteiten buiten de inrichting. Artikel 1, aanhef en onder v van de Bjj bepaalt dat een groep uit drie of meer jeugdigen bestaat.

Op grond van artikel 23, eerste lid Bjj kan de directeur een jeugdige gedurende ten hoogste een week na zijn binnenkomst in de inrichting uitsluiten van het verblijf in een groep en zijn deelname aan gemeenschappelijke activiteiten beperken tot ten minste zes uren per dag, indien dit noodzakelijk is:

  1. ter voorbereiding van de beslissing omtrent onderbrenging van de jeugdige in de groep;
  2. ten behoeve van de vaststelling van een perspectiefplan.

Het tweede lid bepaalt dat de directeur de periode, bedoeld in het eerste lid, tweemaal met ten hoogste een week kan verlengen, indien hij na overleg met een gedragsdeskundige tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak hiertoe nog bestaat.

Artikel 23, derde lid Bjj bepaalt dat de directeur de jeugdige gedurende ten hoogste een week kan uitsluiten van verblijf in de groep of beperken in de deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, indien dit noodzakelijk is in het belang van: a) zijn geestelijke of lichamelijke ontwikkeling dan wel b) de uitvoering van het hem betreffende perspectiefplan.


De beklagrechter stelt vast dat klager op 16 januari 2020 in de inrichting is geplaatst. Klager beklaagt zich erover dat hij – kort gezegd - gedurende de periode van 23 januari 2020 tot en met 9 februari 2020 - nog altijd in het instroomprogramma zit, terwijl dit volgens artikel 23 Bjj maximaal 7 dagen mag duren. Doordat klager geregeld op zijn kamer moet verblijven en niet hele dagen naar school kan gaan, kan klager in strijd met artikel 22 Bjj structureel minder dan de minimale 8.5 uur per dag en 77 uur per week op de groep verblijven. Tevens heeft hij van de verlengingen van het instroomprogramma geen beslissingen ontvangen. Daarnaast is klager op 8 en 9 februari 2020 te laat uitgesloten.

Klager stelt dan ook primair dat de intake veel te lang heeft geduurd en subsidiair dat hij ook nog een instroomprogramma van school krijgt, waardoor hij niet aan de minimale uren per dag en per week op de groep komt. De plaatsing op kamer tijdens school is op grond van artikel 22 Bjj onrechtmatig en tevens een direct gebrek van de wettelijke zorgplicht.

De directie van de inrichting heeft in de verweerschriften aangegeven dat klager bij binnenkomst op 16 januari 2020 op basis van artikel 23 van de Bjj in een inloopprogramma is geplaatst, waarbij de jongeren verplicht zes uur per dag van kamer moeten zijn. Dit programma mag op grond van artikel 23, lid 2 Bjj tot een maximum van drie weken worden verlengd door de directeur. Dit besluit is in samenspraak met de gedragsdeskundige genomen. Het bijgevoegde programma past binnen de regelgeving en is vooral bedoeld als gewenningsperiode en om input te verkrijgen voor het opstellen van het eerste perspectiefplan. Klager is niet tekort gedaan in het aantal uren van kamer. Op 8 februari 2020 is klager om 13.00 uur en niet om 13.20 uur uitgesloten in verband met een spitactie en op 9 februari 2020 is hij om 11.00 uur conform het programma uitgesloten.

Klager heeft op 31 januari 2020 een intakegesprek voor school gehad. Hierna is zijn volledige dagprogramma gestart. Volgens de richtlijnen moet deze intake binnen zeven dagen plaatsvinden. Echter de prognose was dat klager niet lang binnen de muren van de inrichting zou verblijven en overgeplaatst zou worden naar een P.I. Om die reden is er niet gelijk een intakegesprek voor klager gepland. Klager is op 11 februari 2020 overgeplaatst naar een volwassen setting en heeft 3 weken en 3 dagen in JJI Lelystad gezeten. De directie begrijpt dat klager het vervelend vindt dat de intake niet op tijd is afgenomen, maar gezien de verwachte overplaatsing is afgeweken van de standaard procedure. Er is begrip voor klagers klachten, maar er wordt geen reden gezien hem daarin tegemoet te komen.

(Verlenging) inloopprogramma

De beklagrechter stelt vast dat het inloopprogramma van een week op grond van artikel 23, tweede lid Bjj maximaal tweemaal met ten hoogste een week kan worden verlengd door de directeur, indien hij na overleg met een gedragsdeskundige tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak hiertoe nog bestaat. Op grond van het vijfde lid houdt de directeur van de oplegging van de maatregel van uitsluiting, bedoeld in het eerste en derde lid, en de verlenging, bedoeld in het tweede en vierde lid, aantekening in een register.

Artikel 61, eerste lid onder d Bjj bepaalt dat de jeugdige dient te worden gehoord voordat er op een verlenging van de uitsluiting van verblijf in de groep, als bedoeld in artikel 23, tweede lid Bjj wordt beslist, behoudens de in het derde lid genoemde uitzonderingen. De jeugdige dient vervolgens op grond van artikel 62, eerste lid Bjj van die beslissing een schriftelijke mededeling te ontvangen waarin wordt uitgelegd waarom de beslissing wordt genomen. Uit zowel de verweerschriften als uit de telefonische inlichtingen namens de directeur van 7 februari 2020 aan de voorzitter van de RSJ (zie schorsingsbeschikking) is gebleken, dat aan klager geen schriftelijke mededelingen van de beslissingen tot verlenging van de uitsluiting van het aantal uren dagprogramma is uitgereikt. Nu er geen schriftelijke beslissingen zijn opgemaakt, is niet gebleken dat klager (telkens) is gehoord en dat er (telkens) overleg heeft plaatsgevonden met een gedragswetenschapper voordat deze beslissingen zijn genomen.

De beklagrechter is dan ook van oordeel dat het beklag ten aanzien van de twee verlengingen van het inloopprogramma gegrond moet worden verklaard, nu er tweemaal is verzuimd klager te horen en er tweemaal geen schriftelijke mededeling is uitgereikt. Klager komt een tegemoetkoming toe van € 15,= nu hij onrechtmatig twee weken en 3 dagen in een beperkter dagprogramma heeft moeten verblijven[1].

Beperking aantal uren op de groep en gemeenschappelijke activiteiten

Verder is de beklagrechter van oordeel dat op grond van de beschikbare informatie in de verweerschriften en de RSJ-schorsingsbeschikking niet is komen vast te staan dat klager op grond van artikel 23, derde of vierde lid is beperkt in het aantal uren dat hij op de groep kon verblijven en aan gemeenschappelijke activiteiten kon deelnemen. Klager is op grond van artikel 23, eerste en tweede lid Bjj in een instroomprogramma geplaatst en is op 3 februari 2020 in een instroomklas van school geplaatst. Volgens de overlegde dagprogramma’s kon klager op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag meer dan 8,5 uur en op woensdag, zaterdag en zondag 8 uur van zijn kamer zijn. Dat klager een keer vanwege een spitactie is uitgesloten leidt niet tot een ander oordeel. 

Het beklag ten aanzien van de beperking aantal uren op de groep en gemeenschappelijke activiteiten zal dan ook ongegrond worden verklaard.

BESLISSING

De beklagcommissie:

  • verklaart het beklag met de kenmerken 1, 2, 3, 4, 6 en 5 gegrond ten aanzien van de twee verlengingen van het inloopprogramma;
  • kent klager een (door de inrichting aan klager uit te betalen) tegemoetkoming toe van € 15,=;
  • verklaart het beklag met de kenmerken 1, 2, 3, 4, 6 en 5 ongegrond ten aanzien van de beperking aantal uren op de groep en gemeenschappelijke activiteiten.

Aldus gegeven door mr. M.E. Companjen, in tegenwoordigheid van mw. H.A.M. Gill-Blom, secretaris, op 23 oktober 2020.

[1] Zie RSJ standaardbedragen tegemoetkoming, waarbij aansluiting is gezocht bij de richtlijn voor gedetineerden. Hierbij gaat men uit van de tijdsperiode van de schending van het dagprogramma.

Er is door klager beroep ingesteld bij de RSJ onder kenmerk R-8491.