Sla inhoud over

KC 2020/020

Datum uitspraak:
03/08/2020
Artikel:
Artt. 2 lid 2, 15 en 18 Pbw
Samenvatting:
Klager beklaagt zich over het handelen van zijn casemanager met betrekking tot zijn verzoek om plaatsing in een ZBBI. Klager verbleef sinds september 2019 in PI Hoogvliet en zou in december 2019 in aanmerking voor detentiefasering. Na overplaatsing naar JC Zaanstad, eveneens in december 2019, zou zijn nieuwe casemanager klagers verzoek tot overplaatsing naar een ZBBI verder oppakken. Op het moment dat alle benodigde documenten gereed waren, was plaatsing in een ZBBI niet meer mogelijk vanwege de maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het corona-virus. In april 2020 is het papierwerk gereed gemaakt voor klagers deelname aan het basis penitentiair programma, waar hij uiteindelijk op 22 mei 2020 aan begonnen is. De beklagrechter is van oordeel dat klagers casemanager na zijn overplaatsing naar JC Zaanstad onvoldoende voortvarend heeft gehandeld m.b.t. het indienen van het verzoek tot plaatsing in een ZBBI. De beklagrechter stelt vast dat de maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het coronavirus, die in maart 2020 in werking zijn getreden, niet de reden kunnen zijn dat klagers selectievoorstel in de weken na zijn overplaatsing (nog) niet was ingediend. De beklagrechter verklaart de klacht gegrond en kent een tegemoetkoming van € 20 toe.
Uitspraak:


KC2020/020

De beklagrechter van de Commissie van Toezicht bij Justitieel Complex Zaanstad

De beklagrechter heeft kennisgenomen van de stukken in de beklag­zaken van […] – hierna klager – te weten: 

1)

- een klaagschrift van 16 januari 2020;

- het schriftelijke directiecommentaar van 4 maart 2020;

2)

- een klaagschrift, met bijlagen, van 3 mei 2020, de inhoud waarvan als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

De klaagschriften zijn behandeld tijdens de digitale beklagzitting van 20 mei 2020, waarbij klager en namens de inrichting […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur, zijn gehoord. Bij tussenbeslissing van 20 mei 2020, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht, is de behandeling aangehouden, teneinde de directeur in de gelegenheid te stellen de door de beklagrechter gestelde vragen te beantwoorden.

Op 17 juni 2020 zijn nadere schriftelijke inlichtingen ontvangen.

Een kopie hiervan is verzonden aan klager, waarbij hem de gelegenheid is geboden binnen twee weken na ontvangst daarvan schriftelijk te reageren. Van die gelegenheid heeft klager geen gebruik gemaakt. Omdat de klaagschriften zien op hetzelfde onderwerp en tegelijkertijd ter zitting zijn behandeld, zullen ze tezamen in één uitspraak worden afgedaan.

Standpunt klager
Klager klaagt over het niet voortvarend handelen van de casemanager waar het betreft zijn detentiefasering, want de casemanager dient geen aanvraag in voor plaatsing in een open kamp. Klager heeft als zelfmelder van 23 september tot 13 december 2019 in het huis van bewaring van de P.I. Hoogvliet verbleven. Per 19 december 2019 kwam hij in aanmerking voor plaatsing in een open kamp. Hij wordt belemmerd in de voorbereiding op zijn terugkeer in de samenleving, wat zeer demotiverend werkt.

In aanvulling daarop heeft klager in zijn brief van 3 mei 2020 aangevoerd dat hij nog altijd in de gevangenis verblijft, en aldus detentiefasering is misgelopen door een casemanager die geen verstand van zaken heeft. Per 21 april 2020 mocht klager deelnemen aan een basis penitentiair programma (BPP). Hoewel de papieren op 23 april 2020 gereed zijn gemaakt, zijn die nog altijd niet verzonden aan de selectiefunctionaris. Iedereen op de afdeling heeft dezelfde problemen met de casemanager. Vijf maanden is klager al vergeefs bezig hier weg te komen; inmiddels is hij zijn vrouw, woning en auto kwijt. De plek waar hij stage gaat lopen tijdens het BPP vraagt zich inmiddels ook af of hij wel serieus is: elke keer zegt hij dat hij naar buiten komt, maar telkens zijn er weer nieuwe problemen.

Ter zitting heeft klager verklaard dat hij bij binnenkomst in JC Zaanstad de casemanager heeft gevraagd een tweede verlofmoment voor te bereiden en een aanvraag voor plaatsing in een zeer beperkt beveiligde inrichting (ZBBI) in te dienen. Op 19 december 2019 mocht hij al faseren naar een open kamp, waarom zou hij dan om plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting (BBI) vragen? Hij heeft nooit om plaatsing in een BBI gevraagd.
De casemanager antwoordde dat niet zomaar een selectievoorstel kan worden ingediend, dat klager éérst tweemaal op algemeen verlof moest zijn geweest en dat pas daarna verder zou worden gekeken. Op 1 februari 2020 ging klager voor de tweede keer met verlof. Twee dagen daarvoor was hij – na ruim zeven weken – nog steeds niet geselecteerd, dus heeft hij voor een ander verlofadres gekozen. Hoewel klager al een goedgekeurd verlofadres had, was dit nieuwe adres dichter bij zijn werk. De politie heeft het adres gelijk goedgekeurd, maar twee à drie weken later was er nog steeds geen rapport. Klager heeft de casemanager gevraagd contact op te nemen met de politie, maar dat was volgens haar ‘niet haar taak’. Toen het politierapport eenmaal binnen was, gebeurde er weer niets. Op 10 juni 2020 komt klager vrij: hij heeft helemaal niet kunnen faseren. Aan zijn gedrag kan dat niet liggen: hij is altijd ‘groen’, had altijd schone urinecontroles en nooit problemen. Uiteindelijk heeft de reclasseringsambtenaar hem pas op 14 april 2020 bezocht. De vertraging wordt klager verweten, terwijl de casemanager niets voor hem heeft gedaan. Omdat klager zijn huis en baan in België is kwijtgeraakt, zal hij na zijn detentie alsnog in Nederland moeten blijven.

Standpunt directie
Klager is op 13 december 2019 overgeplaatst van de P.I. Hoogvliet naar J.C. Zaanstad. De directeur kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor het handelen van de casemanager van de P.I. Hoogvliet en verzoekt klager in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Op 23 december 2019 heeft de casemanager van J.C. Zaanstad contact opgenomen met de voormalig casemanager van klager in de P.I. Hoogvliet, omdat klager had aangegeven dat hij nog een verlofaanvraag had lopen. Klager is op 7 december 2019 (voor het eerst) op verlof geweest. Na dit contact heeft de casemanager klager verteld dat hij opnieuw een verlofaanvraag kon indienen en de verdere selectie voor plaatsing in een BBI zal worden opgepakt. Na terugkomst van klagers tweede verlof wilde hij niet meer naar een BBI, maar naar een ZBBI. Klager heeft daarvoor op eigen initiatief een nieuw verlofadres opgegeven, dat op 19 februari 2020 voor controle naar de betreffende instanties is gestuurd. Hoewel aan klager is uitgelegd dat het wisselen van verlofadres voor vertraging zal zorgen, was hij daarin vastberaden. De directie verzoekt de klacht ongegrond te verklaren.

In aanvulling hierop is ter zitting verklaard dat klager zich weliswaar na afloop van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft gemeld bij het politiebureau, maar dat dit hem (nog) geen zelfmelder maakt. In P.I. Hoogvliet was al het een en ander opgestart met betrekking tot zijn (eerste) verlofmoment. Op 7 december 2019 is klager met verlof geweest. De afspraak was dat de casemanager van P.I. Hoogvliet daarna met klager in gesprek zou gaan over de kale plaatsing in een ZBBI, maar dat gesprek heeft – in verband met de overplaatsing naar J.C. Zaanstad – niet meer plaatsgevonden. Na binnenkomst hier is zijn tweede verlofmoment voorbereid en is de selectie voor zijn plaatsing in een BBI verder opgepakt. Dit betekent dat de benodigde adviezen (politie, OM en verlofadres) zijn opgevraagd om een plaatsing in een BBI mogelijk te maken. Op 1 februari 2020 is klager wederom met verlof geweest. Omdat klager twijfels had over zijn verlofadres, is het selectievoorstel niet ingediend. Na terugkomst van zijn verlof wilde klager niet langer naar een BBI, maar naar een ZBBI, en heeft hij een nieuw verlofadres opgegeven. Op zijn verzoek moest het faseringstraject worden gewijzigd, wat voor vertraging heeft gezorgd. Het nieuwe adres is op 19 februari 2020 aangeschreven. Op 4 maart 2020 kwam de toestemming van de bewoner binnen. Een week later viel alles weg als gevolg van de uitbraak van het coronavirus: plaatsing in een BBI of ZBBI was niet langer mogelijk. Omdat die trajecten waren weggevallen, is uiteindelijk voor de deelname aan een BPP gekozen. Het selectievoorstel is inmiddels wel verzonden aan de selectiefunctionaris. Omdat klager de Belgische nationaliteit heeft en niet zou re-integreren in Nederland, kon hij eerder niet deelnemen aan een penitentiair programma (PP).

Nadere inlichtingen
Bij brief van 17 juni 2020 zijn de vragen beantwoord die zijn opgenomen in de tussenbeslissing van 20 mei 2020. Het antwoord luidt als volgt:

1) Per welke datum kwam klager voor het eerst (mogelijk) in aanmerking voor detentiefasering?
Deze gegevens zijn niet langer inzichtelijk.

2) Kwam klager – gelet op het feit dat hij de Belgische nationaliteit heeft – niet in aanmerking voor bepaalde trajecten van detentiefasering?
Klager heeft zelf aangegeven in aanmerking te willen komen voor een plaatsing in een ZBBI. Dit was reeds afgestemd met zijn voormalige casemanager en is overgenomen door de casemanager van J.C. Zaanstad. De voormalige casemanager had daarvoor al de benodigde adviezen opgevraagd en het door klager opgegeven verlofadres was gecontroleerd en goedgekeurd.

3) Hoe is de overdracht van de casemanager van de P.I. Hoogvliet naar de casemanager van het J.C. Zaanstad verlopen?
De casemanagers hebben via de mail kort contact gehad met elkaar.

4) Had de casemanager in de P.I. Hoogvliet al actie ondernomen met betrekking tot klagers detentiefasering?
5) Zo ja, welke?
De casemanager van P.I. Hoogvliet had alleen de controle van het verlofadres uitgezet richting de politie en de bewoner van het adres. Klager heeft een goed verlopen verlofmoment gehad, voordat hij in J.C. Zaanstad binnenkwam.

6) Op welke gronden heeft de casemanager er voor gekozen het traject van plaatsing in een BBI te starten?
De selectie was voor een plaatsing in een ZBBI, zoals besproken met klagers voormalig casemanager. Klager heeft na zijn tweede verlofmoment een nieuw adres aangedragen, waar hij gedurende het verblijf in de ZBBI zijn verlof wenste door te brengen. Dit adres is op 30 januari 2020 aangeschreven en de bewoner heeft ingestemd met klagers verblijf daar. Het advies van de politie liet echter op zich wachten en op 19 februari 2020 is een rappel gestuurd. Op het moment dat het rapport binnenkwam, waren er geen bijzonderheden ten aanzien van het verlofadres. Vanaf 16 maart 2020 mochten er echter wegens de huidige crisis geen trajecten meer worden uitgezet richting een ZBBI. De selectie van klager was op dat moment nog niet geaccordeerd en dat was ook niet meer mogelijk. Klager is hiervan in kennis gesteld en wist dan ook dat zijn traject om die reden geen doorgang heeft kunnen vinden.

7) Heeft de casemanager met klager gesproken over deze keuze?
Dit is met klager besproken. Gezegd is dat het opgeven van een nieuw verlofadres vertragend zal werken, omdat alle adviezen dan opnieuw moeten worden aangevraagd. Klager vond dit geen probleem, omdat dit adres beter was.

8) Welke stappen heeft de casemanager gezet met betrekking tot klagers detentiefasering – daarbij niet doelend op verlof – in de periode van 13 december 2019 tot 1 februari 2020 (de datum van klagers tweede verlof)?
In deze periode heeft de casemanager de adrescontrole uitgezet en de instemming van de bewoner van het verlofadres opgevraagd. Hoewel de selectie voor plaatsing in een ZBBI al rond was, werd die gestaakt, omdat dergelijke trajecten wegens de huidige maatregelen geen doorgang meer konden vinden. 

9) Welke stappen heeft de casemanager gezet met betrekking tot klagers detentiefasering
in de periode ná klagers tweede verlof (vanaf 1 februari) tot 3 mei 2020 (de datum van de tweede klacht)?
Omdat de plaatsing in een ZBBI niet kon doorgaan, heeft klager na verloop van tijd aangegeven in aanmerking te willen komen voor deelname aan een BPP. Klager was voornemens zich in te schrijven op het adres van zijn vriend en heeft een werkgever aangedragen. Klagers BPP zonder reclasseringstoezicht is gestart op 22 mei 2020.

10) Heeft, naar het oordeel van de casemanager, klager vertraging opgelopen in zijn detentiefasering?
11) Zo ja, aan welke omstandigheden was dat te wijten?
Voor faseringstrajecten worden streefdata gehanteerd, waarop geen aanspraak kan worden gemaakt. Klager heeft zelf een nieuw verlofadres aangedragen, wetende dat zijn traject daardoor niet meteen kon worden opgestart; de casemanager heeft hem hierop gewezen. Onbekend is waarom klager die keuze toch heeft gemaakt. Voorts hebben de maatregelen rondom het coronavirus meegespeeld. De streefdata zijn als gevolg hiervan niet gehaald, maar er zijn geen termijnen overschreden.

Beoordeling
Klager beklaagt zich over het onvoldoende voortvarend handelen van de casemanager met betrekking tot zijn verzoek om plaatsing in een ZBBI. De directeur heeft een zorgplicht ten aanzien van het betrachten van voortvarendheid met betrekking tot detentiefasering van en hulp en begeleiding aan gedetineerden (vgl. RSJ
16 augustus 2019, R-18/2390/GA). Gelet op die zorgplicht dient de casemanager – die handelt onder de verantwoordelijkheid van de directeur – een verzoek om detentiefasering adequaat af te handelen. In het algemeen moet de directeur enige tijd worden gegeven de aanvraag voor detentiefasering te complementeren met de daarvoor benodigde stukken en adviezen. Hoewel de directeur verantwoordelijk is voor een adequate afhandeling van een verzoek om fasering, is hij in zekere mate afhankelijk van de instanties en personen die de benodigde adviezen dienen aan te leveren (vgl. 23 januari 2018, 17/1928/GA).

Onweersproken is dat klager per 19 december 2019 in aanmerking kon komen voor plaatsing in een ZBBI. Dit betreft een streefdatum voor de mogelijke aanvang van dit faseringtraject: klager kan er niet direct rechten aan ontlenen.

In tegenstelling tot wat in het directiecommentaar staat vermeld en ter zitting is herhaald, blijkt uit de nadere inlichtingen van de directeur dat klager niet éérst om plaatsing in een BBI heeft verzocht. Al tijdens zijn verblijf in de locatie Hoogvliet heeft klager met de casemanager daar, afgesproken dat een aanvraag voor plaatsing in een ZBBI zou worden voorbereid. De casemanager heeft daarvoor de benodigde adviezen opgevraagd, de adrescontrole richting de politie uitgezet en de toestemming van de bewoner van het beoogde verlofadres opgevraagd. Ook was het adres al goedgekeurd. Na klagers overplaatsing naar J.C. Zaanstad op 13 december 2019, zou de nieuwe casemanager de (verdere) selectie voor plaatsing in een ZBBI oppakken. Op 30 januari 2020 heeft klager besloten het reeds goedgekeurde verlofadres te wijzigen, waardoor een en ander opnieuw moest worden opgevraagd. Toen het advies van de politie op zich liet wachten, is na twee weken gerappelleerd. Op het moment dat de benodigde inlichtingen ‘binnen’ waren, was plaatsing in een ZBBI wegens de maatregelen rondom het coronavirus niet langer mogelijk. Daarom is voor deelname aan een BPP gekozen, waarvoor klager per 21 april 2020 in aanmerking kon komen. Het papierwerk is op 23 april 2020 gereed gemaakt, maar was op 3 mei 2020 nog niet verzonden aan de selectiefunctionaris. Klagers deelname aan het BPP, zonder elektronisch toezicht, is uiteindelijk op 22 mei 2020 aangevangen. 

De beklagrechter overweegt dat de casemanager op bepaalde momenten bij de aanvraag voor plaatsing in een ZBBI (voldoende) voortvarend heeft gehandeld. Zo heeft de casemanager direct het nieuw opgegeven verlofadres aangeschreven en gerappelleerd bij de politie, toen het advies langer dan twee weken op zich liet wachten. Dat klagers faseringstraject vervolgens vertraging heeft opgelopen omdat plaatsing in een ZBBI wegens de coronacrisis niet meer mogelijk was, kan de casemanager niet worden verweten. De termijn tussen de datum waarop klager in aanmerking kwam voor deelname aan een BPP en het moment waarop het selectievoorstel (in ieder geval) nog niet was ingediend bij de selectiefunctionaris, is ook niet onredelijk lang te noemen.

De beklagrechter constateert echter ook dat de directeur niet concreet en inzichtelijk heeft gemaakt welke stappen de casemanager in de periode van 13 december 2019 tot 1 februari 2020 – aldus gedurende zeven weken – heeft ondernomen, om de aanvraag voor plaatsing in een ZBBI zo snel mogelijk na de reeds verstreken streefdatum van 19 december 2019 in te dienen bij de selectiefunctionaris. Omdat de casemanager in Hoogvliet al de benodigde inlichtingen had opgevraagd, is – zonder nadere toelichting – niet zonder meer begrijpelijk dat de aanvraag op 1 februari 2020 nog niet was ingediend. Uit de nadere inlichtingen volgt ook dat ‘de selectie voor plaatsing in een ZBBI al rond was, maar (dat) die werd gestaakt, omdat dergelijke trajecten wegens de huidige maatregelen geen doorgang meer konden vinden.’ Nu de maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het coronavirus binnen het gevangeniswezen per 14 maart 2020 in werking zijn getreden, kon dat echter niet de reden zijn waarom het selectievoorstel (nog) niet was ingediend.

Gelet op het voorgaande is de beklagrechter van oordeel dat de casemanager niet voldoende voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van klagers detentiefasering. Het beklag zal daarom gegrond worden verklaard. Voor het geleden ongemak zal een tegemoetkoming van € 20,= worden toegekend. Bij het bepalen van de hoogte daarvan is in aanmerking genomen dat klager – op grond van artikel 18 van de Pbw – ook zelf een verzoek om detentiefasering had kunnen indienen, waardoor zijn verzoek eerder bij de selectiefunctionaris bekend had kunnen zijn en daarop eerder had kunnen worden beslist.

BESLISSSING
Verklaart de klacht gegrond en kent een tegemoetkoming toe van € 20,=.

Aldus gegeven op 3 augustus 2020  mr. A.L. Diender, alleensprekend beklagrechter uit de Commissie van Toezicht bij het Justitieel Complex Zaanstad, bijgestaan door mr. L.S. Rietdijk, secretaris.